ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
25 februari 2016 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 80/987/EEG — Onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever — Werkingssfeer — Onvervulde loonaanspraken van zeelieden die werken op een onder de vlag van een derde staat varend schip — Werkgever die zijn statutaire zetel in die derde staat heeft — Arbeidsovereenkomst waarop het recht van de derde staat van toepassing is — Faillietverklaring van de werkgever in de lidstaat waar hij zijn werkelijke zetel heeft — Artikel 1, lid 2 — Bijlage, punt II, A — Nationale wettelijke regeling die onvervulde loonaanspraken van zeelieden slechts waarborgt indien er sprake is van in het buitenland achtergelaten zeelieden — Niet dezelfde mate van bescherming als de door richtlijn 80/987 geboden bescherming”
In zaak C‑292/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (raad van state, Griekenland) bij beslissing van 5 mei 2014, ingekomen bij het Hof op 13 juni 2014, in de procedure
Elliniko Dimosio
tegen
Stefanos Stroumpoulis,
Nikolaos Koumpanos,
Panagiotis Renieris,
Charalampos Renieris,
Ioannis Zacharias,
Dimitrios Lazarou,
Apostolos Chatzisotiriou,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal (rapporteur) en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Griekse regering, vertegenwoordigd door X. Basakou, I. Kotsoni en K. Georgiadis als gemachtigden,
—
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door B. Tidore, avvocato dello Stato,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en J. Enegren als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 september 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds de Elliniko Dimosio (Griekse Staat) en anderzijds S. Stroumpoulis, N. Koumpanos, P. Renieris, C. Renieris, I. Zacharias, D. Lazarou en A. Chatzisotiriou over de schade die deze laatsten stellen te hebben geleden doordat richtlijn 80/987 onjuist is omgezet in het nationale recht.
Toepasselijke bepalingen
Zeerechtverdrag
3
Het op 10 december 1982 te Montego Bay ondertekende en op 16 november 1994 in werking getreden Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: „zeerechtverdrag”) is door de Republiek Malta op 20 mei 1993 en door de Helleense Republiek op 21 juli 1995 geratificeerd en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179, blz. 1).
4
Artikel 91, lid 1, van het zeerechtverdrag luidt als volgt:
„Iedere staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Een schip heeft de nationaliteit van de staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip.”
5
Artikel 92 van het zeerechtverdrag draagt het opschrift „Status van schepen” en bepaalt in lid 1:
„Een schip mag slechts onder de vlag van één staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in dit verdrag, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die staat. [...]”
6
Artikel 94 van het zeerechtverdrag draagt het opschrift „Plichten van de vlaggenstaat” en bepaalt:
„1. Iedere staat oefent doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uit over schepen die zijn vlag voeren.
2. Inzonderheid dient iedere staat:
[...]
b)
ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
[...]”
Verdrag van Rome
7
Artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: „verdrag van Rome”), bepaalt:
„Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. [...]”
8
Artikel 6 van het verdrag van Rome luidt als volgt:
„1. Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.
2. Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:
a)
het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land tewerk is gesteld, of
b)
het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een [en het]zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,
tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.”
9
Artikel 10 van dat verdrag draagt het opschrift „De onderwerpen die het toepasselijke recht beheerst” en bepaalt in lid 1:
„Het recht dat ingevolge de artikelen 3 tot en met 6 en 12 van dit verdrag op de overeenkomst toepasselijk is, beheerst met name:
a)
de uitlegging ervan;
b)
de nakoming ervan;
c)
de gevolgen van gehele of gedeeltelijke tekortkoming, daaronder begrepen de vaststelling van de schade voor zover hiervoor rechtsregels gelden, een en ander binnen de grenzen welke het procesrecht van de rechter aan diens bevoegdheden stelt;
d)
de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn;
e)
de gevolgen van de nietigheid van de overeenkomst.”
Richtlijn 80/987
10
Gelet op het tijdstip waarop de feiten in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, is, zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, richtlijn 80/987 van toepassing in de versie die gold totdat de richtlijn werd gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 270, blz. 1). Richtlijn 80/987 is inmiddels ingetrokken en vervangen door richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 36).
11
De eerste tot en met de vierde overweging van richtlijn 80/987 luidden als volgt:
„Overwegende dat er voorzieningen nodig zijn om werknemers bij insolventie van de werkgever te beschermen in het bijzonder om de honorering van hun onvervulde aanspraken te garanderen met inachtneming van de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap;
Overwegende dat er tussen de lidstaten nog verschillen bestaan ten aanzien van de bescherming van de werknemers op dit gebied; dat het van belang is ernaar te streven deze verschillen die rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de werking van de gemeenschappelijke markt te verkleinen;
Overwegende dat bijgevolg de onderlinge aanpassing van de wetgevingen op dit gebied op de weg van de vooruitgang in de zin van artikel 117 van het Verdrag dient te worden bevorderd;
Overwegende dat de arbeidsmarkt van Groenland wegens de geografische ligging van dit gebied en de daar bestaande beroepsstructuren fundamenteel verschilt van die van de andere gebieden in de Gemeenschap”.
12
Artikel 1 van deze richtlijn luidde:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren.
2. De lidstaten kunnen bij wijze van uitzondering de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten op grond van de bijzondere aard van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding van de werknemers of op grond van het bestaan van andere waarborgen die de werknemers eenzelfde mate van bescherming bieden als deze richtlijn.
De lijst van de in de eerste alinea bedoelde categorieën werknemers gaat in de bijlage.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op Groenland. Deze uitzondering zal opnieuw worden bezien wanneer de beroepsstructuren in dit gebied een andere ontwikkeling te zien geven.”
13
De lijst in punt II van de bijlage bij richtlijn 80/987 had betrekking op „[w]erknemers die andere waarborgen genieten”. Voor de Helleense Republiek was „[d]e bemanning van zeeschepen” op die lijst opgenomen.
14
Artikel 2 van richtlijn 80/987 bepaalde:
„1. In de zin van deze richtlijn wordt een werkgever geacht in staat van insolventie te verkeren:
a)
wanneer is verzocht om inleiding van een in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat neergelegde procedure die betrekking heeft op het vermogen van de werkgever ter gezamenlijke voldoening van diens schuldeisers en waarbij de in artikel 1, lid 1, bedoelde aanspraken in aanmerking kunnen worden genomen en
b)
wanneer de autoriteit die uit hoofde van de genoemde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd is,
—
hetzij besloten heeft tot inleiding van de procedure,
—
hetzij geconstateerd heeft dat de onderneming of de vestiging van de werkgever definitief is gesloten, en dat er gebrek aan voldoende activa is om inleiding van de procedure te rechtvaardigen.
2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de termen ‚werknemer’, ‚werkgever’ [en] ‚bezoldiging’ […].”
15
Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalde dat „[d]e lidstaten […] de nodige maatregelen [treffen] opdat waarborgfondsen […] de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode”.
16
Artikel 5 van richtlijn 80/987 bepaalde:
„De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de organisatie, de financiering en de werking van de waarborgfondsen en nemen daarbij met name de volgende beginselen in acht:
[...]
b)
de werkgevers moeten in de financiering bijdragen, tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt;
c)
de verplichting om aanspraken te honoreren rust op het fonds, ongeacht of de verplichtingen om bij te dragen tot de financiering werden nagekomen.”
Grieks recht
17
Wet 1836/1989 en presidentieel decreet 1/1990 (FEK A’ 1), dat krachtens die wet is vastgesteld, strekken tot omzetting van richtlijn 80/987.
18
Artikel 29 van wet 1220/1981 tot aanvulling en wijziging van de wettelijke regeling met betrekking tot het beheersorgaan voor de haven van Piraeus (FEK A’ 296) bepaalt:
„1. Als Griekse zeelieden die zijn gemonsterd op onder Griekse vlag varende schepen of op met het pensioenfonds voor zeelieden [‚Naftiko Apomachiko Tameio’] geassocieerde buitenlandse schepen in het buitenland worden achtergelaten en de eigenaar van het schip zich niet houdt aan de bepalingen ter zake van loon en voeding:
a)
keert het pensioenfonds voor zeelieden middels het ,fonds voor ziekte en werkloosheid’ maximaal drie maanden achterstallige gage uit, berekend volgens het bij collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde minimumloon met toeslagen;
b)
het huis der zeelieden zorgt in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen voor hun repatriëring, waarbij noodzakelijke reiskosten worden vergoed.
[...]
2. De procedure van lid 1 geldt niet voor zeelieden die er de voorkeur aan geven hun overeenkomst voort te zetten; wordt echter geld voor de repatriëring ontvangen of het aangeboden reisticket geaccepteerd, dan eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege ‚wegens achterlating in het buitenland door de eigenaar van het schip’ [...].
[...]
5. Het betalen van de uitkering als bedoeld in lid 1 heeft tot gevolg dat de desbetreffende uit de arbeidsrelatie voortvloeiende aanspraken tenietgaan; een eventueel negatief saldo komt voor rekening van de werkgever of diegenen die mede aansprakelijk zijn.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
Op 14 juli 1994 hebben verweerders in het hoofdgeding, Griekse zeelieden die in Griekenland wonen, in Piraeus (Griekenland) met Panagia Malta Ltd (hierna: „Panagia Malta”), een vennootschap met statutaire zetel in Valletta (Malta), een overeenkomst gesloten waarbij zij in dienst werden genomen om te werken op een cruiseschip dat onder Maltese vlag voer en eigendom was van die vennootschap. De overeenkomst bevatte een clausule die Maltees recht van toepassing verklaarde.
20
Het cruiseschip was sinds september 1992 in de haven van Piraeus blijven liggen vanwege een beslag, maar zou tijdens de zomer van 1994 worden verhuurd. Aangezien verweerders in het hoofdgeding niet werden betaald na hun indiensttreding, gedurende welke periode zij aan boord van het schip waren gebleven in afwachting van de geplande tijdbevrachting, die uiteindelijk geen doorgang vond, hebben zij hun overeenkomst per 15 december 1994 opgezegd.
21
Bij uitspraak 1636/1995 heeft het Monomeles Protodikeio Peiraios (rechtbank met alleenzittende rechter te Piraeus) Panagia Malta veroordeeld tot het betalen aan verweerders in het hoofdgeding van de bedragen, vermeerderd met rente, die overeenkomen met hun loon, uitgaven voor maaltijden aan boord van het schip, vakantiegeld en ontslagvergoeding.
22
Na nieuwe beslagen is het betrokken schip op 7 juni 1995 geveild. In datzelfde jaar werd Panagia Malta failliet verklaard door het Polymeles Protodikeio Peiraios (rechtbank te Piraeus). Verweerders in het hoofdgeding hadden weliswaar hun vorderingen aangemeld, maar konden bij gebrek aan baten geen betaling ontvangen uit het faillissement.
23
Daarop hebben zij zich tot het arbeidsbureau (Organismos Apascholisis Ergatikou Dynamikou) gewend voor de bescherming die werknemers genieten bij insolventie van de werkgever. Volgens het arbeidsbureau konden zij geen aanspraak maken op die bescherming omdat zij zeelieden waren die andere waarborgen genoten en daarmee waren uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 80/987 en ook van de werkingssfeer van presidentieel decreet 1/1990.
24
Op 11 oktober 1999 hebben verweerders in het hoofdgeding bij het Dioikitiko Protodikeio Athinon (bestuursrechter in eerste aanleg te Athene) een procedure aangespannen om de Griekse Staat aansprakelijk te stellen vanwege het feit dat, anders dan richtlijn 80/987 voorschreef, er niet voor was gezorgd dat de bemanning van zeeschepen toegang had tot een waarborgfonds of dat bij gebreke van een dergelijke toegang sprake was van eenzelfde mate van bescherming als de door de richtlijn geboden bescherming.
25
Aangezien de bestuursrechter in eerste aanleg hun eis afwees, zijn verweerders in het hoofdgeding in hoger beroep gegaan. Bij uitspraak 1063/2005 heeft het Dioikitiko Efeteio Athinon (bestuursrechter in tweede aanleg te Athene) de afwijzing ongegrond verklaard op de grond dat richtlijn 80/987 van toepassing was op het onderhavige geval omdat Panagia Malta werkzaamheden verrichtte in Griekenland, het land waar zich haar werkelijke zetel bevond, en het betrokken schip onder een gelegenheidsvlag voer. Verder was de bestuursrechter in tweede aanleg van oordeel dat de Griekse Staat bij de omzetting van richtlijn 80/987 in het nationale recht ten onrechte had nagelaten ervoor te zorgen dat werknemers als verweerders in het hoofdgeding de door die richtlijn geboden bescherming genoten. In dit verband werd er met name op gewezen dat, anders dan artikel 1, lid 2, van de richtlijn voorschrijft, artikel 29 van wet 1220/1981 aan de betrokkenen niet eenzelfde mate van bescherming bood als de richtlijn.
26
De Griekse Staat heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij het Symvoulio tis Epikrateias (raad van state).
27
Volgens de verwijzende rechter zijn er bij het beroep in cassatie vragen met betrekking tot de uitlegging van Unierecht aan de orde. Daarbij wordt in het bijzonder verwezen naar de artikelen 91, 92 en 94 van het zeerechtverdrag en het in die artikelen tot uitdrukking gebrachte internationaal gewoonterecht, alsmede naar het arrest Poulsen en Diva Navigation (C‑286/90, EU:C:1992:453), waarin het Hof met name heeft geoordeeld dat volgens internationaal recht schepen in beginsel slechts één nationaliteit hebben, namelijk die van de staat van registratie, zodat een lidstaat een reeds in een derde staat geregistreerd schip niet kan behandelen als een schip dat zijn vlag voert door zich te beroepen op de omstandigheid dat er een wezenlijke band bestaat tussen het schip en de lidstaat.
28
Tegen deze achtergrond heeft het Symvoulio tis Epikrateias de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Moeten de bepalingen van richtlijn [80/987] aldus worden uitgelegd dat deze toepasselijk zijn op uit een lidstaat afkomstige zeelieden die als bemanning op een schip onder de vlag van een niet tot de Europese Unie behorende staat hebben gewerkt, wat betreft hun onvervulde aanspraken tegen de vennootschap waaraan dat schip in eigendom toebehoort, die haar statutaire zetel op het grondgebied van de derde staat maar haar werkelijke zetel in de genoemde lidstaat had en door een rechter van de lidstaat, op grond van de werkelijke zetel, in staat van faillissement is verklaard volgens het recht van die staat, in het licht van het doel van de richtlijn en ongeacht of op de arbeidsovereenkomsten het recht van de derde staat van toepassing is en de lidstaat niet over mogelijkheden beschikt om betaling van een bijdrage aan het waarborgfonds af te dwingen van de buiten zijn rechtsorde staande eigenaar van het schip?
2)
Moeten de bepalingen van richtlijn [80/987] aldus worden uitgelegd dat als eenzelfde mate van bescherming is aan te merken de regeling van artikel 29 van wet 1220/1981, volgens welke het pensioenfonds voor zeelieden maximaal drie maanden gage, berekend volgens het door de nationale collectieve arbeidsovereenkomsten bepaalde minimumloon met toeslagen, uitkeert aan Griekse zeelieden die zijn gemonsterd op onder Griekse vlag varende schepen of op met dat fonds geassocieerde buitenlandse schepen, in het enige in dat artikel voorziene geval, namelijk dat zij zijn achtergelaten in het buitenland?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
29
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat, onverminderd de toepassing van artikel 1, lid 2, van die richtlijn, zeelieden die in een lidstaat wonen en aldaar door een vennootschap die haar statutaire zetel in een derde staat maar haar werkelijke zetel in die lidstaat heeft, zijn geworven om op een aan die vennootschap toebehorend en onder de vlag van die derde staat varend cruiseschip te werken op grond van een arbeidsovereenkomst die het recht van de derde staat als het toepasselijke recht aanwijst, aanspraak moeten kunnen maken op de bescherming die de richtlijn biedt ten aanzien van hun onvervulde loonaanspraken jegens de vennootschap wanneer een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat de vennootschap failliet heeft verklaard volgens het recht van de lidstaat.
30
Het is vaste rechtspraak dat richtlijn 80/987 een sociaal doel heeft, namelijk alle werknemers bij insolventie van de werkgever een minimumbescherming op het niveau van de Unie bieden door de honorering van de uit arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen voortvloeiende onvervulde aanspraken die betrekking hebben op het loon over een bepaalde periode (zie met name arresten Maso e.a., C‑373/95, EU:C:1997:353, punt 56; Walcher, C‑201/01, EU:C:2003:450, punt 38, en Tümer, C‑311/13, EU:C:2014:2337, punt 42). Het Hof heeft er in dit verband herhaaldelijk op gewezen dat loonaanspraken naar hun aard voor de betrokkenen uiterst belangrijk zijn (zie met name arrest Visciano, C‑69/08, EU:C:2009:468, punt 44en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Richtlijn 80/987 voorziet met name in specifieke garanties voor de honorering van onvervulde loonaanspraken (zie arrest Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428, punt 3).
32
Wat de bepaling van de voor die garanties in aanmerking komende kring van personen betreft, moet worden opgemerkt dat richtlijn 80/987 volgens artikel 1, lid 1, van toepassing is op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn verkeren. Artikel 2, lid 2, van de richtlijn verwijst voor de definitie van de begrippen „werknemer” en „werkgever” naar het nationale recht. Artikel 1, lid 2, ten slotte bepaalt dat de lidstaten bij wijze van uitzondering onder bepaalde voorwaarden bepaalde, in de bijlage bij de richtlijn genoemde categorieën werknemers van de werkingssfeer van de richtlijn kunnen uitsluiten (arrest Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428, punt 13).
33
Het Hof heeft geoordeeld dat blijkens die bepalingen iemand onder de werkingssfeer van richtlijn 80/987 valt indien hij naar nationaal recht de status van werknemer heeft en niet op een van de in artikel 1, lid 2, van de richtlijn genoemde gronden is uitgesloten van de werkingssfeer en indien zijn werkgever in staat van insolventie verkeert in de zin van artikel 2 van de richtlijn (zie in die zin arrest Francovich e.a., C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428, punt 14).
34
Wat de laatste voorwaarde betreft, is blijkens de bewoordingen van artikel 2, lid 1, van richtlijn 80/987 om te kunnen spreken van een dergelijke „staat van insolventie” vereist dat de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat voorzien in een procedure die betrekking heeft op het vermogen van de werkgever ter gezamenlijke voldoening van diens schuldeisers, dat in het kader van deze procedure de uit arbeidsovereenkomsten of ‑verhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers in aanmerking kunnen worden genomen, dat er is verzocht om inleiding van deze procedure en dat de autoriteit die uit hoofde van de genoemde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd is, hetzij tot inleiding van de procedure besloten heeft, hetzij geconstateerd heeft dat de onderneming of de vestiging van de werkgever definitief is gesloten en dat er gebrek aan voldoende activa is om inleiding van de procedure te rechtvaardigen (zie arrest Francovich, C‑479/93, EU:C:1995:372, punt 18).
35
Verder moet er met betrekking tot de status van werknemer aan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 2, lid 2, van richtlijn 80/987 moet worden uitgelegd in het licht van het in punt 30 van dit arrest genoemde sociale doel van de richtlijn, zodat de lidstaten het begrip „werknemer” niet naar eigen inzicht kunnen definiëren op een wijze die dat doel in gevaar brengt, en dat de beoordelingsmarge waarover zij in dit verband beschikken dus begrensd is door het sociale doel, welk doel door de lidstaten in acht moet worden genomen (arrest Tümer, C‑311/13, EU:C:2014:2337, punten 42 en 43).
36
In het hoofdgeding wordt niet betwist dat op grond van een overeenkomst geworven zeelieden als verweerders in het hoofdgeding naar Grieks recht werknemers zijn.
37
Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Panagia Malta door een Griekse rechter failliet is verklaard. In die beslissing wordt er tevens op gewezen dat verweerders in het hoofdgeding weliswaar hun loonaanspraken hebben ingediend in de procedure die heeft geleid tot de faillietverklaring, maar dat deze aanspraken niet konden worden gehonoreerd bij gebrek aan baten.
38
Gelet op het voorgaande staat, onder voorbehoud dat werknemers als verweerders in het hoofdgeding niet zijn uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 80/987 omdat zij andere waarborgen genieten in de zin van artikel 1, lid 2, van de richtlijn, hetgeen aan de orde is in de tweede prejudiciële vraag, vast dat in casu is voldaan aan de twee andere in punt 33 van dit arrest genoemde eisen die in richtlijn 80/987 worden gesteld om in aanmerking te komen voor de door de richtlijn geboden bescherming, zodat dergelijke werknemers die bescherming in beginsel moeten kunnen genieten.
39
Anders dan de Europese Commissie stelt, moet de waarborging van loonaanspraken waarin richtlijn 80/987 voorziet, bovendien plaatsvinden onafhankelijk van de wateren (territoriale wateren, exclusieve economische zone van een lidstaat of een derde staat, of volle zee) waarnaar het schip waarop verweerders in het hoofdgeding werkten uiteindelijk zou zijn gevaren.
40
De Commissie meent ten onrechte uit de arresten Mosbæk (C‑117/96, EU:C:1997:415) en Everson en Barrass (C‑198/98, EU:C:1999:617) te kunnen afleiden dat werknemers in een situatie als die waarin verweerders in het hoofdgeding verkeren, slechts recht hebben op waarborging indien zij op Grieks grondgebied werken.
41
In het eerste van die twee arresten heeft het Hof immers geoordeeld dat bij insolventie van een werkgever die is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar de werknemer woont en werkt, in beginsel het waarborgfonds van de vestigingsplaats van de werkgever, die in de regel aan de financiering van het fonds bijdraagt, verantwoordelijk is voor het voldoen van de loonaanspraken van die werknemer (zie in die zin arrest Mosbæk, C‑117/96, EU:C:1997:415, punten 24 en 25). In het tweede arrest heeft het Hof overwogen dat dit echter niet gold in een situatie waarin de werkgever over meerdere vestigingen in verschillende lidstaten beschikt, in welk geval ter bepaling van het bevoegde waarborgfonds behalve naar de vestigingsplaats, als aanvullend criterium, ook moet worden verwezen naar de plaats waar de werknemers arbeid verrichtten (arrest Everson en Barrass, C‑198/98, EU:C:1999:617, punten 22 en 23).
42
Vastgesteld moet worden dat die twee arresten, die betrekking hebben op situaties waarin de waarborgfondsen van twee lidstaten bij voorbaat verantwoordelijk leken voor het honoreren van onvervulde aanspraken van werknemers, de stelling van de Commissie niet kunnen onderbouwen. Hetgeen het Hof in die arresten heeft geoordeeld, laat immers de vraag onverlet of in een situatie waarbij een werkgever zijn werkelijke zetel in een lidstaat heeft en aldaar wonende werknemers in dienst heeft genomen om op een schip te werken, de onvervulde loonaanspraken die de werknemers mogelijkerwijs hebben jegens de werkgever wanneer deze insolvent is verklaard, al dan niet in aanmerking komen voor de bescherming waarin richtlijn 80/987 voorziet. De aangehaalde rechtspraak leidt meer in het bijzonder geenszins tot de conclusie dat die bescherming moet worden beperkt afhankelijk van de status die de betrokken wateren volgens het internationaal recht hebben.
43
Verder moet er naar aanleiding van de door de verwijzende rechter aan de orde gestelde kwesties op worden gewezen dat de in punt 38 van dit arrest gemaakte beoordeling niet ter discussie kan worden gesteld door de specifieke omstandigheden waarnaar die rechter in zijn vraag verwijst, namelijk het feit dat op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten het recht van een derde staat van toepassing is, de omstandigheid dat het schip waarop verweerders in het hoofdgeding moesten werken onder de vlag van die derde staat voer, het feit dat de werkgever aldaar zijn statutaire zetel had, of de omstandigheid dat de betrokken lidstaat niet van een dergelijke werkgever kon verlangen dat hij bijdroeg aan de financiering van het waarborgfonds als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 80/987.
44
Wat in de eerste plaats de clausule in de overeenkomst betreft die bepaalt dat het recht van een derde staat van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten, dient te worden vastgesteld dat het door een werknemer aan een waarborgfonds gedane verzoek tot betaling van een met zijn onvervulde loonaanspraken overeenkomend bedrag moet worden onderscheiden van het door die werknemer aan een insolvente werkgever gedane verzoek tot honorering van dergelijke aanspraken (zie in die zin arrest Visciano, C‑69/08, EU:C:2009:468, punt 41).
45
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, heeft een regeling als in het hoofdgeding, waarin is bepaald onder welke voorwaarden een lidstaat bij insolventie van een werkgever ervoor zorgt dat onvervulde loonaanspraken worden gehonoreerd, niet ten doel om de contractuele relatie tussen de werknemer en de werkgever te regelen.
46
Hieruit volgt dat, anders dan de Griekse regering stelt, dergelijke voorwaarden en een dergelijk aan een waarborgfonds gedaan verzoek tot honorering niet vallen onder het bereik van het op de overeenkomst toepasselijke recht in de zin van artikel 10 van het verdrag van Rome.
47
Wat in de tweede plaats de omstandigheid betreft dat het schip waarop verweerders in het hoofdgeding moesten werken onder de vlag van een derde staat voer en het feit dat de werkgever aldaar zijn statutaire zetel had, moet er ten eerste op worden gewezen dat, zoals in de punten 32 en 33 van dit arrest is aangegeven, de criteria waaraan volgens richtlijn 80/987 moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor de door de richtlijn geboden bescherming hoofdzakelijk betrekking hebben op het hebben van de status van werknemer en op de omstandigheid dat er, in overeenstemming met de in een lidstaat geldende bepalingen, ten aanzien van de werkgever sprake is geweest van een procedure ter gezamenlijke voldoening van de schuldeisers.
48
Uit de bepalingen van richtlijn 80/987 en met name uit artikel 1, dat de werkingssfeer van de richtlijn bepaalt, volgt evenwel niet dat de statutaire zetel van de werkgever en de vlag waaronder het schip vaart waarop de werknemers werken, noodzakelijkerwijs criteria zijn aan de hand waarvan die werkingssfeer wordt bepaald.
49
Met name het betoog van de Griekse regering dat uit artikel 1, lid 3, van richtlijn 80/987, volgens hetwelk de richtlijn niet van toepassing is op Groenland, kan worden afgeleid dat de richtlijn slechts van toepassing is in geval van arbeidsverhoudingen waarbij werknemers arbeid verrichten in de Unie en niet als het gaat om arbeid die wordt verricht op een onder de vlag van een derde staat varend schip, kan niet slagen.
50
Dat richtlijn 80/987 niet van toepassing was, was immers, zoals blijkt uit de vierde overweging van de richtlijn, het gevolg van het feit dat de arbeidsmarkt van Groenland wegens de geografische ligging van dit gebied en de daar bestaande beroepsstructuren destijds fundamenteel verschilde van die van de andere gebieden in de Gemeenschap. Dat is echter niet van belang voor de vraag of de situatie van in een lidstaat wonende zeelieden die aldaar door een vennootschap die haar werkelijke zetel in die lidstaat heeft, zijn geworven om op een onder de vlag van een derde staat varend schip te werken, al dan niet onder het bereik van de arbeidsmarkt van de lidstaat valt.
51
Ook het door de Italiaanse regering naar voren gebrachte argument dat de verwijzing in de eerste overweging van richtlijn 80/987 naar de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap leidt tot de conclusie dat de loonaanspraken van dergelijke werknemers jegens een dergelijke werkgever moeten worden uitgesloten van de werkingssfeer van de door de richtlijn geboden bescherming, kan niet worden aanvaard. Het is immers voldoende erop te wijzen dat in de omstandigheden van het hoofdgeding die in punt 50 van dit arrest zijn genoemd, het geenszins duidelijk is hoe het bieden van een dergelijke bescherming niet zou bijdragen aan het bereiken van de beoogde evenwichtige economische en sociale ontwikkeling of daarmee strijdig zou zijn.
52
Ten tweede kan de stelling van de Griekse regering dat de omstandigheid dat het betrokken schip onder de vlag van een derde staat voer en het feit dat de werkgever aldaar zijn statutaire zetel had ertoe leiden dat een situatie als in het hoofdgeding meer in het algemeen niet onder de geografische werkingssfeer van het Unierecht valt omdat het Unierecht niet geldt voor derde staten, evenmin slagen.
53
Het is vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Unie verricht, niet volstaat om de toepassing van de regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers uit te sluiten wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie behoudt (zie met name arrest Bakker, C‑106/11, EU:C:2012:328, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Met betrekking tot het hoofdgeding moet worden vastgesteld dat de tussen verweerders in het hoofdgeding en hun werkgever bestaande arbeidsverhouding verschillende aanknopingspunten met het grondgebied van de Unie heeft. Verweerders in het hoofdgeding hebben immers op het grondgebied van een lidstaat, alwaar zij woonden, een arbeidsovereenkomst gesloten met een werkgever die nadien insolvent is verklaard door een rechterlijke instantie van die lidstaat onder verwijzing naar het feit dat de werkgever in die staat werkzaamheden verrichtte en aldaar zijn werkelijke zetel had.
55
Bij een garantie als die waarin de lidstaten krachtens richtlijn 80/987 moeten voorzien en met name gelet op het sociale doel van de richtlijn dat in punt 30 van dit arrest is genoemd, wijzen dergelijke omstandigheden op een voldoende nauwe band tussen de betrokken arbeidsverhoudingen en het grondgebied van de Unie.
56
Ten derde moet, daar de verwijzende rechter in zijn beslissing heeft verwezen naar de artikelen 91, 92 en 94 van het zeerechtverdrag en het arrest Poulsen en Diva Navigation (C‑286/90, EU:C:1992:453) en de Griekse regering betoogt dat uit die bepalingen, gelezen tegen de achtergrond van die rechtspraak, volgt dat sprake zou zijn van schending daarvan als richtlijn 80/987 aldus zou moeten worden uitgelegd dat werknemers die door een vennootschap met statutaire zetel in een derde staat in dienst worden genomen om te werken op een onder de vlag van die derde staat varend schip, de door de richtlijn geboden bescherming genieten, worden gewezen op hetgeen hierna wordt overwogen.
57
Na in punt 13 van het arrest Poulsen en Diva Navigation (C‑286/90, EU:C:1992:453) te hebben opgemerkt dat krachtens het volkenrecht een vaartuig in beginsel slechts één nationaliteit heeft, te weten die van de staat waarin het is geregistreerd, heeft het Hof in punt 16 van dat arrest voor recht verklaard dat een vaartuig dat is geregistreerd in een derde land, voor de toepassing van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 288, blz. 1), dus niet kon worden behandeld als een vaartuig dat de nationaliteit van een lidstaat bezit op grond dat het een wezenlijke band met deze lidstaat heeft.
58
In dat arrest heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat niet de nationaliteit van de bemanningsleden, maar de staat waarin het vaartuig is geregistreerd en eventueel het zeegebied waarin het zich bevindt, bepalend is voor de vraag welke wet van toepassing is op de activiteiten van de bemanningsleden, ook geoordeeld dat artikel 6, lid 1, onder b), van die verordening niet op de kapitein en de andere bemanningsleden kan worden toegepast op de enkele grond dat zij onderdaan van een lidstaat zijn (zie arrest Poulsen en Diva Navigation, C‑286/90, EU:C:1992:453, punten 18 en 20).
59
Ten slotte heeft het Hof, na te hebben verklaard dat artikel 6, lid 1, onder b), niet kan worden toegepast op een in een derde land geregistreerd vaartuig wanneer dat vaartuig zich op volle zee bevindt, omdat een dergelijk vaartuig op volle zee in beginsel uitsluitend aan de wet van de vlaggenstaat is onderworpen, wanneer dat vaartuig zich in de exclusieve economische zone van een lidstaat bevindt, aangezien het in deze zone vrijheid van scheepvaart geniet, en wanneer dat vaartuig door de territoriale wateren van een lidstaat vaart, voor zover het in die wateren het recht van onschuldige doorvaart uitoefent, geoordeeld dat een dergelijke bepaling wel kan worden toegepast wanneer het vaartuig zich in de binnenwateren of, meer in het bijzonder, in een haven van een lidstaat bevindt, waar het in beginsel aan de volledige jurisdictie van die staat is onderworpen (zie arrest Poulsen en Diva Navigation, C‑286/90, EU:C:1992:453, punten 22‑29).
60
Opgemerkt moet echter worden dat artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 3094/86 bepaalde dat bepaalde vissoorten, wanneer zij waren gevangen buiten de wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de lidstaten, niet aan boord mochten worden gehouden, worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar onmiddellijk in zee moesten worden teruggezet.
61
Anders dan verordening nr. 3094/86, beoogt richtlijn 80/987 niet om werkzaamheden te regelen die met een schip worden verricht door de bemanning daarvan, zoals het vangen, opslaan, vervoeren, aanvoeren of verkopen van vis, maar slechts om iedere lidstaat de verplichting op te leggen ervoor te zorgen dat onvervulde loonaanspraken van werknemers, onder wie ook werknemers die op een schip hebben gewerkt, worden gehonoreerd nadat hun werkgever insolvent is verklaard in die lidstaat.
62
In dit verband blijkt niet dat het internationaal publiekrecht zodanige regels bevat dat uitsluitend de staat onder de vlag waarvan het schip vaart een dergelijk waarborgfonds kan instellen en dat die mogelijkheid met name niet bestaat voor een staat op het grondgebied waarvan zich de werkelijke zetel bevindt van de werkgever die insolvent is verklaard door een rechterlijke instantie van die staat.
63
Dat is met name niet het geval bij de artikelen 92, lid 1, en 94, lid 1 en lid 2, onder b), van het zeerechtverdrag, waarnaar de verwijzende rechter verwijst, of bij het oude gewoonterecht dat deze bepalingen in voorkomend geval tot uitdrukking brengen.
64
Artikel 92, lid 1, van het zeerechtverdrag heeft immers betrekking op de uitsluitende rechtsmacht die een staat „op volle zee” heeft over onder zijn vlag varende schepen.
65
Verder blijkt uit artikel 94, lid 1 en lid 2, onder b), van het zeerechtverdrag dat iedere staat doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uitoefent over schepen die zijn vlag voeren en dat iedere staat inzonderheid dient ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
66
Vastgesteld moet worden dat het invoeren van een instrument als bedoeld in richtlijn 80/987, op grond waarvan een waarborgfonds van een lidstaat voorziet in honorering van de onvervulde loonaanspraken die zeelieden die werkzaam zijn geweest op een schip, hebben jegens hun werkgever die door een rechterlijke instantie van die lidstaat insolvent is verklaard, niet belet dat de staat onder de vlag waarvan dat schip vaart doeltreffend zijn rechtsmacht uitoefent over het schip of over de bemanning daarvan met betrekking tot sociale aangelegenheden betreffende het schip, zoals de genoemde bepalingen van het zeerechtverdrag voorschrijven.
67
Wat in de derde plaats de omstandigheid betreft dat in het onderhavige geval de Griekse Staat niet van de werkgever kan verlangen dat hij bijdragen afdraagt aan het waarborgfonds als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 80/987, moet er om te beginnen op worden gewezen dat in de verwijzingsbeslissing niet wordt aangegeven waarom dat niet mogelijk is.
68
Voorts volgt uit artikel 5, onder b), van richtlijn 80/987 dat slechts sprake is van een werkgeversbijdrage aan de financiering van waarborgfondsen indien de overheid niet voor de volledige financiering zorgt, zodat volgens de opzet van de richtlijn de band die er kan zijn tussen de bijdrageverplichting van de werkgever en de beschikbaarstelling van middelen uit het waarborgfonds, er niet hoeft te zijn.
69
Ten slotte dient erop te worden gewezen dat in het onderhavige geval, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, een Griekse rechter Panagia Malta naar Grieks recht failliet kon verklaren omdat Panagia Malta haar werkelijke zetel in die lidstaat had. Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de enkele omstandigheid dat de Griekse Staat mogelijkerwijs heeft nagelaten om in zijn wettelijke regeling te bepalen dat een dergelijke vennootschap bijdragen dient af te dragen, of om ervoor te zorgen dat die vennootschap de krachtens die wettelijke regeling op haar rustende verplichting nakomt, niet tot gevolg hebben dat de betrokken werknemers geen aanspraak kunnen maken op de door richtlijn 80/987 geboden bescherming.
70
Met betrekking tot het laatste punt moet eraan worden herinnerd dat artikel 5, onder c), van de richtlijn expliciet bepaalt dat de verplichting om aanspraken te honoreren op het fonds rust, ongeacht of de verplichtingen om bij te dragen tot de financiering werden nagekomen.
71
Gelet op al het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat, onverminderd de toepassing van artikel 1, lid 2, van die richtlijn, zeelieden die in een lidstaat wonen en aldaar door een vennootschap die haar statutaire zetel in een derde staat maar haar werkelijke zetel in die lidstaat heeft, zijn geworven om op een aan die vennootschap toebehorend en onder de vlag van de derde staat varend cruiseschip te werken op grond van een arbeidsovereenkomst die het recht van de derde staat als het toepasselijke recht aanwijst, aanspraak moeten kunnen maken op de bescherming die de richtlijn biedt ten aanzien van hun onvervulde loonaanspraken jegens de vennootschap wanneer een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat de vennootschap failliet heeft verklaard volgens het recht van de lidstaat.
Tweede vraag
72
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat, ten aanzien van werknemers die in een situatie als verweerders in het hoofdgeding verkeren, een bescherming als die waarin artikel 29 van wet 1220/1981 voorziet voor in het buitenland achtergelaten zeelieden, „eenzelfde mate van bescherming [biedt] als [de] richtlijn” in de zin van die bepaling.
73
Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987 „[d]e lidstaten […] bij wijze van uitzondering de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn [kunnen] uitsluiten op grond van de bijzondere aard van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding van de werknemers of op grond van het bestaan van andere waarborgen die de werknemers eenzelfde mate van bescherming bieden als deze richtlijn”, waarbij de lijst van de betrokken categorieën werknemers in de bijlage bij de richtlijn gaat.
74
In punt II van die lijst, „[w]erknemers die andere waarborgen genieten”, is voor de Helleense Republiek de bemanning van zeeschepen opgenomen.
75
Voorts kan, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, blijkens zowel de doelstelling van richtlijn 80/987, die alle werknemers een minimum aan bescherming wil garanderen, als het uitzonderingskarakter van de uitsluitingsmogelijkheid van artikel 1, lid 2, van de richtlijn slechts als „eenzelfde mate van bescherming” in de zin van die bepaling worden beschouwd een bescherming die wellicht op een ander stelsel berust dan in richtlijn 80/987 is geregeld, maar niettemin de werknemers de daarin omschreven essentiële garanties biedt (arrest Commissie/Griekenland, C‑53/88, EU:C:1990:380, punt 19).
76
Met betrekking tot artikel 29 van wet 1220/1981 moet worden vastgesteld dat er, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag opmerkt, slechts sprake is van de door die bepaling geboden bescherming wanneer zeelieden in het buitenland worden achtergelaten en niet, zoals richtlijn 80/987 voorschrijft, omdat de werkgever insolvent is geworden.
77
Dienaangaande moet er tevens op worden gewezen dat een werkgever in staat van insolventie kan verkeren in de zin van richtlijn 80/987 zonder dat de door hem in dienst genomen zeelieden in het buitenland worden achtergelaten in de omstandigheden die worden genoemd in de nationale bepalingen.
78
In een dergelijke situatie, die geheel overeenstemt met die van de werknemers in het hoofdgeding, voorzien die bepalingen er dus niet in dat de onvervulde aanspraken van de werknemers worden gehonoreerd, ofschoon een dergelijke waarborging, zoals met name uit de eerste overweging van de richtlijn kan worden opgemaakt, het wezenlijke oogmerk van de richtlijn vormt (zie in die zin arrest Commissie/Griekenland, C‑53/88, EU:C:1990:380, punt 20).
79
De aan de orde zijnde nationale bepaling biedt werknemers die in een situatie als verweerders in het hoofdgeding verkeren, dan ook niet eenzelfde mate van bescherming als de door richtlijn 80/987 geboden bescherming.
80
Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987 aldus moet worden uitgelegd dat, ten aanzien van werknemers die in een situatie als verweerders in het hoofdgeding verkeren, een bescherming als die waarin artikel 29 van wet 1220/1981 voorziet voor in het buitenland achtergelaten zeelieden, niet „eenzelfde mate van bescherming [biedt] als [de] richtlijn” in de zin van die bepaling.
Kosten
81
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1)
Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever moet aldus worden uitgelegd dat, onverminderd de toepassing van artikel 1, lid 2, van die richtlijn, zeelieden die in een lidstaat wonen en aldaar door een vennootschap die haar statutaire zetel in een derde staat maar haar werkelijke zetel in die lidstaat heeft, zijn geworven om op een aan die vennootschap toebehorend en onder de vlag van die derde staat varend cruiseschip te werken op grond van een arbeidsovereenkomst die het recht van de derde staat als het toepasselijke recht aanwijst, aanspraak moeten kunnen maken op de bescherming die de richtlijn biedt ten aanzien van hun onvervulde loonaanspraken jegens de vennootschap wanneer een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat de vennootschap failliet heeft verklaard volgens het recht van de lidstaat.
2)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 80/987 moet aldus worden uitgelegd dat, ten aanzien van werknemers die in een situatie als verweerders in het hoofdgeding verkeren, een bescherming als die waarin artikel 29 van wet 1220/1981 tot aanvulling en wijziging van de wettelijke regeling met betrekking tot het beheersorgaan voor de haven van Piraeus voorziet voor in het buitenland achtergelaten zeelieden, niet „eenzelfde mate van bescherming [biedt] als [de] richtlijn” in de zin van die bepaling.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy