ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
28 januari 2016 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Verordening (EU) nr. 158/2013 — Geldigheid — Antidumpingrecht op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten van oorsprong uit de Volksrepubliek China — Uitvoering van een arrest waarbij de ongeldigheid van een eerdere verordening is vastgesteld — Heropening van het oorspronkelijke onderzoek betreffende de vaststelling van de normale waarde — Opnieuw instellen van het antidumpingrecht op basis van dezelfde gegevens — Onderzoekstijdvak dat in aanmerking moet worden genomen”
In de gevoegde zaken C‑283/14 en C‑284/14,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) en het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissingen van respectievelijk 4 juni 2014 en 1 april 2014, ingekomen bij het Hof op 11 juni 2014, in de procedures
CM Eurologistik GmbH
tegen
Hauptzollamt Duisburg (C‑283/14)
en
Grünwald Logistik Service GmbH (GLS)
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Stadt (C‑284/14),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan, A. Prechal en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 mei 2015,
gelet op de opmerkingen van:
—
CM Eurologistik GmbH en Grünwald Logistik Service GmbH (GLS), vertegenwoordigd door K. Landry, Rechtsanwalt,
—
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert als gemachtigde, bijgestaan door B. O’Connor en S. Crosby, solicitors, en S. Gubel, avocat,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en R. Sauer als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 september 2015,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) nr. 158/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot hernieuwde instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 49, blz. 29).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen, enerzijds, CM Eurologistik GmbH (hierna: „CM Eurologistik”) en het Hauptzollamt Duisburg (hoofddouanekantoor te Duisburg, Duitsland) en, anderzijds, Grünwald Logistik Service GmbH (GLS) (hierna: „GLS”) en het Hauptzollamt Hamburg-Stadt (hoofddouanekantoor van Hamburg, Duitsland), over de heffing door deze douaneautoriteiten van een antidumpingrecht op ingeblikte mandarijnen die deze ondernemingen uit China hadden ingevoerd.
Toepasselijke bepalingen
3
Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”) is in werking getreden op 11 januari 2010 en heeft verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 (PB L 340, blz. 17; hierna: „verordening nr. 384/96”), ingetrokken en vervangen. De basisverordening codificeert verordening nr. 384/96 en neemt in vergelijkbare bewoordingen de bepalingen daarvan over.
4
Artikel 1 van de basisverordening, met als opschrift „Beginselen”, bepaalt:
„1. Een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.
2. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
[...]”
5
Artikel 2 van de basisverordening, „Vaststelling van dumping”, bepaalt:
„A. Normale waarde
1. De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.
[...]
7.
a)
Bij invoer uit landen zonder markteconomie [...] wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.
Een geschikt derde land met een markteconomie wordt op redelijke wijze geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare gegevens die op het tijdstip van de selectie beschikbaar zijn. [...]
[...]”
6
Lid 9 van artikel 5 van de basisverordening, „Inleiding van de procedure”, luidt:
„Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, gaat de Commissie binnen 45 dagen na indiening van de klacht daartoe over en maakt zij dit in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend. Wanneer onvoldoende bewijsmateriaal is ingediend, wordt de klager, na overleg, daarvan in kennis gesteld binnen 45 dagen na de datum waarop de klacht bij de Commissie is ingediend.”
7
In artikel 6 van de basisverordening, „Het onderzoek”, is bepaald:
„1. Na de inleiding van de procedure maakt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een aanvang met het onderzoek op het vlak van de Gemeenschap. Dit onderzoek heeft zowel betrekking op de dumping als op de schade en deze beide elementen worden terzelfder tijd onderzocht. Om ervoor te zorgen dat de bevindingen representatief zijn, wordt een onderzoektijdvak vastgesteld, dat normaal een onmiddellijk aan de procedure voorafgaande periode van ten minste zes maanden beslaat. Informatie die betrekking heeft op een na het onderzoektijdvak volgende periode wordt normaal niet in aanmerking genomen.
[...]
9. Het onderzoek in de overeenkomstig artikel 5, lid 9, ingeleide procedures wordt, voor zover mogelijk, binnen één jaar afgesloten. Het wordt in ieder geval binnen 15 maanden na de opening beëindigd, overeenkomstig artikel 8 of artikel 9 gedane bevindingen.”
8
Artikel 11 van de basisverordening, „Duur, nieuw onderzoek en terugbetaling”, luidt:
„1. Een antidumpingmaatregel blijft slechts van toepassing zolang en voor zover dit nodig is om de schadeveroorzakende invoer met dumping tegen te gaan.
2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. [...]
[...]
3. De noodzaak tot handhaving van maatregelen kan eveneens worden onderzocht, [...] op initiatief van de Commissie, [...]
Een tussentijds nieuw onderzoek wordt geopend wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan.
[...]”
9
In artikel 23 van de basisverordening, „Intrekking”, is bepaald:
„Verordening (EG) nr. 384/96 wordt ingetrokken.
De intrekking van verordening (EG) nr. 384/96 doet echter geen afbreuk aan de geldigheid van krachtens die verordening ingeleide procedures.
[...]”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Feiten ten grondslag aan de vaststelling van verordening nr. 158/2013
10
Op 7 november 2003 heeft de Commissie voorlopige beschermingsmaatregelen ten aanzien van de invoer van ingeblikte mandarijnen ingesteld bij verordening (EG) nr. 1964/2003 tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen en dergelijke) (PB L 290, blz. 3). Deze verordening is in werking getreden op 9 november 2003 en was van kracht tot en met 10 april 2004.
11
De Commissie heeft op 7 april 2004 krachtens de verordeningen van de Raad (EG) nr. 3285/94 van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94 (PB L 349, blz. 53) en (EG) nr. 519/94 van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1765/82, (EEG) nr. 1766/82 en (EEG) nr. 3420/83 (PB L 67, blz. 89), verordening (EG) nr. 658/2004 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide en verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen en dergelijke) (PB L 104, blz. 67) vastgesteld, die van kracht was van 11 april 2004 tot en met 8 november 2007.
12
De Spaanse federatie van de groenten- en fruitverwerkende industrie heeft vóór het verstrijken van die beschermingsmaatregelen om verlenging ervan verzocht. De Commissie heeft dit verzoek afgewezen.
13
Daarop heeft deze federatie op 6 september 2007 bij de Commissie een klacht ingediend wegens invoer met dumping van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten uit China.
14
De Commissie was van oordeel dat deze klacht met voldoende bewijs werd gestaafd en heeft op 20 oktober 2007 een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China gepubliceerd (PB C 246, blz. 15).
15
In dat bericht werd vermeld dat de klacht betrekking had op bereide of verduurzaamde mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen), clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals gedefinieerd onder post 2008 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006 (PB L 301, blz. 1; hierna: „GN”), van oorsprong uit China, doorgaans aangegeven onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90. In het bericht werd evenwel gepreciseerd dat die GN-codes slechts ter informatie werden vermeld. Wat de vaststelling van de normale waarde van die citrusvruchten betreft, zette de Commissie in haar bericht uiteen dat de klager de normale waarde voor China, behalve voor producenten-exporteurs die kunnen aantonen dat zij op marktvoorwaarden werken, bij gebrek aan producenten van het betrokken product buiten de Gemeenschap en China en overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, had gebaseerd op een „andere redelijke grondslag”, te weten de werkelijk betaalde of te betalen prijs van een soortgelijk product in de Gemeenschap, indien nodig „verhoogd”.
16
Op 4 juli 2008 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 642/2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 178, blz. 19) vastgesteld. Blijkens overweging 12 van deze verordening had het onderzoek naar het bestaan van dumping betrekking op de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007, en het onderzoek met het oog op de schadebeoordeling op de periode van 1 oktober 2002 tot het einde van het onderzoekstijdvak. Wat de vaststelling van de normale waarde van het betrokken product betreft, wordt in de overwegingen 38 tot en met 45 van deze verordening uiteengezet dat de normale waarde voor alle producenten-exporteurs in de steekproef, wegens het ontbreken van medewerking van producenten in derde landen, is gebaseerd op een andere redelijke grondslag, namelijk de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor een soortgelijk product in de Gemeenschap.
17
Op 18 december 2008 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1355/2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 350, blz. 35) vastgesteld, die op 31 december 2008 in werking is getreden. Volgens overweging 17 van die verordening werden geen argumenten aangevoerd die reden geven om te twijfelen aan de methode die werd gebruikt om de normale waarde vast te stellen. De Commissie zet in het bijzonder uiteen dat het gebruik van gegevens over de prijzen in een ander invoerland of van openbaar gemaakte informatie geen redelijke oplossing was geweest omdat deze informatie, bij gebrek aan medewerking van een „referentieland” niet op haar juistheid kon worden gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 8, van de basisverordening. Voorts heet het in overweging 18 van verordening nr. 1355/2008 dat de overwegingen 38 tot en met 45 van verordening nr. 642/2008 worden bevestigd.
18
Bij op 23 maart 2009 ter griffie van het Gerecht van de Europese Unie neergelegd verzoekschrift hebben twee ondernemingen die werden geraakt door het bij verordening nr. 1355/2008 ingestelde antidumpingrecht een beroep tot nietigverklaring van deze verordening ingesteld.
19
Bij arrest van 17 februari 2011, Zhejiang Xinshiji Foods en Hubei Xinshiji Foods/Raad (T‑122/09, EU:T:2011:46), heeft het Gerecht dit beroep toegewezen, op grond dat bij verordening nr. 1355/2008 de rechten van de verdediging waren geschonden en zij onvoldoende was gemotiveerd. Het heeft deze verordening bijgevolg nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op de twee ondernemingen die in deze zaak verzoeksters waren.
20
Tegelijkertijd heeft het Finanzgericht Hamburg op 11 mei 2010, naar aanleiding van een geding tussen GSL en het Hauptzollamt Hamburg-Stadt over de inning door die belastingdienst van het bij verordening nr. 1355/2008 ingestelde antidumpingrecht, het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag over de geldigheid van deze verordening voorgelegd.
21
Het Hof heeft verordening nr. 1355/2008 in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) ongeldig verklaard.
22
Het Hof heeft in dat arrest geoordeeld dat de Commissie, die het onderzoek moet voeren en de voorlopige antidumpingverordeningen moet vaststellen, en de Raad, die de definitieve antidumpingverordeningen moet vaststellen, in geval van invoer uit een land zonder markteconomie, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moeten nagaan of de normale waarde van het betrokken product kan worden vastgesteld op basis van de prijs of de door berekening vastgestelde waarde in een derde land met een markteconomie, of op basis van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen. Enkel wanneer de normale waarde onmogelijk op die manier kan worden vastgesteld, mag zij worden vastgesteld aan de hand van een andere redelijke grondslag. De Commissie had dus bij het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 1355/2008 met de nodige zorgvuldigheid de informatie waarover zij beschikte moeten onderzoeken om na te gaan of onder de landen met een markteconomie een „referentieland” kon worden gevonden. Het Hof heeft vastgesteld dat er volgens de statistieken van Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) in de jaren 2002/2003 tot en met 2006/2007 een niet onbelangrijke invoer in de Europese Unie was van producten onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90 die afkomstig waren uit derde landen met een markteconomie, met name Israël, Swaziland, Thailand en Turkije. Die statistieken bevatten namelijk de volgende gegevens over de invoer van die producten (in ton):
Ingevoerde hoeveelheden
2002/2003
2003/2004
2004/2005
2005/2006
2006/2007 (OT)
China
51 282,60
65 895,00
49 590,20
61 456,30
56 157,20
Israël
4 247,00
3 536,20
4 045,20
3 634,90
4 674,00
Swaziland
3 903,10
3 745,30
3 785,70
3 841,00
3 155,50
Turkije
2 794,30
3 632,30
3 021,40
2 273,80
2 233,60
Thailand
235,80
457,90
485,10
532,50
694,80
23
In die omstandigheden had de Commissie ambtshalve moeten onderzoeken of een van deze landen als „referentieland” in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening kon dienen. Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat de Raad en de Commissie de vereisten van die bepaling hadden miskend, door de normale waarde van het betrokken product te bepalen op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen van een soortgelijk product in de Unie zonder daarbij de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen om deze waarde vast te stellen aan de hand van de prijzen die voor hetzelfde product in een derde land met een markteconomie worden toegepast.
24
Dienaangaande heeft het Hof in punt 35 van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158), in antwoord op een argument inzake de relevantie van de statistieken van Eurostat, verklaard dat die statistieken waarvan de overlegging was gevraagd, betrekking hadden op het betrokken product, en dat uit een vergelijking van de in verordening nr. 642/2008 weergegeven statistieken betreffende de invoer uit China van het betrokken product en de aan het Hof meegedeelde statistieken bleek dat bedoelde statistieken enkel en alleen betrekking hadden op de invoer van het betrokken product.
25
Op 19 juni 2012 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht betreffende de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en een gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek betreffende bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C 175, blz. 19) bekendgemaakt, waarin zij meedeelt dat zij besloten heeft het antidumpingonderzoek te heropenen en dat „[d]e heropening [...] beperkt [is] tot de uitvoering van het [...] arrest [GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158)] van het Hof van Justitie”. Met dit bericht werden ook de douaneautoriteiten ervan in kennis gesteld dat, gelet op dat arrest, op de invoer van het betrokken product in de Unie niet langer antidumpingmaatregelen van toepassing waren en dat de rechten die overeenkomstig verordening nr. 1355/2008 waren geïnd, moesten worden terugbetaald of kwijtgescholden.
26
Op 18 februari 2013 heeft de Raad verordening (EG) nr. 158/2013 vastgesteld. Deze verordening trad in werking op 23 februari 2013 en verstreek op 31 december 2013.
27
De overwegingen 32, 33, 43, 47, 48, 54 en 86 van verordening nr. 158/2013 luiden:
„(32)
[...] [H]et Hof [interpreteerde] de op 27 juli 2011 door de Commissie aan het Hof verstrekte statistieken in het [arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) betreffende de bepaling van een referentieland] als gegevens die uitsluitend betrekking hebben op het betrokken product. De Commissie heeft echter de volledige reikwijdte van elke GN-code in deze statistieken opnieuw onderzocht, en er dient op te worden gewezen dat deze statistieken een breder terrein omvatten dan het onder de maatregelen vallende product, aangezien zij tevens betrekking hadden op de volledige GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en 2008 30 90. De statistische gegevens met betrekking tot het betrokken product of het soortgelijke product (voor GN-codes 2008 30 55 en 2008 30 75) voor de [....] landen [die in de tijdens het onderzoek beschikbare statistieken van Eurostat werden vermeld] gedurende het onderzoektijdvak zijn als volgt:
Land
Omvang van de invoer (in t)
[China]
49 791,30
Thailand
666,10
Turkije
151,20
Israël
4,80
Swaziland
0
(33)
De statistische gegevens met betrekking tot GN-code 2008 30 90 omvatten ook andere producten dan het betrokken product. Op basis van deze gegevens kunnen dan ook geen conclusies getrokken worden betreffende de invoer van het soortgelijke product. Derhalve kan niet uit de statistieken worden afgeleid dat het soortgelijke product gedurende het onderzoektijdvak werd ingevoerd uit hetzij Israël of Swaziland.
[...]
(43)
[...] [O]nderstreept [moet worden] dat de Commissie heeft besloten het aanvankelijke onderzoek op beperkte wijze te heropenen, uitsluitend wat betreft het mogelijk aanwijzen van een referentieland. De Commissie heeft geen nieuw onderzoektijdvak gedefinieerd, anders dan in de zaak die leidde tot het arrest in Industrie des poudres sphériques/Raad [(C‑458/98 P, EU:C:2000:531)]. De reden hiervoor was dat gezien het feit dat antidumpingrechten geheven werden, eventueel gedurende een nieuw onderzoektijdvak verzamelde gegevens beïnvloed zouden zijn door het bestaan van de betreffende antidumpingrechten, met name inzake het vaststellen van schade. De Commissie is van mening dat de door de partijen opgeworpen punten met betrekking tot de vermeende aanwezigheid van dumping op het huidige tijdstip beter kunnen worden geëvalueerd in het kader van een tussentijds onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. Terwijl de analyse van schade in het aanvankelijke onderzoek ex post wordt uitgevoerd voor het onderzoektijdvak, wordt de analyse van schade tijdens een tussentijds onderzoek op prospectieve wijze uitgevoerd, aangezien de gedurende het onderzoektijdvak van het tussentijdse onderzoek waargenomen schade waarschijnlijk zal worden beïnvloed door het feit dat een antidumpingrecht wordt geheven.
[...]
(47)
In het [...] arrest [GLSC‑338/10, EU:C:2012:158] verwees het Hof uitdrukkelijk naar vier landen van waaruit, volgens de gegevens van Eurostat, significante invoer in de EU zou hebben plaatsgevonden onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90. Het betreft hier Israël, Swaziland, Thailand en Turkije. In dat licht heeft de Commissie contact opgenomen met de autoriteiten van die landen via hun vertegenwoordiging in de Europese Unie. Met alle werd contact opgenomen vóór de gedeeltelijke heropening van het onderzoek en wederom op het tijdstip van heropening. De betrokken vertegenwoordigingen, evenals de delegaties van de Europese Unie in die landen, werd verzocht om mogelijke binnenlandse producenten van het soortgelijke product te identificeren en, indien deze werden gevonden, te helpen om hun medewerking te verwerven.
(48)
Hoewel tweemaal contact met hen werd opgenomen, werd geen antwoord ontvangen van de vertegenwoordigingen van Swaziland en Thailand in de Europese Unie. Antwoord werd ontvangen van de vertegenwoordigingen van Israël en Turkije. De Turkse vertegenwoordiging verstrekte de adressen van zes vermeende producenten en de Israëlische vertegenwoordiging informeerde de diensten van de Commissie dat zich tijdens het [onderzoekstijdvak] geen productie van het soortgelijke product had voorgedaan in Israël (en dat zich op het betreffende tijdstip ook geen dergelijke productie zou voordoen).
[...]
(54)
Rekening houdende met de door de partijen gemaakte opmerkingen, de analyse daarvan en het gebrek aan medewerking door potentiële producenten in derde landen ondanks beduidende inspanningen door de diensten van de Commissie, werd geconcludeerd dat een normale waarde op basis van de prijs of door berekening vastgestelde waarde in een derde land met markteconomie zoals voorgeschreven door artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening niet kon worden vastgesteld.
[...]
(86)
Wat betreft het standpunt dat de analyse van schade gebaseerd moet worden op recentere gegevens [...] wordt geconstateerd dat alle recentere gegevens beïnvloed worden door het feit dat een antidumpingrecht wordt geheven. Daarom is het geëigende instrument voor een analyse van recentere gegevens een tussentijds onderzoek zoals voorgeschreven in artikel 11, lid 3, van de basisverordening, en niet een nieuw onderzoek [...]”.
Feiten in de zaak C‑283/14
28
CM Eurologistik is actief op het gebied van opslag en distributie. Op 20 maart 2013 heeft zij 48000 dozen met 24 blikken mandarijnen zonder toegevoegde alcohol en met toegevoegde suiker (13,95 %) van elk 312 gram (g) onder Taric-code 2008 30 75 90 (geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschap) van oorsprong uit China in een volgens de regels erkend douane-entrepot opgeslagen. Op 25 maart 2013 heeft zij nogmaals eenzelfde hoeveelheid goederen in dat entrepot opgeslagen.
29
In april 2013 heeft CM Eurologistik in drie partijen van bovengenoemde blikken mandarijnen ongeveer 19296 kilogram (kg) uitgeslagen en vervolgens voor deze producten een aangifte voor het vrije verkeer ingediend.
30
Bij aanslagbericht van 7 mei 2013 heeft het Hauptzollamt Duisburg het door CM Eurologistik verschuldigde antidumpingrecht vastgesteld op 9657,99 EUR.
31
CM Eurologistik heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt, omdat verordening nr. 158/2013 volgens haar ongeldig is.
32
Bij beschikking van 9 september 2013 heeft het Hauptzollamt dit bezwaar afgewezen, op grond dat het door verordening nr. 158/2013 is gebonden en deze correct had toegepast.
33
Tegen die beschikking heeft CM Eurologistik beroep ingesteld bij het Finanzgericht Düsseldorf, waarbij zij dezelfde grond als in haar bezwaar heeft aangevoerd.
34
Het Finanzgericht Düsseldorf heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Is [verordening] nr. 158/2013 geldig?”
Feiten in de zaak C‑284/14
35
GLS voert in de Europese Unie ingeblikte mandarijnen uit China in.
36
Bij aanslagbericht van 3 april 2013 heeft het Hauptzollamt Hamburg-Stadt GLS invoerrechten opgelegd, waaronder een antidumpingrecht van 62983,52 EUR op grond van verordening nr. 158/2013.
37
Op 30 april 2013 heeft GLS bij dit Hauptzollamt bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, op grond dat verordening nr. 158/2013 ongeldig is.
38
Bij beschikking van 24 mei 2013 heeft het Hauptzollamt dit bezwaar ongegrond verklaard. Het heeft daarbij gesteld dat het niet bevoegd is de geldigheid van verordeningen van de Europese instellingen te onderzoeken.
39
Op 26 juni 2013 heeft GLS tegen deze beschikking beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg.
40
Het Finanzgericht Hamburg heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Is [verordening nr. 158/2013] geldig, hoewel vóór de vaststelling ervan geen recent zelfstandig antidumpingonderzoek is gevoerd, maar slechts een destijds reeds voor het tijdvak van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007 gevoerd antidumpingonderzoek is voortgezet, terwijl dat onderzoek nochtans volgens de vaststellingen van het Hof in zijn arrest [GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158)] niet voldeed aan de vereisten van verordening [nr. 384/96], zodat het Hof in die zaak de op grond van dat onderzoek vastgestelde verordening [nr. 1355/2008] ongeldig heeft verklaard?”
41
Bij beschikking van de president van het Hof van 16 juli 2014 zijn de zaken C‑283/14 en C‑284/14 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
42
Uit de motivering van de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechters deels dezelfde twijfels hebben over de geldigheid van verordening nr. 158/2013. Gelet op de aard van die twijfels moet worden aangenomen dat de verwijzende rechters met hun respectieve vragen, die deels samen moeten worden onderzocht, in wezen wensen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is wegens:
—
het ontbreken van bepalingen in verordening nr. 384/96 of in de daaropvolgende basisverordening die uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid om de procedure te heropenen nadat een antidumpingverordening ongeldig is verklaard;
—
schending van artikel 6, lid 9, van de basisverordening;
—
schending van artikel 6, lid 1, van de basisverordening;
—
onregelmatigheid van de grond die in verordening nr. 158/2013 is aangevoerd ter rechtvaardiging van de beslissing van de Raad en de Commissie om het oorspronkelijke referentietijdvak te behouden, en
—
schending van artikel 266 VWEU.
43
In hun opmerkingen voeren verzoeksters in de hoofdgedingen twee andere gronden voor ongeldigheid van verordening nr. 158/2013 aan, te weten, kort gezegd, miskenning van de werkingssfeer ratione temporis van de basisverordening en schending van artikel 2, lid 7, onder a), van die verordening.
44
Volgens vaste rechtspraak van het Hof berust de procedure van artikel 267 VWEU echter op een duidelijke scheiding van de taken tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, zodat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (arrest Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 26).
45
Voorts is het vaste rechtspraak dat artikel 267 VWEU geen rechtsmiddel is ten behoeve van de partijen in het bij de nationale rechter aanhangige geschil, zodat het Hof in beginsel niet gehouden is om de geldigheid van een Uniehandeling te toetsen in het licht van een grond die enkel bij het Hof is aangevoerd door een van die partijen in haar schriftelijke opmerkingen (zie in die zin arrest Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 27en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
In die omstandigheden hoeft de toetsing van de geldigheid van verordening nr. 158/2013 dus niet te worden uitgebreid tot gronden die de verwijzende rechters niet hebben genoemd.
Ontbreken van bepalingen in verordening nr. 384/96 of de daaropvolgende basisverordening die uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid om de procedure te heropenen nadat een antidumpingverordening ongeldig is verklaard
47
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C‑284/14 in wezen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is omdat de Raad en de Commissie hebben beslist de procedure te heropenen, terwijl in verordening nr. 384/96 en de daaropvolgende basisverordening niet in een dergelijke mogelijkheid is voorzien.
48
Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat wanneer het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 267 VWEU de ongeldigheid van een Uniehandeling vaststelt, deze beslissing als rechtsgevolg heeft dat de betrokken instellingen de nodige maatregelen moeten treffen teneinde de vastgestelde onwettigheid te herstellen, daar de verplichting die artikel 266 VWEU oplegt voor arresten houdende nietigverklaring naar analogie geldt voor arresten waarbij een Uniehandeling ongeldig wordt verklaard (zie in die zin arrest Régie Networks, C‑333/07, EU:C:2008:764, punt 124en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Om aan deze verplichting te voldoen, moeten de betrokken instellingen niet alleen het dictum naleven van het arrest waarbij de nietigverklaring of ongeldigheid wordt uitgesproken, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de precieze betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers deze rechtsoverwegingen die aangeven welke bepaling als onwettig wordt beschouwd, en wat de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid, waar de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig of ongeldig verklaarde handeling rekening mee moet houden (zie in die zin arresten Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punt 27; Spanje/Commissie, C‑415/96, EU:C:1998:533, punt 31, en Italië/Commissie, C‑417/06 P, EU:C:2007:733, punt 50).
50
Evenwel zij eraan herinnerd dat artikel 266 VWEU de instellingen waarvan de nietig verklaarde handeling afkomstig is enkel verplicht de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij de handeling nietig werd verklaard (arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, EU:C:1999:407, punt 50) en dat nietigverklaring van een Uniehandeling niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 73).
51
Tenzij de gehele procedure nietig is door de vastgestelde onregelmatigheid, kunnen de betrokken instellingen de procedure dus heropenen in de fase waarin die onregelmatigheid is begaan, teneinde een handeling vast te stellen ter vervanging van een eerdere, nietig of ongeldig verklaarde handeling (zie in die zin arrest Italië/Commissie, C‑417/06 P, EU:C:2007:733, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Gelet op het voorgaande hoeft de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk te bepalen dat de procedure kan worden heropend opdat de instellingen die een nietig of ongeldig verklaarde handeling hebben vastgesteld, van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken. Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld, zonder verwijzing naar een specifieke rechtsgrondslag, dat zij deze mogelijkheid hadden naar aanleiding van een arrest waarbij een verordening tot instelling van antidumpingrechten nietig werd verklaard (zie in die zin arrest Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punten 82 en 94).
53
In de hoofdgedingen behelsde de door het Hof in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) vastgestelde onregelmatigheid de omstandigheid dat de Commissie niet ambtshalve had onderzocht of een van de landen die waren opgenomen in de tijdens het onderzoek beschikbare statistieken van Eurostat een referentieland in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening kon vormen, zodat de Raad en de Commissie niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag hadden gelegd om de normale waarde van het betrokken product vast te stellen aan de hand van de prijzen die voor hetzelfde product in een derde land met een markteconomie werden toegepast.
54
Aangezien een dergelijke onregelmatigheid geen weerslag had op de volledige procedure, maar enkel op de vaststelling van die normale waarde, konden de Raad en de Commissie beslissen om ter uitvoering van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) de procedure slechts te heropenen in de fase van het onderzoek die betrekking had op de vaststelling van die normale waarde, hoewel noch verordening nr. 384/96 noch de daaropvolgende basisverordening deze mogelijkheid uitdrukkelijk vermeldde.
55
Bijgevolg kan de omstandigheid dat noch verordening nr. 384/96, noch de daaropvolgende basisverordening voorzien in de mogelijkheid voor de Raad en de Commissie om de procedure te heropenen nadat een antidumpingverordening ongeldig is verklaard, niet leiden tot de ongeldigheid van verordening nr. 158/2013.
Gestelde schending van artikel 6, lid 9, van de basisverordening
56
De verwijzende rechters wensen in wezen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is op grond dat het onderzoek meer dan vijftien maanden na de opening ervan is beëindigd, wat volgens hen een schending van artikel 6, lid 9, van de basisverordening inhoudt.
57
In dat verband moeten de betrokken instellingen, zoals uiteengezet in punt 54 van het onderhavige arrest, in geval van een onregelmatigheid die, zoals in de hoofdgedingen, optreedt in de loop van het onderzoek, de mogelijkheid hebben de procedure te heropenen in de fase van het onderzoek waarin de onregelmatigheid werd begaan.
58
Volgens artikel 6, lid 9, moet het onderzoek dat volgt wanneer een antidumpingprocedure is ingeleid, hoe dan ook worden beëindigd binnen vijftien maanden na opening.
59
Artikel 6, lid 9, verwijst echter uitdrukkelijk naar de procedures die zijn ingeleid op grond van artikel 5, lid 9, van de basisverordening, zodat het enkel betrekking heeft op de oorspronkelijke procedures en niet op de procedures die heropend zijn naar aanleiding van een arrest waarbij een handeling nietig of ongeldig is verklaard.
60
Bovendien strekt de in die bepaling neergelegde termijn van vijftien maanden ertoe een snelle behandeling van de in de basisverordening bedoelde procedures te verzekeren, terwijl de door de verwijzende rechters beoogde uitlegging van artikel 6, lid 9, van die verordening er in feite toe zou leiden dat de in die verordening neergelegde procedures nodeloos worden verlengd door de instellingen te verplichten deze procedures volledig opnieuw te beginnen naar aanleiding van een dergelijk arrest, en de beëindiging ervan dus wordt vertraagd.
61
Gelet op een en ander geldt de termijn van vijftien maanden waarin is voorzien voor oorspronkelijke procedures niet voor de procedure in casu, die immers heropend is, zodat verordening nr. 158/2013 niet ongeldig kan worden verklaard op de door de verwijzende rechters vermelde grond.
Gestelde schending van artikel 6, lid 1, van de basisverordening
62
De verwijzende rechters wensen in wezen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is omdat de Raad en de Commissie, om vast te stellen of er sprake was van dumping, hebben beslist om geen nieuw onderzoek op basis van een geactualiseerd referentietijdvak te verrichten, waarmee zij volgens de verwijzende rechters artikel 6, lid 1, van de basisverordening hebben geschonden.
63
Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat artikel 6, lid 1, bepaalt dat het voor het onderzoek gekozen referentietijdvak normaal een onmiddellijk aan de procedure voorafgaande periode van ten minste zes maanden beslaat.
64
Ter uitvoering van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) hebben de Raad en de Commissie beslist de procedure te heropenen in de fase van het onderzoek die betrekking had op de vaststelling van dumping, met behoud van het oorspronkelijke referentietijdvak.
65
Het Hof heeft echter met betrekking tot artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1) – waarvan de bepalingen overeenstemden met die van artikel 6, lid 1, van de basisverordening – reeds geoordeeld dat de regels voor de bepaling van het referentietijdvak dat in aanmerking moet worden genomen voor de in die bepaling genoemde procedures indicatief en niet dwingend zijn (arrest Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punt 88).
66
De verwijzende rechters merken terecht op dat uit punt 92 van het arrest Industrie des poudres sphériques/Raad (C‑458/98 P, EU:C:2000:531) volgt dat het onderzoek op grond van zo recent mogelijke informatie moet worden verricht, teneinde antidumpingrechten te kunnen vaststellen die geschikt zijn om de bedrijfstak van de Gemeenschap tegen dumping te beschermen.
67
Uit artikel 11, lid 2, van de basisverordening volgt evenwel dat de betrokken instellingen antidumpingrechten die geschikt zijn om de bedrijfstak van de Gemeenschap tegen dumping te beschermen, gedurende vijf jaar kunnen handhaven op basis van de gegevens van eenzelfde referentietijdvak.
68
In casu hebben de instellingen zich voor de vaststelling van verordening nr. 158/2003 weliswaar gebaseerd op de gegevens van het referentietijdvak dat werd gebruikt voor de vaststelling van verordening nr. 1355/2008, maar verordening nr. 158/2013 heeft enkel opnieuw antidumpingrechten ingesteld voor de periode waarin verordening nr. 1355/2008, die nietig is verklaard bij arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158), van toepassing had moeten zijn.
69
In die omstandigheden, gelet op de specifieke context van de onderhavige zaken waarin de instellingen passende uitvoering moesten geven aan een arrest houdende ongeldigverklaring door een onregelmatigheid te verhelpen die slechts een deel van de ingeleide procedure had aangetast, betroffen de in het onderzoek verzamelde gegevens informatie die nog voldoende actueel was gebleven in de zin van de in punt 66 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak om de instelling van antidumpingrechten tot het verstrijken van verordening nr. 158/2013 te rechtvaardigen.
70
Bijgevolg konden de Raad en de Commissie zonder artikel 6, lid 1, van de basisverordening te schenden bij de heropening van de procedure beslissen geen gebruik te maken van een geactualiseerd referentietijdvak voor de vaststelling van de normale waarde van het betrokken product. Verordening nr. 158/2013 kan derhalve niet ongeldig worden verklaard op grond dat geen nieuw onderzoek werd verricht.
Gestelde onregelmatigheid van de grond die in verordening nr. 158/2013 is aangevoerd ter rechtvaardiging van de beslissing van de Raad en de Commissie om het oorspronkelijke referentietijdvak te behouden
71
De verwijzende rechter in zaak C‑283/14 wenst in wezen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is voor zover de beslissing van de Raad en de Commissie om het oorspronkelijke referentietijdvak te behouden in de overwegingen 43 en 86 daarvan onregelmatig wordt gemotiveerd, namelijk op grond dat elk onderzoek van een recenter tijdvak noodzakelijkerwijze beïnvloed zou zijn door de antidumpingrechten die zijn ingesteld bij verordening nr. 642/2008 en nadien bij verordening nr. 1355/2008, en dat een tussentijds nieuw onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening derhalve het meest aangewezen instrument voor een analyse van de meest recente gegevens was.
72
Deze rechter merkt in de eerste plaats op dat in het oorspronkelijke onderzoekstijdvak, van 1 oktober 2006 tot 30 september 2007, ook vrijwaringsmaatregelen werden toegepast op basis van de verordeningen nr. 1964/2003 en nr. 658/2004. Dat heeft die instellingen echter niet belet dit tijdvak te gebruiken als referentietijdvak. In de tweede plaats kan krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening een tussentijds nieuw onderzoek worden verricht met als referentietijdvak een tijdvak waarin een antidumpingrecht werd geheven, wat ook moet gelden ingeval de antidumpingprocedure wordt heropend.
73
In de punten 54 en 70 van het onderhavige arrest is echter vastgesteld dat de Raad en de Commissie ter uitvoering van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) geldig konden beslissen om de procedure slechts te heropenen in de fase van het onderzoek die betrekking had op de vaststelling van de normale waarde van het betrokken product zonder een geactualiseerd referentietijdvak te hanteren. In die omstandigheden doet de omstandigheid – zo deze zou zijn aangetoond – dat de beslissing van de Raad en de Commissie om het oorspronkelijke referentietijdvak te behouden in de overwegingen 43 en 86 van verordening nr. 158/2013 onregelmatig wordt gemotiveerd, niet af aan deze vaststelling. Verordening nr. 158/2013 kan derhalve niet ongeldig worden verklaard op de hierboven genoemde grond.
Vermeende schending van artikel 266 VWEU
74
De verwijzende rechters wensen te vernemen of verordening nr. 158/2013 ongeldig is op grond dat zij is vastgesteld in strijd met artikel 266 VWEU, voor zover de Raad en de Commissie in de overwegingen 32 en 33 van die verordening, anders dan het Hof in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158), hebben overwogen dat onder GN-onderverdeling 2008 30 90 nog andere producten dan het betrokken product vielen en zich derhalve hebben gebaseerd op andere ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product dan vermeld in dat arrest.
75
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat wanneer een handeling nietig of ongeldig wordt verklaard, volgens artikel 266 VWEU de instellingen die deze handeling hebben vastgesteld enkel gehouden zijn de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van dat arrest.
76
De instellingen beschikken bijgevolg over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de keuze van de middelen die moeten worden geïmplementeerd om uitvoering te geven aan een arrest waarbij een handeling nietig of ongeldig wordt verklaard, voor zover die middelen, zoals in punt 49 van het onderhavige arrest is uiteengezet, verenigbaar zijn met het dictum van het betrokken arrest en de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden.
77
In casu hebben de Raad en de Commissie ter uitvoering van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) bepaalde in dat arrest vermelde statistische gegevens van Eurostat betreffende de ingevoerde hoeveelheden grondig geanalyseerd. Op basis van die analyse hebben deze instellingen, voor zover zij de aard van de producten onder GN-onderverdeling 2008 30 90 anders hebben beoordeeld, vastgesteld dat bepaalde ingevoerde hoeveelheden verschilden van de door het Hof vermelde hoeveelheden.
78
Het Hof heeft het in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158) met het oog op de vaststelling van de ongeldigheid van verordening nr. 1355/2008 echter niet nodig geacht de inhoud van die gegevens grondig te analyseren. Het heeft vastgesteld dat deze gegevens aanwijzingen vormden dat het betrokken product in niet onbelangrijke hoeveelheden werd vervaardigd in derde landen met een markteconomie, zoals Israël, Swaziland, Thailand en Turkije, waaruit kon worden afgeleid dat de Commissie had nagelaten ambtshalve te onderzoeken of een van de landen die werd vermeld in de tijdens het onderzoek beschikbare statistieken van Eurostat, een referentieland in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening kon vormen.
79
De vaststellingen van het Hof inzake de producten die – in de statistieken van Eurostat – onder GN-onderverdeling 2008 30 90 vielen of de ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product zoals opgenomen in diezelfde statistieken waren bindend voor de instellingen voor zover daaruit kan worden afgeleid, zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 34 van het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158), dat de Commissie ambtshalve had moeten onderzoeken of een van de daarin vermelde landen als referentieland in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening kon dienen.
80
Niettegenstaande de uitlegging van die statistieken in de overwegingen 31 tot en met 33 van verordening nr. 158/2013 blijkt met name uit de overwegingen 47 en 48 van die verordening dat de instellingen rekening hebben gehouden met de vaststellingen van het Hof dienaangaande, aangezien zij de nodige verificaties hebben verricht voor alle landen in de statistieken zoals geanalyseerd door het Hof in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158).
81
In die omstandigheden hebben de Raad en de Commissie artikel 266 VWEU niet geschonden door, anders dan het Hof in het arrest GLS (C‑338/10, EU:C:2012:158), ervan uit te gaan dat onder GN-onderverdeling 2008 30 90 ook andere producten vielen dan het betrokken product en zich dus te baseren op andere ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product dan de in dat arrest vermelde hoeveelheden.
82
Bijgevolg kan verordening nr. 158/2013 niet ongeldig worden verklaard op grond dat zij artikel 266 VWEU schendt.
83
Gelet op een en ander is bij het onderzoek van de prejudiciële vragen niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 158/2013 kunnen aantasten.
Kosten
84
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van uitvoeringsverordening (EU) nr. 158/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot hernieuwde instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy