ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
17 maart 2016 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen — Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) — Omvang van het geharmoniseerde gebied — Registratie van de stoffen bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen vóór het in de handel brengen — Artikel 5 — Nationale register voor chemische stoffen — Aangifteplicht met het oog op registratie — Verenigbaarheid met de REACH-verordening — Artikelen 34 VWEU en 36 VWEU — Kwantitatieve invoerbeperking”
In zaak C‑472/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta domstol (hooggerechtshof, Zweden) bij beslissing van 8 oktober 2014, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2014, in de procedure
Canadian Oil Company Sweden AB,
Anders Rantén,
tegen
Riksåklagaren,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, J. L. da Cruz Vilaça, A. Arabadjiev, C. Lycourgos en J.‑C. Bonichot (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2015,
gelet op de opmerkingen van:
—
Canadian Oil Company Sweden AB, vertegenwoordigd door B. Hansson en M. Lönnqvist, advokater,
—
A. Rantén, vertegenwoordigd door M. Wärnsby en M. Edqvist, advokater,
—
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, U. Persson, N. Otte Widgren, E. Karlsson en L. Swedenborg als gemachtigden,
—
de Deense regering, vertegenwoordigd door C. Thorning en N. Lyshøj als gemachtigden,
—
de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
—
de Noorse regering, vertegenwoordigd door I. Thue en I. S. Jansen als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Kukovec en E. Manhaeve als gemachtigden, bijgestaan door M. Johansson, advokat,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 december 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3), in de versie van verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009 (PB L 164, blz. 7; hierna: „REACH-verordening”), en de uitlegging van de artikelen 34 VWEU en 36 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Rantén en Canadian Oil Company Sweden AB (hierna: „Canadian Oil”), enerzijds, en de Riksåklagar (openbaar aanklager), anderzijds, over de aan Rantén en Canadian Oil opgelegde straffen wegens de invoer in Zweden van 320 ton chemische stoffen zonder dat van die invoer aangifte is gedaan bij het Agentschap voor chemische stoffen (Kemikalieinspektion) met het oog op inschrijving in het nationale register voor stoffen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 19 van de REACH-verordening bepaalt:
„[...] [D]e registratiebepalingen [verplichten] de fabrikanten en importeurs ertoe gegevens te verzamelen over de stoffen die zij vervaardigen of invoeren, deze gegevens te gebruiken om de risico’s van deze stoffen te beoordelen en geschikte risicobeheersmaatregelen op te stellen en aan te bevelen. Om te zorgen dat zij deze verplichting ook nakomen, en omwille van de transparantie, moeten zij voor de registratie bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen [ECHA] een dossier met al deze informatie indienen. Geregistreerde stoffen moeten op de interne markt kunnen circuleren.”
4
Artikel 1, lid 1, van de REACH-verordening bepaalt:
„Het doel van deze verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten.”
5
Titel II van deze verordening betreft de registratie van stoffen. Hoofdstuk 1 van die titel heeft als opschrift „Algemene registratieplicht en informatievereisten”.
6
In dat hoofdstuk 1 bepaalt artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Zonder gegevens geen handel”, het volgende:
„Onverminderd de artikelen 6, 7, 21 en 23 mogen stoffen als zodanig en stoffen in preparaten of in voorwerpen niet in de [Europese Unie] worden vervaardigd of in de handel worden gebracht, tenzij deze, in de gevallen waarin dit vereist is overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze titel, zijn geregistreerd.”
7
In datzelfde hoofdstuk 1 bepaalt artikel 6 van de REACH-verordening, met als opschrift „Algemene registratieplicht voor stoffen als zodanig of in mengsels”, in lid 1:
„Behalve wanneer in deze verordening anders is bepaald, dient elke fabrikant of importeur die een stof, als zodanig of in een of meer preparaten, in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigt of invoert, een registratie bij het [ECHA] in.”
8
Artikel 125 van de voornoemde verordening bepaalt dat de lidstaten een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten onderhouden.
9
Artikel 128 van de voornoemde verordening luidt als volgt:
„1. Onverminderd lid 2 mogen de lidstaten de vervaardiging, de invoer, het in de handel brengen of het gebruik van een stof, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en aan deze verordening voldoet, en in voorkomend geval aan communautaire uitvoeringsbesluiten daarvan, niet verbieden, beperken of belemmeren.
2. Deze verordening belet niet dat de lidstaten voor de bescherming van werknemers, de gezondheid van de mens en het milieu, nationale regels handhaven of vaststellen die van toepassing zijn in gevallen waarin deze verordening de voorschriften voor de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik niet harmoniseert.”
Zweeds recht
Milieuwet
10
In hoofdstuk 29 bepaalt § 5, lid 5, van de milieuwet (miljöbalk) dat wie opzettelijk of uit nalatigheid beroepshalve chemische stoffen produceert of invoert op het grondgebied, zonder zich te houden aan de aangifteplicht met het oog op de registratie die door de regering is opgelegd op grond van hoofdstuk 14, § 12, van die wet, schuldig is aan de belemmering van milieutoezicht.
11
In hoofdstuk 14 bepaalt § 12 van de milieuwet:
„Elke chemische stof die beroepshalve in Zweden wordt vervaardigd of ingevoerd, moet worden geregistreerd in een register voor stoffen, overeenkomstig de voorschriften die worden uitgevaardigd door de regering of de instantie die de regering aanwijst. Het register moet worden bijgehouden door de instantie die de regering aanwijst.”
Verordening (2008:245) betreffende chemische stoffen en biotechnische organismen
12
§ 3 van verordening (2008:245) betreffende chemische stoffen en biotechnische organismen [förordning (2008:245) om kemiska produkter och biotekniska organismer] bepaalt dat van alle chemische stoffen of biotechnische organismen die beroepshalve in Zweden worden geproduceerd of ingevoerd, bij het Agentschap voor chemische stoffen aangifte moet worden gedaan met het oog op registratie in het register voor stoffen dat het agentschap moet bijhouden, als de stof of het organisme behoort tot een van de categorieën stoffen die worden vermeld in de bijlage bij deze verordening.
13
Ingevolge § 4 van de voornoemde verordening rust de aangifteplicht op degene die een chemische stof of biotechnisch organisme beroepshalve in Zweden produceert of invoert.
14
§ 5 van deze verordening voorziet in een uitzondering op de aangifteplicht voor degene die jaarlijks minder dan 100 kilogram van een stof invoert.
Voorschriften (KIFS 2008:2) betreffende chemische stoffen en biotechnische organismen
15
Hoofdstuk 3 van de voorschriften (KIFS 2008:2) van het Agentschap voor chemische stoffen betreffende chemische stoffen en biotechnische organismen [Kemikalieinspektionens föreskrifter (KIFS 2008:2) om kemiska produkter och biotekniska organismer] preciseert de procedure van aangifte bij het register voor stoffen. De naam of de firmanaam van de aangifteplichtige, zijn adres en telefoonnummer, en zijn persoonsnummer of ondernemingsnummer, waarvan in de aangifte opgave moet worden gedaan, moeten zo spoedig mogelijk worden meegedeeld en uiterlijk bij de aanvang van de activiteiten. De andere vereiste informatie moet worden verstrekt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar dat volgt op het tijdstip waarop de aangifteplicht is ontstaan.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
Canadian Oil heeft in 2009 392 ton chemische stoffen in Zweden ingevoerd.
17
In strijd met het Zweedse recht is hiervan niet uiterlijk op 28 februari 2010 aangifte gedaan bij het Agentschap voor chemische stoffen.
18
Zowel Canadian Oil als Rantén, in zijn hoedanigheid van algemeen directeur van deze vennootschap, is vervolgd op basis van de milieuwet.
19
Bij arrest van 24 april 2013 heeft het Hovrätt över Skåne och Blekinge (hof van beroep te Malmö) Rantén veroordeeld tot een geldboete van 100 Zweedse kroon (SEK) (ongeveer 11 EUR) per dag maal 60 dagen en Canadian Oil tot een geldboete van 200000 SEK (ongeveer 22113 EUR).
20
In beroep voor de Högsta domstol (hooggerechtshof), hebben zij in wezen aangevoerd dat de verplichting om aangifte te doen bij het Agentschap voor chemische stoffen met het oog op inschrijving in het register voor stoffen, het vrije verkeer beperkt van de stoffen die binnen het toepassingsgebied van de REACH-verordening vallen. Het register voor stoffen heeft in de grond dezelfde doelen als deze verordening en is daarom in strijd met artikel 128 van deze verordening, waarvan de regelingen in de betrokken gebieden, met name inzake de aangifte en registratie van chemische stoffen, als volledig geharmoniseerd moeten worden beschouwd. Die aangifteplicht vormt hoe dan ook een verboden invoerbeperking in de zin van artikel 34 VWEU en geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 36 VWEU is van toepassing in het hoofdgeding.
21
De verwijzende rechter is van oordeel dat uit deze verordening niet duidelijk blijkt dat het door deze verordening geharmoniseerde toepassingsgebied ook de registratie van chemische stoffen omvat, met als doel, zoals bij het Zweedse nationale register, het gebruik van die stoffen te kennen, het toezicht op en de inspectie van de bedrijven die ze gebruiken door de overheid te vergemakkelijken, of statistieken op te stellen. Hij vraagt zich ook af of de aangifteplicht een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is in de zin van artikel 34 VWEU, en of in dat geval een van de uitzonderingen van artikel 36 VWEU op evenredige wijze van toepassing is.
22
Daarom heeft de Högsta domstol (hooggerechtshof) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Is het in strijd met de REACH-verordening dat degene die in het kader van zijn bedrijfsvoering in Zweden een chemische stof invoert, waarvoor een aangifteplicht bestaat op grond van die verordening, daarvan ook aangifte moet doen bij het Agentschap voor chemische stoffen (Kemikalieinspektion) met het oog op registratie in het Zweedse register voor stoffen?
2)
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, is de in de Zweedse regeling voorziene aangifteplicht dan in strijd met artikel 34 VWEU, met inachtneming van de uitzonderingen als toegestaan door artikel 36 VWEU?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23
Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de REACH-verordening aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling die een importeur van chemische stoffen verplicht die stoffen bij een bevoegde nationale instantie te registreren, terwijl die importeur krachtens die verordening reeds verplicht is die stoffen bij het ECHA te registreren.
24
Van belang is eraan te herinneren dat het doel van deze verordening volgens artikel 1, lid 1, een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu is, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten.
25
Daartoe stelt deze verordening een geïntegreerd systeem in voor de controle op chemische stoffen, met inbegrip van de registratie, de beoordeling, de autorisatie en de eventuele beperkingen van het gebruik ervan. De Europese Commissie heeft de voornaamste beginselen die deze onderdelen beheersen, uiteengezet in de inleiding tot haar voorstel voor een verordening COM(2003) 644 definitief van 29 oktober 2003. Daarin wordt „het REACH-systeem” omschreven als allereerst de registratie waarvoor „het bedrijfsleven [...] informatie [verzamelt] over de stoffen en [...] die [gebruikt] om de stoffen veilig te beheren”, vervolgens de „beoordeling [waardoor] erop [kan] worden vertrouwd dat het bedrijfsleven zijn plichten vervult”, en de vergunningverlening voor de zeer zorgwekkende stoffen waarvan „de gebruiksrisico’s [...] afdoende beheerst zijn of [waarvan] de sociaaleconomische voordelen zwaarder wegen dan de risico’s en er geen geschikte substituten of alternatieve technieken zijn”. Tot slot dienen de „beperkingen [...] als vangnet om risico’s te beheren die niet afdoende elders in het REACH-systeem worden behandeld” (arrest FCD en FMB, C‑106/14, EU:C:2015:576, punt 32).
26
Wat het vrije verkeer op de interne markt betreft, dit wordt gewaarborgd door het bij artikel 128, lid 1, van de REACH-verordening aan de lidstaten opgelegde verbod om de vervaardiging, de invoer, het in de handel brengen of het gebruik van een stof, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, die binnen het toepassingsgebied van de verordening valt en aan de verordening voldoet, en in voorkomend geval de communautaire uitvoeringsbesluiten daarvan, te verbieden, te beperken of te belemmeren. Artikel 128, lid 2, ervan bepaalt evenwel dat geen enkele bepaling van de REACH-verordening belet dat de lidstaten voor de bescherming van werknemers, de gezondheid van de mens en het milieu, nationale regels handhaven of vaststellen die gelden voor gevallen waarin deze verordening de voorwaarden inzake de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik niet harmoniseert (arrest Lapin luonnonsuojelupiiri, C‑358/11, EU:C:2013:142, punt 32).
27
Uit deze bepalingen blijkt dus dat de Uniewetgever die voorwaarden slechts in bepaalde gevallen heeft willen harmoniseren (zie in die zin arrest Lapin luonnonsuojelupiiri, C‑358/11, EU:C:2013:142, punt 33).
28
Hieruit volgt dat, om de eerste vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden, moet worden nagegaan of de bepalingen van de REACH-verordening inzake de aangifte‑ en registratieplicht voor chemische stoffen, dergelijke voorwaarden aldus harmoniseren dat ze in de weg staan aan een nationale regeling die een importeur van chemische stoffen verplicht die stoffen bij de bevoegde nationale instantie te registreren.
29
Zoals uit overweging 19 van deze verordening blijkt, heeft de Uniewetgever de fabrikanten en importeurs willen verplichten bij het ECHA gegevens te verzamelen over de stoffen die zij vervaardigen of invoeren, deze gegevens te gebruiken om de risico’s van deze stoffen te beoordelen en geschikte risicobeheersmaatregelen op te stellen en aan te bevelen.
30
In overeenstemming met deze doelen legt de REACH-verordening de taak chemische stoffen te analyseren, neer bij de industrie. Hiertoe voorziet de verordening in verschillende informatiemechanismen die in de gehele toeleveringsketen tot de identificatie van hun gevaarlijke eigenschappen en aan de risicobeheersing moeten bijdragen, teneinde de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens of het milieu te voorkomen (arrest FCD en FMB, C‑106/14, EU:C:2015:576, punt 33).
31
Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verschaft de registratie van chemische stoffen bij het ECHA evenwel geen overzicht van het vervaardigen en het op de markt brengen van die stoffen in iedere lidstaat afzonderlijk. Het register van de Unie verschaft meer bepaald niet systematisch precieze informatie over de plaats waar deze stoffen zich op het grondgebied van de lidstaten bevinden.
32
Weliswaar is de registratie van chemische stoffen bij het ECHA een voorafgaande voorwaarde voor het vrije verkeer ervan op de interne markt, mits die stoffen ook, met name inzake hun eigenschappen, in overeenstemming met de REACH-verordening zijn, maar de harmonisering die deze verordening aldus tot stand brengt op het vlak van een dergelijke registratie van deze stoffen, strekt zich niet uit tot een andere vorm van registratie bij de nationale instantie, zoals in het hoofdgeding aan de orde is, die geen dergelijke voorafgaande voorwaarde vormt, die op andere informatie ziet dan de door deze verordening vereiste informatie en die beantwoordt aan dezelfde doelstellingen als de door deze verordening nagestreefde doelstellingen of aan daaraan complementaire doelstellingen, te weten, met name, het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu en van het vrije verkeer van dergelijke stoffen op de interne markt.
33
In dat verband moet in de eerste plaats erop worden gewezen dat de door de betrokken nationale regeling vereiste registratie geen voorafgaande voorwaarde is voor de invoer van chemische stoffen op het grondgebied van de betrokken lidstaat, aangezien aangifte bij de nationale instantie van de overeenstemmende inlichtingen mogelijk is na de invoer, voor bepaalde inlichtingen uiterlijk bij de aanvang van de activiteiten, en voor de andere inlichtingen uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar dat volgt op deze invoer.
34
In de tweede plaats blijkt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de registratie die door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is vereist, in wezen tot doel heeft, de nationale instanties te laten beschikken over een gegevensbank die nodig is voor het toezicht op de chemische stoffen op het grondgebied van de betrokken lidstaat, die op grond van artikel 125 van de REACH-verordening een dergelijk systeem van controles moet onderhouden, met name door de omstandigheden te faciliteren van de inspectie van de houders van die stoffen. Deze gegevensbank maakt het niet alleen mogelijk te beschikken over boekhoudkundige of statistische gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de retributies voor de financiering van dat systeem van controles, maar zij dient ook voor het bepalen van de milieubeleidslijnen, ook om op het niveau van de Unie alle nuttige verbeteringen voor te stellen.
35
De informatie waartoe de nationale instanties toegang kunnen krijgen bij het ECHA en die voortvloeit uit de registratie bij het ECHA van die stoffen krachtens de REACH-verordening, omvat evenwel niet alle gegevens die nodig zijn om de in het voorgaande punt van dit arrest vermelde doelstellingen te bereiken.
36
Die registratie betreft immers enkel de fabrikanten of importeurs van chemische stoffen, als zodanig of in preparaten of voorwerpen, en geldt slechts wanneer de hoeveelheden 1 ton per jaar overstijgen. Voor preparaten maakt die registratie meer bepaald het niet mogelijk te weten welk percentage van elke chemische stof een preparaat bevat. Voor chemische stoffen als zodanig, vervaardigd of in de handel gebracht in de Unie, maakt registratie ervan bij het ECHA het niet mogelijk op de markt af te leiden uit welke lidstaat die stoffen worden aangeleverd.
37
De informatie die krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling vereist is met het oog op registratie van de invoer van chemische stoffen bij de bevoegde instantie, betreft daarentegen voornamelijk de hoeveelheden stoffen en preparaten die zich op het grondgebied van de betrokken lidstaat bevinden, hun locatie op dat grondgebied, hun specifieke gebruiksgebieden en de betrokken ondernemers.
38
In die omstandigheden kan de harmonisering die de bepalingen van de REACH-verordening inzake de aangifte‑ en registratieplicht voor chemische stoffen tot stand brengen, hoe ruim zij ook is met het oog op het instellen van een geïntegreerd systeem van controles van die stoffen op het grondgebied van de Unie teneinde een veilig beheer ervan te verzekeren, geen beletsel zijn voor een andere registratie die de in punt 34 van dit arrest omschreven kenmerken vertoont en met name bijdraagt tot de invoering van een systeem van controles van dat beheer in de betrokken lidstaat en tot de beoordeling van dat beheer, meer bepaald met het oog op het voorstellen, op het niveau van de Unie, van alle nuttige verbeteringen.
39
Bijgevolg blijkt niet dat de in het voorgaande punt vermelde harmonisering in de weg staat aan een nationale regeling die een importeur van chemische stoffen verplicht die stoffen bij de bevoegde nationale instantie te registreren, vooropgesteld dat de vereiste inlichtingen voornamelijk tot die doelstellingen bijdragen. Dat lijkt het geval te zijn voor de in punt 37 van dit arrest bedoelde inlichtingen, maar het komt de nationale rechter toe dit na te gaan.
40
In dat verband is de enkele omstandigheid dat bepaalde elementaire inlichtingen die meer bepaald de identificatie van de importeur en van de stoffen betreffen en waarvan de mededeling geen enkel probleem oplevert, reeds zijn vereist bij de registratie bij het ECHA, niet voldoende opdat de aldus door een bevoegde nationale instantie vereiste inlichtingen, in hun geheel gezien, niet meer als complementair kunnen worden beschouwd.
41
Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de REACH-verordening aldus dient te worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling die een importeur van chemische stoffen verplicht die stoffen bij een bevoegde nationale instantie te registreren, terwijl die importeur krachtens die verordening reeds verplicht is die stoffen bij het ECHA te registreren, op voorwaarde dat die registratie bij de bevoegde nationale instantie geen voorafgaande vereiste vormt voor het in de handel brengen van deze stoffen, op informatie ziet die verschillend is van de door deze verordening vereiste informatie en bijdraagt tot het bereiken van de door deze verordening nagestreefde doelstellingen, inzonderheid het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu en het vrije verkeer van dergelijke stoffen op de interne markt, met name door de invoering van een systeem van controles van het veilige beheer van dergelijke stoffen in de betrokken lidstaat en door de beoordeling van dat beheer, hetgeen aan de nationale rechter toekomt na te gaan.
Tweede vraag
42
Gelet op het antwoord op de eerste vraag dient de tweede vraag te worden onderzocht. Met die vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de bepalingen van artikel 34 VWEU, gelezen in samenhang met die van artikel 36 VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de aangifte‑ en registratieplicht voor chemische stoffen, zoals voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling.
43
Uit vaste rechtspraak vloeit voort dat iedere maatregel van een lidstaat die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, moet worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 34 VWEU (zie met name arresten Dassonville, 8/74, EU:C:1974:82, punt 5, en Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 31).
44
Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het verplichte karakter van de registratie van de invoer van chemische stoffen bij de bevoegde nationale instantie, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 34 VWEU, want het opleggen van invoerformaliteiten belemmert de handel binnen de Unie en de toegang tot de markt van goederen die rechtmatig in andere lidstaten zijn vervaardigd en in de handel gebracht (zie in die zin arrest Ahokainen en Leppik, C‑434/04, EU:C:2006:609, punt 21), wat trouwens wordt betwist noch door de verwijzende rechter, noch door een van de belanghebbende partijen die overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkingen in de onderhavige zaak hebben ingediend.
45
Volgens vaste rechtspraak kan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking slechts worden gerechtvaardigd uit hoofde van, met name, de bescherming van de gezondheid en van het leven van personen als bedoeld in artikel 36 VWEU, indien die maatregel geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, punt 33). Bovendien kunnen nationale maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer kunnen belemmeren, hun rechtvaardiging vinden in dwingende vereisten van milieubescherming (zie met name arrest Ålands Vindkraft, C‑573/12, EU:C:2014:2037, punt 77).
46
In de onderhavige zaak zij eraan herinnerd dat de bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling opgelegde registratie erop is gericht gegevens te verkrijgen die enerzijds in wezen complementair zijn aan de gegevens die binnen het toepassingsgebied van de REACH-verordening vallen en anderzijds in de betrokken lidstaat met name bijdragen tot de met deze verordening beoogde invoering van een systeem van controles van het veilige beheer van de chemische stoffen en tot de beoordeling van dat beheer, meer bepaald met het oog op het voorstellen, op het niveau van de Unie, van alle nuttige verbeteringen. Een dergelijke doelstelling, gekoppeld aan de door deze verordening nagestreefde doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van personen en het milieu te waarborgen, kan mogelijke beperkingen van het vrije verkeer van goederen rechtvaardigen.
47
Bovendien blijkt niet dat de in punt 37 van dit arrest vermelde informatie die de betrokken nationale regeling complementair aan de door diezelfde verordening vereiste informatie van de importeurs vereist tot nakoming van de verplichting tot registratie van ingevoerde chemische stoffen, niet geschikt is voor het beoogde doel en verder gaat dan wat strikt nodig is om dat doel te bereiken. De registratie die bij deze nationale regeling is opgelegd ter verkrijging van precieze informatie die de bevoegde nationale instanties in staat stelt een overzicht te hebben van de op het grondgebied van de betrokken lidstaat aanwezige chemische stoffen, hetgeen registratie bij het ECHA niet mogelijk maakt, draagt immers bij tot de verwezenlijking van de in het vorige punt van dit arrest vermelde doelstelling en heeft tegelijk een beperkte impact op het vrije verkeer van deze stoffen op de interne markt aangezien de in het hoofgeding aan de orde zijnde registratie geen voorwaarde vormt voor het in Zweden in de handel brengen van dergelijke, uit andere lidstaten afkomstige, stoffen.
48
Gelet op bovenstaande overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van artikel 34 VWEU, gelezen in samenhang met die van artikel 36 VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de aangifte‑ en registratieplicht voor chemische stoffen, zoals voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1)
Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, in de versie van verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009, dient aldus te worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling die een importeur van chemische stoffen verplicht die stoffen bij een bevoegde nationale instantie te registreren, terwijl die importeur krachtens die verordening reeds verplicht is die stoffen bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen te registreren, op voorwaarde dat die registratie bij de bevoegde nationale instantie geen voorafgaande vereiste vormt voor het in de handel brengen van deze stoffen, op informatie ziet die verschillend is van de door deze verordening vereiste informatie en bijdraagt tot het bereiken van de door deze verordening nagestreefde doelstellingen, inzonderheid het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu en het vrije verkeer van dergelijke stoffen op de interne markt, met name door de invoering van een systeem van controles van het veilige beheer van dergelijke stoffen in de betrokken lidstaat en door de beoordeling van dat beheer, hetgeen aan de nationale rechter toekomt na te gaan.
2)
De bepalingen van artikel 34 VWEU, gelezen in samenhang met die van artikel 36 VWEU, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de aangifte‑ en registratieplicht voor chemische stoffen, zoals voorzien in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy