ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
22 juni 2016 ( *1 )
„Niet-nakoming — Richtlijn 91/271/EEG — Behandeling van stedelijk afvalwater — Arrest van het Hof houdende vaststelling van niet-nakoming — Niet-uitvoering — Artikel 260, lid 2, VWEU — Financiële sancties — Forfaitair bedrag en dwangsom”
In zaak C‑557/14,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 260, lid 2, VWEU, ingesteld op 4 december 2014,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braga da Cruz en E. Manhaeve als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, J. Reis Silva en J. Brito e Silva als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, D. Šváby, J. Malenovský en M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 januari 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 februari 2016,
het navolgende
Arrest
1
In haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof:
—
vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen;
—
de Portugese Republiek te veroordelen de Commissie een dwangsom te betalen ten bedrage van 20196 EUR per dag vertraging in de uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), te rekenen vanaf de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden uitgesproken tot de datum waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), zal zijn uitgevoerd;
—
de Portugese Republiek te veroordelen de Commissie een forfaitair bedrag te betalen ten bedrage van 2244 EUR per dag, te rekenen vanaf de datum waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), is uitgesproken tot de datum van uitspraak van het onderhavige arrest of tot de datum waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), volledig zal zijn uitgevoerd, indien de uitvoering van dit laatste arrest eerder zou vallen, en
—
de Portugese Republiek in de kosten te verwijzen.
Toepasselijke bepalingen
2
Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB 1991, L 135, blz. 40) betreft volgens artikel 1 ervan het opvangen, de behandeling en de lozing van stedelijk afvalwater alsmede de behandeling en de lozing van afvalwater van bepaalde bedrijfstakken. Zij heeft tot doel het milieu te beschermen tegen de nadelige gevolgen van lozingen van stedelijk afvalwater.
3
Artikel 2 van die richtlijn definieert „stedelijk afvalwater” als „huishoudelijk afvalwater of het mengsel van huishoudelijk afvalwater en industrieel afvalwater en/of afvloeiend hemelwater”. Ditzelfde artikel definieert voorts „agglomeratie” als „een gebied waar de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om stedelijk afvalwater op te vangen en naar een stedelijke waterzuiveringsinstallatie of een definitieve lozingsplaats af te voeren” en „i.e. (inwonerequivalent)” als „de biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag”.
4
Artikel 4 van de richtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt vóór lozing als volgt aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces wordt onderworpen:
—
lozingen van agglomeraties met meer dan 15000 i.e. uiterlijk op 31 december 2000;
[...]
[...]
3. Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties als bedoeld in de leden 1 en 2 dienen te voldoen aan de toepasselijke eisen van bijlage I.B. [...]
4. De belasting, uitgedrukt in i.e. wordt berekend op basis van de maximale gemiddelde wekelijkse belasting van de zuiveringsinstallatie in de loop van het jaar, afgezien van ongebruikelijke situaties, bijvoorbeeld als gevolg van zware regenval.”
5
Artikel 6, leden 2 en 4, van voormelde richtlijn bevat de volgende bepalingen:
„2. Lozingen van stedelijk afvalwater van agglomeraties van 10000 tot 150000 i.e. in kustwateren, en van 2000 tot 10000 i.e. in estuaria die gelegen zijn in gebieden als bedoeld in lid 1, mogen aan een behandeling worden onderworpen die minder ver gaat dan in artikel 4 is voorgeschreven, op voorwaarde dat:
—
die lozingen ten minste worden onderworpen aan een primaire behandeling als omschreven in artikel 2, punt 7, overeenkomstig de in bijlage I.D vastgestelde controleprocedures;
—
uit grondige studies blijkt dat die lozingen geen nadelige invloed op het milieu hebben.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle relevante informatie betreffende bovengenoemde studies.
[...]
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de lijst van minder kwetsbare gebieden met tussenpozen van niet meer dan vier jaar wordt bijgewerkt.”
6
Artikel 8, lid 5, van richtlijn 91/271 luidt:
„In uitzonderlijke gevallen kan de in artikel 6 voor afvalwater van agglomeraties met 10000 tot 150000 i.e. voorgeschreven behandeling worden toegepast voor afvalwaterlozingen van agglomeraties met meer dan 150000 i.e. in minder kwetsbare gebieden, indien kan worden aangetoond dat een verdergaande behandeling geen voordelen voor het milieu oplevert.
In dat geval dienen de lidstaten tevoren een desbetreffend dossier bij de Commissie in. De Commissie bestudeert de zaak en neemt passende maatregelen volgens de procedure van artikel 18.”
7
Bijlage I bij die richtlijn, „Aan stedelijk afvalwater gestelde eisen”, bepaalt:
„[...]
B.
Lozing van stedelijke waterzuiveringsinstallaties in ontvangende wateren [...]
1.
Waterzuiveringsinstallaties moeten zodanig worden ontworpen of aangepast dat representatieve monsters kunnen worden verkregen van het inkomende afvalwater en van het behandelde effluent voordat dit in de ontvangende wateren wordt geloosd.
2.
Lozingen van stedelijke waterzuiveringsinstallaties die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 moeten worden behandeld, moeten voldoen aan de eisen van tabel 1.
[...]
[...]”
8
Punt D van bijlage I bij richtlijn 91/271, „Referentiemethoden voor controle en beoordeling van de resultaten”, luidt als volgt:
„1.
De lidstaten zorgen ervoor dat er een controlemethode wordt toegepast die ten minste in overeenstemming is met het niveau van de hierna aangegeven eisen.
Andere dan de in de punten 2, 3 en 4 vermelde methoden mogen worden gebruikt, mits kan worden aangetoond dat gelijkwaardige resultaten worden verkregen.
[...]
2.
Met het debiet evenredige of op tijdsduur gebaseerde 24-uur-monsters moeten genomen worden op dezelfde, welbepaalde plaats in de afvoer en zo nodig in de inlaat van de zuiveringsinstallatie om te controleren of het geloosde afvalwater voldoet aan de eisen van deze richtlijn.
[...]
3.
Het minimumaantal monsters per jaar wordt vastgesteld naargelang van de grootte van de zuiveringsinstallatie en wordt gedurende het jaar met geregelde tussenpozen genomen:
[...]
—
10000 tot 49999 i.e.: 12 monsters;
[...]
4.
Het gezuiverde afvalwater wordt geacht te voldoen aan de eisen betreffende de relevante parameters indien voor iedere relevante parameter afzonderlijk uit monsters van het water blijkt dat het als volgt voldoet aan de relevante parameterwaarde:
a)
voor de in tabel 1 en artikel 2, punt 7, vermelde parameters is in tabel 3 een maximaal toegestaan aantal monsters aangegeven dat niet voldoet aan de in concentratie en/of verminderingspercentage uitgedrukte eisen van tabel 1 en artikel 2, punt 7;
[...]
[...]”
Arrest Commissie/Portugal
9
Op 9 juli 2004 heeft de Commissie de Portugese Republiek een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij vaststelde dat meerdere agglomeraties op het grondgebied van die lidstaat met meer dan 15000 i.e. niet beschikten over opvangsystemen voor stedelijk afvalwater die voldeden aan de vereisten van artikel 3 van richtlijn 91/271, en evenmin over systemen voor de behandeling van dat water zoals voorgeschreven in artikel 4 van die richtlijn.
10
De Commissie was van oordeel dat de door die lidstaat verstrekte uitleg voor 17 van die agglomeraties ontoereikend was en heeft op 13 juli 2005 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij de lidstaat verzocht, er binnen twee maanden te rekenen vanaf de ontvangst ervan aan te voldoen.
11
De Portugese Republiek heeft bij brief 14 oktober 2005 op dat met redenen omkleed advies geantwoord.
12
Naar aanleiding van dat antwoord was de Commissie van oordeel dat sommige agglomeraties van de niet-nakomingsprocedure moesten worden uitgesloten, terwijl voor bepaalde andere agglomeraties, die waren vermeld in de bijlage bij de aanmaningsbrief van 9 juli 2004, maar niet in het redenen omkleed advies van 13 juli 2005, nog sprake was van schending van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 91/271, waarop zij op 4 juli 2006 een aanvullend met redenen omkleed advies heeft uitgebracht dat betrekking had op 32 agglomeraties. De Commissie verzocht de Portugese Republiek de maatregelen te treffen die noodzakelijk waren om aan dit met redenen omkleed advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst ervan.
13
Na te hebben vastgesteld dat de situatie voor meerdere agglomeraties ondanks de door die lidstaat in een brief van 14 september 2006 verstrekte uitleg niet beantwoordde aan de bepalingen van die richtlijn, besloot de Commissie, een niet-nakomingsprocedure in te leiden bij het Hof, die het voorwerp is van zaak C‑530/07.
14
In de loop van de procedure voor het Hof heeft de Commissie afstand gedaan van haar beroep voor zover het betrekking had op niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van richtlijn 91/271 voor vijf van die agglomeraties, en uit hoofde van artikel 4 van die richtlijn voor elf van die agglomeraties. Daarmee strekte het voorwerp van het beroep zich nog uit tot de resterende agglomeraties.
15
In zijn arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), heeft het Hof geoordeeld dat de Portugese Republiek, door na te laten de agglomeraties Bacia do Rio Uima (Fiães S. Jorge), Costa de Aveiro, Covilhã, Espinho/Feira, Ponta Delgada, Póvoa de Varzim/Vila do Conde en Santa Cita te voorzien van een opvangsysteem zoals voorgeschreven door artikel 3 van richtlijn 91/271, en door na te laten het stedelijk afvalwater van de agglomeraties Alverca, Bacia do Rio Uima (Fiães S. Jorge), Carvoeiro, Costa de Aveiro, Costa Oeste, Covilhã, Lissabon, Matosinhos, Milfontes, Nazaré/Famalicão, Ponta Delgada, Póvoa de Varzim/Vila do Conde, Santa Cita, Vila Franca de Xira en Vila Real de Santo António aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces te onderwerpen, zoals voorgeschreven door artikel 4 van deze richtlijn, de krachtens de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.
Precontentieuze procedure
16
In het kader van het toezicht op de uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), heeft de Commissie bij brief van 18 juni 2009 de Portugese Republiek verzocht om informatie over de ter uitvoering van dat arrest getroffen maatregelen.
17
Bij brief van 24 juli 2009 heeft die lidstaat de Commissie in kennis gesteld van de getroffen maatregelen.
18
Op 11 december 2009 heeft de Commissie genoemde lidstaat verzocht om nadere verduidelijkingen, waarop deze in meerdere brieven en aanvullingen op informatie heeft geantwoord dat voor de agglomeratie Vila Real de Santo António de nieuwe zuiveringsinstallatie in gebruik was sinds 2009, maar dat 30 % van het opgevangen vervuilende debiet nog niet was aangesloten op de installatie en de afronding van de werkzaamheden was gepland voor eind 2012. Wat de agglomeratie Matosinhos betreft, was de voltooiing van de bouw van de nieuwe zuiveringsinstallatie aanvankelijk gepland voor eind 2011, maar de voltooiing van de werkzaamheden is uiteindelijk uitgesteld tot april 2013.
19
In meerdere brieven alsook ter gelegenheid van een bijeenkomst met de diensten van de Commissie heeft de Portugese Republiek deze laatste in kennis gesteld van de evolutie van de situatie betreffende genoemde twee agglomeraties.
20
Uit de brief van die lidstaat van 26 november 2013, betreffende de agglomeratie Vila Real de Santo António, blijkt dat de voltooiing van de werkzaamheden die noodzakelijk waren opdat het volledige vervuilende debiet van de agglomeratie op de nieuwe zuiveringsinstallatie zou zijn aangesloten was gepland voor het eerste kwartaal 2014. Voor de agglomeratie Matosinhos blijkt uit die brief dat de werkzaamheden voor de bouw van de nieuwe installatie wegens geldgebrek nog niet waren begonnen, maar dat een nieuwe financieringsaanvraag in de loop van 2014 zou worden ingediend.
21
De Commissie kwam tot het oordeel dat aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), voor 2 van de 22 agglomeraties waarop dat arrest betrekking had, te weten de agglomeraties Vila Real de Santo António en Matosinhos, geen uitvoering was gegeven, en heeft het onderhavige beroep ingesteld.
Niet-nakoming
Argumenten van partijen
22
Aangaande de agglomeratie Vila Real de Santo António merkt de Commissie op dat de Portugese Republiek, ondanks de inspanningen van die lidstaat sedert de uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), op de referentiedatum voor de beoordeling van de niet-nakoming in de onderhavige zaak, te weten 21 april 2014, de datum waarop de termijn verstreek die de Commissie in haar aanmaningsbrief aan de Portugese Republiek had gesteld, had verzuimd het stedelijk afvalwater van die agglomeratie aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces te onderwerpen overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 91/271. Volgens de brief van de Portugese Republiek van 23 april 2014 waren de werkzaamheden die noodzakelijk waren om die agglomeratie volledig aan te sluiten op de zuiveringsinstallatie op laatstgenoemde datum nog steeds aan de gang.
23
Met betrekking tot de agglomeratie Matosinhos merkt de Commissie op dat met de huidige zuiveringsinstallatie enkel een primaire behandeling van het afvalwater mogelijk is, zodat het water vervolgens in zee wordt geloosd via een afvoer onderzee. Zij merkt in dit verband op dat, zoals blijkt uit de brief van de Portugese Republiek van 23 april 2014, met de werkzaamheden voor de bouw van een installatie voor secundaire behandeling wegens beweerde financieringsproblemen nog niet is begonnen en dat de voltooiing van die werkzaamheden is uitgesteld tot 2017.
24
Voor het overige merkt de Commissie op dat de door de Portugese Republiek in haar verweerschrift aangevoerde argumenten, te weten dat de kwaliteit van de ontvangende wateren niet ongunstig wordt beïnvloed door de primaire behandeling van stedelijk afvalwater en dat een dergelijke behandeling toereikend is om de waterkwaliteit te waarborgen en risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van de mens te vermijden, ongegrond zijn aangezien die argumenten in werkelijkheid ertoe strekken, het oordeel van het Hof in het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), opnieuw aan de orde te stellen.
25
De Portugese Republiek merkt algemeen op dat aan dat arrest in ruime mate uitvoering is gegeven.
26
Wat de agglomeratie Vila Real de Santo António betreft, merkt de Portugese Republiek op dat drie projecten voor de aansluiting van rioolsystemen aan de orde zijn. Het eerste betreft het rioolsysteem ten westen van de gemeente Vila Nova de Cacela en het transportnet naar de zuiveringsinstallatie, waarvan de aansluiting is voltooid in november 2014. Het tweede project betreft de aansluiting van de rioolnetten van de oevers van die agglomeratie op het opvangsysteem en het transport van het afvalwater naar de zuiveringsinstallatie, die in februari 2015 is voltooid. Het derde project betreft de aansluiting van de rioolnetten van de centrale zone van de stad van genoemde agglomeratie op het systeem voor opvang van afvalwater en het transport naar de zuiveringsinstallatie.
27
In haar verweerschrift had de Portugese Republiek betoogd dat dit derde project zich in een zeer vergevorderd stadium bevond. Deze lidstaat heeft in dupliek te kennen gegeven dat de aansluitingen op de zuiveringsinstallaties, die functioneerden sinds 2009, zijn voltooid op 11 april 2015 en dat de diensten van de Commissie op de hoogte zijn gesteld.
28
Voor de agglomeratie Matosinhos geeft de Portugese Republiek te kennen dat primaire behandeling toereikend is om de kwaliteit van het water te waarborgen en risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van de mens te vermijden, en dat het ontbreken van secundaire behandeling de kwaliteit van de ontvangende wateren niet ongunstig beïnvloedt. Het in deze agglomeratie behandelde afvalwater wordt niet in meren of in rivieren geloosd, maar in woelig zeewater met een sterk zoutgehalte en krachtige zeestromingen.
29
Die lidstaat merkt in dat verband op dat de situatie in de agglomeratie Matosinhos onder artikel 8, lid 5, van richtlijn 91/271 valt. Volgens dat artikel kunnen afvalwaterlozingen in uitzonderlijke gevallen, in kustagglomeraties die als minder kwetsbaar worden beschouwd, aan een minder vergaande behandeling worden onderworpen.
30
De Portugese Republiek merkt op dat door de primaire behandeling het chemische en biochemische zuurstofverbruik van het afvalwater gemiddeld met 42 % en 43 % is verlaagd, dat wil zeggen met meer dan het dubbele van het in die richtlijn voorziene gemiddelde van 20 %.
31
Die lidstaat merkt in dat verband op dat de thans in gebruik zijnde zuiveringsinstallatie gekoppeld is aan een afvoer onderzee die het water dat een primaire behandeling heeft ondergaan naar de Atlantische Oceaan brengt op een afstand van ongeveer 2 kilometer van de kust, waardoor de kwaliteit van het zwemwater niet wordt aangetast. Er zijn nog slechts enkele aanpassingen nodig – die enkel betrekking hebben op de aanleg van infrastructuur – om een constante kwaliteit van dat water te waarborgen.
32
De Portugese Republiek merkt ook op dat de analyses van het zwemwater die regelmatig op het grondgebied van die agglomeratie worden uitgevoerd, bevestigen dat dat water van „uitstekende” kwaliteit is. In die omstandigheden is er geen reden om aan te nemen dat er gevaar voor de gezondheid van de bewoners of voor de toeristensector bestaat.
33
Die lidstaat betoogt voorts dat ofschoon maatregelen zijn getroffen om te voldoen aan het bepaalde in artikel 4 van richtlijn 91/271, financieringsproblemen de aanleg van de zuiveringsinstallatie hebben belemmerd. Er zijn overigens aanbestedingen uitgeschreven in 2008 en in 2011, maar door overmacht is het project voor de bouw van die installatie niet uitgevoerd.
34
De Portugese Republiek merkt nog op dat thans hoe dan ook wordt voldaan aan de voorwaarden voor de bouw van de zuiveringsinstallatie waardoor secundaire behandeling van het afvalwater mogelijk is en dat de daartoe noodzakelijke financiering beschikbaar is gesteld, hetgeen de Commissie is meegedeeld. In dat verband heeft de Portugese regering die instelling een planning meegedeeld van de bouwwerkzaamheden, die moeten beginnen in het eerste halfjaar van 2016, terwijl de volledige inwerkingtreding van de installatie voor het tweede halfjaar van 2019 is gepland.
Beoordeling door het Hof
35
Om te bepalen of de Portugese Republiek alle ter uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), noodzakelijke maatregelen heeft getroffen, moet worden nagegaan of zij volledig heeft voldaan aan artikel 4 van richtlijn 91/271, meer in het bijzonder door de betrokken agglomeraties te voorzien van een systeem voor de behandeling van stedelijk afvalwater die aan de voorschriften van dat artikel voldoet.
36
In een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 260, lid 2, VWEU moet als referentiedatum om te bepalen of sprake is van niet-nakoming de datum worden genomen waarop de termijn verstrijkt die in de krachtens die bepaling uitgereikte aanmaningsbrief is gesteld (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Aangezien in het onderhavige geval, zoals in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de Commissie de Portugese Republiek een aanmaningsbrief heeft gestuurd overeenkomstig de procedure van artikel 260, lid 2, VWEU, is de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest bedoelde referentiedatum de datum waarop de in die brief gestelde termijn verstreek, te weten 21 april 2014.
38
Vast staat dat op die datum de agglomeraties Vila Real de Santo António en Matosinhos nog niet overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn met een systeem voor de behandeling van stedelijk afvalwater waren uitgerust.
39
Zo was de agglomeratie Vila Real de Santo António volgens de verklaringen van de Portugese Republiek op 21 april 2014 nog niet uitgerust met een systeem voor de behandeling van stedelijk afvalwater. Voor de agglomeratie Matosinhos heeft de Portugese Republiek de Commissie per brief van 23 april 2014 meegedeeld dat met de werkzaamheden voor de bouw van de zuiveringsinstallatie voor secundaire behandeling van afvalwater nog niet was begonnen.
40
De door de Portugese Republiek met betrekking tot deze laatste agglomeratie aangevoerde argumenten dat de kwaliteit van de ontvangende wateren niet wordt aangetast doordat stedelijk afvalwater enkel een primaire behandeling ondergaat en dat een dergelijke behandeling toereikend is om de kwaliteit van die wateren te waarborgen en risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van de mens te vermijden, strekken er in werkelijkheid toe de beslissing van het Hof in het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), opnieuw aan de orde te stellen en kunnen dus niet slagen.
41
Voor zover de Portugese Republiek aanvoert dat zij moeilijkheden heeft ondervonden om uitvoering te geven aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), zij eraan herinnerd dat een lidstaat geen bepalingen, praktijken of situaties van zijn interne rechtsorde kan inroepen ter rechtvaardiging dat hij uit het recht van de Unie voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, en dat het betoog van de Portugese Republiek dus niet kan slagen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Portugese Republiek, door niet alle maatregelen te hebben getroffen ter uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), niet heeft voldaan de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen.
Geldboeten
Dwangsom
Argumenten van partijen
43
Aangaande de agglomeratie Vila Real de Santo António heeft de Commissie ter terechtzitting voor het Hof aangevoerd dat, in tegenspraak met de beweringen van de Portugese Republiek dat die lidstaat alle maatregelen heeft getroffen om volledig uitvoering te geven aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), slechts gewaarborgd kan zijn dat de zuiveringsinstallatie in die agglomeratie functioneert volgens de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271 wanneer over een tijdvak van een jaar analyses volgens de voorschriften van afvalwater, op basis van vóór lozing van dat water genomen monsters worden verricht en die analyses vervolgens aantonen dat de secundaire behandeling van dat water strookt met de vereisten van die richtlijn. Volgens de Commissie moeten de lozingen voldoen aan de vereisten van punt B van bijlage I bij die richtlijn. De Commissie betoogt voorts dat de referentiemethodes om de controle en de evaluatie van de resultaten te waarborgen, zoals bedoeld in punt D van dezelfde bijlage, waarin is bepaald hoeveel monsters jaarlijks minimaal moeten worden genomen opdat zij representatief zijn gelet op de grootte van de zuiveringsinstallatie, in acht moeten worden genomen.
44
In het onderhavige geval zijn dergelijke maatregelen niet getroffen.
45
De Commissie geeft het Hof overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU op basis van haar mededeling van 13 december 2005, met het opschrift „Uitvoering van artikel [260 VWEU]” [SEC(2005) 1658], zoals bijgewerkt bij haar mededeling van 17 september 2014, „Aanpassing van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van forfaitaire sommen en dwangsommen die de Commissie het Hof voorstelt in inbreukprocedures” [C(2014) 6767 final] (hierna: „mededeling van 2005”), in overweging, de onderhavige niet-uitvoering onder meer te bestraffen met een veroordeling tot betaling van een dwangsom.
46
Volgens punt 6 van de mededeling van de Commissie van 2005 hanteert deze instelling drie criteria om het bedrag van de dwangsom te bepalen, te weten de ernst van de inbreuk, de duur van de inbreuk en de noodzaak om voor de afschrikkende werking van de sanctie zelf zorg te dragen.
47
Aangaande de ernst van de vastgestelde inbreuk wijst de Commissie om te beginnen op het belang van de regels van de Unie waarop de inbreuk betrekking heeft en in de tweede plaats op de gevolgen van de inbreuk voor de algemene en de particuliere belangen, zoals de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de ontvangende wateren en van de ermee verbonden aquatische ecosystemen, of de met die ecosystemen verband houdende vrijetijdsbestedingen. In de derde plaats wijst de Commissie erop dat er weliswaar verzachtende omstandigheden zijn gezien de door de Portugese Republiek geboekte vooruitgang, maar dat verzwarende omstandigheden zijn gelegen in het feit dat zowel aan artikel 4 van richtlijn 91/271, bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, als aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), geen uitvoering is gegeven, de duidelijkheid van de niet-uitgevoerde bepalingen, de niet-eerbiediging van de achtereenvolgende planningen die de Portugese autoriteiten in de tot de Commissie gerichte brieven hadden opgegeven, en, tot slot, het feit dat deze lidstaat zich herhaaldelijk schuldig maakt aan niet-eerbiediging van het recht van de Unie in een sector waarin dat bijzonder grote gevolgen heeft voor de gezondheid van de mens en voor het milieu.
48
Gelet op een en ander moet volgens de Commissie een coëfficiënt voor de ernst van 3 op de in de mededeling van 2005 vastgelegde schaal van 1 tot 20 worden toegepast.
49
Wat de duur van de inbreuk betreft, zet de Commissie uiteen dat het besluit om de onderhavige procedure in te leiden is genomen op 16 oktober 2014, dat wil zeggen 65 maanden na de uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), op 7 mei 2009, zodat toepassing van de maximumcoëfficiënt 3 gerechtvaardigd is.
50
Voor de op de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat betrekking hebbende coëfficiënt, genaamd factor „n”, brengt deze instelling in herinnering dat de mededeling van de Commissie van 2005 deze vaststelt op 3,40 voor de Portugese Republiek.
51
De Commissie wijst erop dat volgens de in die mededeling vermelde formule de dwangsom per dag gelijk is aan het forfaitaire basisbedrag van 660 EUR, vermenigvuldigd met de coëfficiënt voor de ernst, de coëfficiënt voor de duur en de factor „n”. Voor het onderhavige geval stelt de Commissie dan ook een dagelijkse dwangsom van 20196,00 EUR (660 EUR x 3 x 3 x 3,40) voor.
52
Deze instelling stelt voor, een afnemende dwangsom per dag toe te passen waarvan het effectieve bedrag om de zes maanden wordt berekend door het totale bedrag voor elke periode te verlagen met een percentage dat overeenstemt met het i.e. van de agglomeraties die hun installaties in overeenstemming hebben gebracht met de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271 in verhouding tot het i.e. van de agglomeraties die op de dag van de uitspraak van het onderhavige arrest niet over een dergelijk systeem beschikken.
53
Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikte vóór de instelling van het onderhavige beroep, bedroeg het opgetelde i.e. van de agglomeraties zonder zuiveringsinstallaties die voldeden aan de vereisten van artikel 4 van die richtlijn 321950. Dat totaal viel voor de twee betrokken agglomeraties uiteen in 34950 voor Vila Real de Santo António en 287000 voor Matosinhos.
54
De Portugese Republiek zet uiteen dat zowel gelet op de ernst en de duur van de inbreuk en de samenwerking en de voortvarendheid die zij in de loop van de procedure aan de dag heeft gelegd, als gezien de vooruitgang die is geboekt in de uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), een geldboete van die omvang niet gerechtvaardigd is. Die lidstaat betwist dan ook de methode voor de berekening van de voorgestelde bedragen. Volgens de Portugese Republiek is de door de Commissie gevorderde dwangsom excessief en onevenredig in verhouding tot de ernst van de inbreuk, waarvan de gevolgen voor het milieu slechts hypothetisch zijn. Die lidstaat bestrijdt de beweringen van de Commissie over de ernst van de inbreuk. Zoals in punt 27 van het onderhavige arrest uiteen is gezet, betoogt de Portugese Republiek met betrekking tot de agglomeratie Vila Real de Santo António dat de aansluitingen op de zuiveringsinstallaties, die functioneerden sinds 2009, zijn voltooid op 11 april 2015 en dat de diensten van de Commissie op de hoogte zijn gesteld. Bijgevolg bestaat de beweerde niet-nakoming alleen nog voor de agglomeratie Vila Real de Santo António en is het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), in zoverre volledig uitgevoerd.
55
Met betrekking tot de agglomeratie Matosinhos betoogt de Portugese Republiek dat aangezien de gestelde niet-nakoming enkel de uitvoering van de werkzaamheden voor de uitbreiding van de zuiveringsinstallatie met het oog op de secundaire behandeling betreft, voor het betrokken tijdvak, verhoogd met een jaar, de vooruitgang van die werkzaamheden in aanmerking moet worden genomen om te verifiëren hoe die installatie functioneert gelet op de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271. De voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde duur bedraagt dan ook vier jaar, een tijdvak van drie jaar vermeerderd met een jaar voor het geval onvoorzienbare gebeurtenissen intreden. Het totale tijdvak van vier jaar kan worden verdeeld in acht fasen, die alle zijn onderworpen aan controle om de vooruitgang van de werkzaamheden van de installatie te verifiëren.
56
Aangezien, in de eerste plaats, voor de agglomeratie Vila Real de Santo António de doelstellingen in verband met de aansluiting op de installatie voor secundaire behandeling thans volledig zijn bereikt, in de tweede plaats wat de agglomeratie Matosinhos betreft de maatregelen voor het behoud van een optimale kwaliteit van de kustwateren zijn getroffen en voortdurend in ontwikkeling zijn, en in de derde plaats van de 22 agglomeraties waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), betrekking heeft, voor 21 agglomeraties aan de vereisten wordt voldaan, dient volgens de Portugese Republiek de toegepaste coëfficiënt niet hoger te zijn dan 1 op de schaal van 1 tot 20 als bedoeld in de mededeling van de 2005.
57
De Portugese Republiek beklemtoont voorts dat zij zich heeft ingespannen om volledig te voldoen aan de uit het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), voortvloeiende verplichtingen en wijst erop dat de Portugese autoriteiten permanent samenwerken met de diensten van de Commissie.
58
Bovendien moet rekening worden gehouden met de mate waarin aan dat arrest reeds uitvoering is gegeven. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de tijd die sedert de uitspraak van het arrest verstreken is, is het criterium inzake de duur van de inbreuk irrelevant voor wat betreft 90 % van de agglomeraties waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), betrekking had. Deze situatie zou dan ook, gelet op het aandeel van de werkzaamheden die nog moeten worden verricht om aan dat arrest uitvoering te geven, bij de weging door het Hof in aanmerking moeten worden genomen in dier voege dat die weging uitkomt op niet meer dan 10 % van de coëfficiënt 3 waarvan de Commissie de toepassing vordert, zodat de gewogen waarde van dat criterium niet meer dan 1 bedraagt.
59
Gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak is genoemde dwangsom ook onevenredig gelet op de financiële draagkracht van de Portugese Republiek. Bovendien is de haar betreffende factor „n” voor discussie vatbaar, gelet op de tijdelijke conjuncturele situatie in die lidstaat als gevolg van de financiële crisis in de eurozone, daar voor de uitvoering van openbare werken grote openbare investeringen noodzakelijk zijn. De Portugese Republiek laat de eventuele revaluatie van die coëfficiënt dan ook over aan het oordeel van het Hof, waarbij in de beschouwing zou moeten worden betrokken dat aangezien het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), reeds voor meer dan 90 % is uitgevoerd, die coëfficiënt voorlopig zou moeten worden verlaagd.
60
Zo het Hof gevolg mocht geven aan het verzoek van die lidstaat, de coëfficiënten voor de ernst en de duur van de inbreuk en de factor „n” voor de financiële draagkracht te wegen, zou de dwangsom per dag dan ook moeten worden berekend als volgt: 660 EUR x 1 x 1 x 3,40 = 2244 gedeeld door 287000 i.e., dat wil zeggen 0,007 EUR/dag per eenheid i.e.
Beoordeling door het Hof
61
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de oplegging van een dwangsom in beginsel slechts gerechtvaardigd indien de niet-nakoming bestaande in de niet-uitvoering van een eerder arrest voortduurt tot aan het onderzoek van de feiten door het Hof (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
Wat de agglomeratie Vila Real de Santo António betreft heeft de Portugese Republiek, zoals in de punten 27 en 54 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, ter terechtzitting voor het Hof uiteengezet dat de noodzakelijke werkzaamheden voor het zuiveringsstation op 11 april 2015 zijn voltooid en dat meerdere monsters die de doeltreffendheid van de secundaire behandeling van stedelijk afvalwater aantonen voor het tijdvak tussen april en november 2015, waar het door een sterke verontreiniging van het water gekenmerkte toeristenseizoen in valt, naar de Commissie zijn gestuurd. In dit verband heeft deze laatste de verklaring van die lidstaat niet tegengesproken, in het bijzonder niet dat de aldus overgelegde monsters stroken met de vereisten van artikel 4 van richtlijn 91/271.
63
In die omstandigheden heeft de Portugese Republiek naar het oordeel van het Hof voor de agglomeratie Vila Real de Santo António het bewijs geleverd dat zij vanaf de maand april 2015 regelmatig monsters heeft genomen en dat dus de lozingen die afkomstig zijn van de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater voldoen aan de vereisten van artikel 4, lid 3, van die richtlijn, zodat er voor die agglomeratie geen termen aanwezig zijn om die lidstaat te veroordelen tot een dwangsom om te waarborgen dat uitvoering wordt gegeven aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292).
64
Wat de agglomeratie Matosinhos betreft, volgt uit de verklaringen van de Portugese Republiek dat het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), op de datum van de terechtzitting voor het Hof niet volledig was uitgevoerd.
65
Het Hof is bijgevolg van oordeel dat veroordeling van de Portugese Republiek tot betaling van een dwangsom een passend financieel middel is om haar aan te sporen de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de vastgestelde niet-nakoming te beëindigen en het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), volledig uit te voeren.
66
Niettemin mag niet bij voorbaat worden uitgesloten dat op de dag van de uitspraak van het onderhavige arrest het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), volledig is uitgevoerd. De dwangsom moet dan ook slechts worden opgelegd voor het geval de niet-nakoming op de dag van die uitspraak nog mocht voortduren (zie naar analogie arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de bepaling van de dwangsom worden uitgegaan van de mate van overtuiging die noodzakelijk is opdat de lidstaat die nalatig is in de uitvoering van een arrest wegens niet-nakoming zijn gedrag wijzigt en een einde maakt aan de verweten inbreuk (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
In de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid is het aan het Hof, de hoogte van de dwangsom zodanig vast te stellen dat deze enerzijds in de gegeven omstandigheden passend is en anderzijds evenredig is aan de vastgestelde niet-nakoming en aan de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
De voorstellen van de Commissie in verband met de dwangsom binden het Hof niet en vormen louter een nuttige referentiebasis. Evenzo zijn richtsnoeren als die in de mededelingen van de Commissie niet bindend voor het Hof, maar dragen zij ertoe bij dat de transparantie, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van de Commissie zelf worden gewaarborgd wanneer die instelling voorstellen doet aan het Hof. In het kader van een op artikel 260, lid 2, VWEU gebaseerde procedure betreffende een niet-nakoming door een lidstaat die voortduurt ondanks het feit dat diezelfde niet-nakoming reeds is vastgesteld in een eerder arrest krachtens artikel 226 EG of artikel 258 VWEU, moet het Hof de vrijheid behouden, de opgelegde dwangsom te bepalen op het bedrag en in de vorm die het passend acht om die lidstaat aan te sporen, aan de niet-nakoming van de uit dat eerdere arrest van het Hof voortvloeiende verplichtingen een einde te maken (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Voor de vaststelling van het bedrag van de dwangsom zijn de basiscriteria die moeten worden gehanteerd om te verzekeren dat die dwangsom een dwingend effect heeft met het oog op de eenvormige en effectieve toepassing van het Unierecht, in beginsel de ernst en de duur van de inbreuk alsook de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de consequenties van de niet-uitvoering voor de particuliere en de openbare belangen en met de spoed waarmee de betrokken lidstaat ertoe moet worden aangezet, zijn verplichtingen na te komen (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
In de eerste plaats moet met betrekking tot de ernst van de inbreuk in herinnering worden gebracht dat richtlijn 91/271 ertoe strekt het milieu te beschermen. Het ontbreken of de ontoereikendheid onder meer van systemen voor de behandeling van stedelijk afvalwater kan schadelijk zijn voor het milieu en moet als bijzonder ernstig worden beschouwd (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 55en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Aangaande bovendien de door de Portugese Republiek ingeroepen vermindering van het chemische en biochemische zuurstofverbruik moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 63 van haar conclusie opmerkt, de indicatieve waarden van die richtlijn door die lidstaat nog steeds niet bereikt zijn, aangezien die richtlijn voor de secundaire behandeling een vermindering van het chemische zuurstofverbruik met minstens 75 % en van het biochemische verbruik met 70 tot 90 % voorschrijft en die lidstaat melding maakt van een vermindering van het chemische zuurstofverbruik met 20 %.
73
Voor het overige volgt uit de door de Portugese Republiek verstrekte gegevens weliswaar dat de zwemwaterkwaliteit in de meeste strandzones van de agglomeratie Matosinhos wordt aangeduid als „uitstekend”, maar is niettemin de kwaliteit van dat water, onder meer in de strandzones „Azul-Conchina”, waar – volgens de niet tegengesproken gegevens van de Commissie – stedelijk afvalwater dat een primaire behandeling heeft ondergaan wordt geloosd, en „Matosinhos”, die het dichtst bij de stadszone van die agglomeratie ligt, is aangemerkt als „toereikend” respectievelijk „goed”. Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van haar conclusie opmerkt, volgt hieruit dat de ontoereikendheid van de behandeling van het stedelijk afvalwater de kwaliteit van dat zwemwater aantast.
74
Voorts moet als verzwarende omstandigheid worden aangemerkt de omstandigheid dat volgens de verklaringen van de Portugese Republiek aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), pas in de loop van 2019 volledig uitvoering zal zijn gegeven, hetgeen neerkomt op een vertraging van bijna twintig jaar, aangezien aan de verplichting om de richtlijnconforme secundaire behandeling van het stedelijk afvalwater van de agglomeratie Matosinhos te verzekeren, uiterlijk op 31 december 2000 had moeten zijn voldaan. Waar de Portugese Republiek verklaart dat zij pas bijna twintig jaar na laatstgenoemde datum aan alle uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen zal kunnen voldoen, kan het Hof slechts vaststellen dat sprake is van een buitengewoon lange duur van een inbreuk waarvan, gelet op het hiervoor genoemde doel, bovendien vaststaat dat hij ernstig is (zie naar analogie arrest van 19 december 2012, Commissie/Ierland, C‑374/11, EU:C:2012:827, punt 38).
75
Eveneens moet echter in herinnering worden gebracht dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 57 van het arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684), de omvang van de aantasting van het milieu in ruime mate wordt bepaald door het aantal agglomeraties waarop de verweten niet-nakoming betrekking heeft. In het onderhavige geval is het aantal agglomeraties waarvoor de Portugese Republiek op de dag van de terechtzitting voor het Hof niet het bewijs heeft geleverd dat zij over systemen voor de behandeling van stedelijk afvalwater beschikken die aan de vereisten van de richtlijn voldoen, dat wil zeggen één, duidelijk minder groot dan het in het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), genoemde aantal, te weten vijftien. Vastgesteld moet dan ook worden dat die inbreuk minder omvangrijk is dan die als gevolg van de in dat arrest vastgestelde aanvankelijke niet-nakoming. De Portugese Republiek heeft daarmee de aanvullende aantasting van het milieu die voortvloeide uit de in het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), vastgestelde inbreuk aanzienlijk verminderd.
76
In de tweede plaats moet voor de beoordeling van de duur van de inbreuk het moment in aanmerking worden genomen waarop het Hof de feiten beoordeelt en niet het moment waarop de Commissie zich tot het Hof wendt. In het onderhavige geval is de duur van de inbreuk, te weten zeven jaar te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), aanzienlijk.
77
Ofschoon immers artikel 260, lid 1, VWEU niet preciseert binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, vereist volgens vaste rechtspraak van het Hof het belang van onverwijlde en eenvormige toepassing van het recht van de Unie dat die uitvoering onverwijld in gang wordt gezet en zo snel mogelijk wordt voltooid (zie arrest van 17 september 2015, Commissie/Italië, C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 95en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Aangaande in de derde plaats de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de recente evolutie van het bruto binnenlands product (bbp) van een lidstaat op de datum van het feitenonderzoek door het Hof in aanmerking moet worden genomen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 60). In dit verband moet rekening worden gehouden met de argumenten van de Portugese Republiek dat haar bbp tussen 2009 en 2013 met 7,4 % is gedaald.
79
Met betrekking tot het voorstel van de Commissie een degressieve dwangsom toe te passen, en de argumenten die de Portugese Republiek aanvoert met het oog op geleidelijke verlaging van het bedrag van de dwangsom, moet in herinnering worden gebracht dat de vooruitgang in de uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), en de eerbiediging van de bepalingen van artikel 4 van richtlijn 91/271 pas bevestigd kunnen worden vanaf het moment waarop voor de betrokken agglomeratie een verhoging kan worden vastgesteld van het aandeel van haar i.e. dat overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn wordt behandeld. Zoals de advocaat-generaal in punt 76 van haar conclusie heeft opgemerkt, leidt de loutere vooruitgang in de bouwwerkzaamheden, ook al zijn er tal van vorderingen gemaakt, nog niet tot een verminderde milieuaantasting. Die kan pas worden vastgesteld na de ingebruikneming van de installatie voor secundaire behandeling, omdat de betrokken agglomeratie pas dan een groter aantal i.e. dan voorheen overeenkomstig de vereisten van richtlijn 91/271 zal kunnen behandelen.
80
Waar de Portugese Republiek te kennen geeft dat zij voor de agglomeratie Matosinhos niet in staat is, haar aandeel i.e. dat overeenkomstig genoemde richtlijn wordt behandeld te verhogen en, bijgevolg, de milieuaantasting te verminderen, moet een vaste dwangsom worden toegepast.
81
Gelet op bovenstaande overwegingen acht het Hof de oplegging van een dwangsom van 8000 EUR per dag passend.
82
Bijgevolg moet de Portugese Republiek worden veroordeeld om aan de Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een dwangsom van 8000 EUR te betalen per dag vertraging in de uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om zich te voegen naar het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het onderhavige arrest tot de dag waarop het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), volledig zal zijn uitgevoerd.
Forfaitair bedrag
Argumenten van partijen
83
De Commissie verzoekt het Hof, de Portugese Republiek te gelasten een forfaitair bedrag te betalen van 2244 EUR per dag, welk bedrag het resultaat is van de vermenigvuldiging van het eenvormige basisforfait, vastgesteld op 220 EUR, met dezelfde coëfficiënt 3 voor de ernst als voor de dwangsom, en met de factor „n” van 3,40, te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), tot de datum van het onderhavige arrest of tot de datum waarop uitvoering zal zijn gegeven aan het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), indien dit laatste eerder mocht worden uitgevoerd.
84
De Commissie merkt op dat wanneer het bedrag per dag wordt berekend voor de berekening van het forfaitaire bedrag, gelet op het minimale forfaitaire bedrag moet worden bezien of aan het Hof een bedrag per dag of een forfaitair bedrag moet worden voorgesteld. Daartoe zou het gecumuleerde totaal van het bedrag per dag voor de bepaling van het forfaitaire bedrag, berekend tot de datum van het besluit van de Commissie om beroep in te stellen krachtens artikel 260 VWEU, moeten worden vergeleken met het voor de betrokken staat vastgestelde minimale forfaitaire bedrag.
85
In het onderhavige geval is 7 mei 2009 de datum van de uitspraak van het arrest krachtens artikel 258 VWEU. Het besluit van de Commissie om beroep in te stellen krachtens artikel 260 VWEU dateert van 16 oktober 2014. Tussen die twee data zijn 1987 dagen verstreken. Op de datum van genoemd besluit van de Commissie is het gecumuleerde totaal van het bedrag per dag voor de bepaling van het forfaitaire bedrag bijgevolg gelijk aan het bedrag per dag voor de bepaling van het forfaitaire bedrag vermenigvuldigd met het aantal dagen, dat wil zeggen: 2244 EUR x 1987 dagen = 4458828 EUR.
86
Volgens de mededeling van 2005 bedraagt het minimale forfaitaire bedrag voor de Portugese Republiek thans 1875000 EUR.
87
Aangezien het gecumuleerde totaal van het bedrag per dag voor de bepaling van het forfaitaire bedrag, op 16 oktober 2014, het voor de Portugese Republiek vastgestelde minimale forfaitaire bedrag overschrijdt, geeft de Commissie het Hof in overweging, de Portugese Republiek te gelasten het bedrag per dag voor de bepaling van het forfaitaire bedrag te betalen, te weten 2244 EUR per dag te rekenen vanaf de datum van de uitspraak van de het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), tot de datum van de uitspraak van het onderhavige arrest of tot de datum waarop die lidstaat het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), volledig zal hebben uitgevoerd, indien die datum eerder mocht vallen.
88
De Portugese Republiek betwist deze berekeningsmethode. Zij betoogt dat zo het Hof het voorstel tot weging van de door de Commissie toegepaste coëfficiënten volgde in de door die lidstaat voorgestelde zin, deze laatste zou moeten worden veroordeeld tot betaling van een forfaitair bedrag per dag, niet van 2244 EUR, maar van 748 EUR. Dit laatste bedrag zou het resultaat zijn van de vermenigvuldiging van het eenvormige basisforfait, vastgesteld op 220 EUR, met de coëfficiënt voor de ernst, die 1 zou bedragen, en met de factor „n” van 3,40.
89
De Portugese Republiek merkt op dat de door de Commissie in haar aanmaningsbrief van 21 februari 2014 gestelde termijn van twee maanden op 21 april 2014 is verstreken. Tussen de datum van de uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), en het verstrijken van de door de Commissie in haar aanmaningsbrief gestelde termijn zijn dan ook 1810 dagen verstreken.
90
Die lidstaat geeft te kennen dat wanneer men dat aantal dagen vermenigvuldigt met 748 EUR, men uitkomt op een bedrag van 1339000 EUR. Aangezien het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), reeds voor 90 % is uitgevoerd, moet dat percentage worden doorberekend in het bedrag van 1875000 EUR, zodat het ten laste van de Portugese Republiek komende forfaitaire bedrag niet hoger zou kunnen zijn dan 187500 EUR.
Beoordeling door het Hof
91
Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof in de uitoefening van de hem op het betrokken gebied verleende beoordelingsbevoegdheid gelijktijdig een dwangsom en een forfaitair bedrag mag opleggen (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 72).
92
De veroordeling tot betaling van een forfaitair bedrag en de vaststelling, in voorkomend geval, van de hoogte van dat bedrag moeten in elk concreet geval gebaseerd blijven op alle relevante aspecten die zowel verband houden met de kenmerken van de vastgestelde niet-nakoming als met de houding van de lidstaat waarop de op basis van artikel 260 VWEU ingeleide procedure betrekking heeft. Dienaangaande verleent dit artikel het Hof een ruime beoordelingsbevoegdheid teneinde te beslissen om al dan niet een dergelijke sanctie op te leggen en in voorkomend geval het bedrag ervan te bepalen (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 73).
93
In de onderhavige zaak vormen alle juridische en feitelijke factoren samen die tot de vaststelling van de aan de orde zijnde niet-nakoming hebben geleid, waaronder de omstandigheid dat reeds andere arresten, te weten de arresten van 8 mei 2008, Commissie/Portugal (C‑233/07, EU:C:2008:271); van 8 september 2011, Commissie/Portugal (C‑220/10, EU:C:2011:558), en van 28 januari 2016, Commissie/Portugal (C‑398/14, EU:C:2016:61), zijn uitgesproken waarin is vastgesteld dat de Portugese Republiek niet aan haar verplichtingen op het gebied van de behandeling van stedelijk afvalwater had voldaan, een aanwijzing dat, om daadwerkelijk te voorkomen dat vergelijkbare inbreuken op het recht van de Unie zich in de toekomst zullen herhalen, een afschrikkende maatregel, zoals de veroordeling tot betaling van een forfaitair bedrag, moet worden vastgesteld (zie naar analogie arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 74).
94
In die omstandigheden is het aan het Hof, in de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, om de hoogte van dat forfaitaire bedrag zodanig vast te stellen dat dit in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig aan de begane inbreuk (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 75).
95
Vooral de ernst van de vastgestelde inbreuk en de periode gedurende welke die inbreuk is blijven voortbestaan na de uitspraak van het arrest waarbij hij is vastgesteld, zijn in dit verband relevante factoren (arrest van 15 oktober 2015, Commissie/Griekenland, C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 76).
96
De omstandigheden waarmee in casu rekening moet worden gehouden, volgen met name uit de overwegingen in de punten 71 tot en met 78 van het onderhavige arrest, betreffende de ernst en de duur van de inbreuk alsook de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat.
97
Aangaande de ernst van de betrokken inbreuk moet echter worden opgemerkt dat op de datum van de terechtzitting voor het Hof weliswaar is vastgesteld dat één agglomeratie, te weten de agglomeratie Matosinhos, niet beschikte over richtlijnconforme systemen voor de behandeling van stedelijk afvalwater waarop de verweten inbreuk betrekking had, maar dat gedurende het grootste deel van het tijdvak tussen de uitspraak van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), en de uitspraak van het onderhavige arrest, twee agglomeraties niet over dergelijke systemen beschikten. Overeenkomstig de overwegingen in punt 75 van het onderhavige arrest, dat de omvang van de milieuaantasting in ruime mate wordt bepaald door het aantal agglomeraties waarop de verweten niet-nakoming betrekking heeft, moet die inbreuk als ernstiger voor de berekening van het forfaitaire bedrag dan voor de bepaling van de dwangsom worden beschouwd.
98
Bovendien moet voor de bepaling van het forfaitaire bedrag in de beschouwing worden betrokken dat de Portugese Republiek weliswaar stelselmatig heeft samengewerkt met de diensten van de Commissie, maar zich niet heeft gehouden aan haar eigen planning voor de aanleg van de installatie voor de behandeling van stedelijk afvalwater van de agglomeratie Matosinhos. Uit de memorie van dupliek van die lidstaat blijkt immers dat wat die agglomeratie betreft de vereiste installatie pas in 2019 operationeel zal zijn.
99
Tot slot moet, zoals de Commissie heeft opgemerkt, rekening worden gehouden met het grote aantal arresten, vermeld in punt 93 van het onderhavige arrest, waarin is vastgesteld dat de Portugese Republiek niet had voldaan aan haar verplichtingen op het gebied van de behandeling van stedelijk afvalwater. Dat een lidstaat zich herhaaldelijk schuldig maakt aan inbreuken, is te meer onaanvaardbaar indien in de betrokken sector de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu bijzonder groot zijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 89 van haar conclusie opmerkt, kan een herhaling van inbreukmakende gedragingen van een lidstaat in een specifieke sector er een aanwijzing voor vormen dat voor de effectieve voorkoming dat zich in de toekomst vaker dergelijke inbreuken op het Unierecht voordoen, een afschrikkende maatregel, zoals de veroordeling tot betaling van een forfaitaire som, noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 19 december 2012, Commissie/Ierland, C‑279/11, EU:C:2012:834, punt 70).
100
Gelet op al het voorgaande is het Hof van oordeel dat met de omstandigheden van het onderhavige geval naar behoren rekening wordt gehouden door het forfaitaire bedrag dat de Portugese Republiek moet betalen, op 3000000 EUR vast te stellen.
101
Derhalve moet de Portugese Republiek worden veroordeeld om aan de Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” het forfaitaire bedrag van 3000000 EUR te betalen.
Kosten
102
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de niet-nakoming is vastgesteld, dient de Portugese Republiek overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1)
Door niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), heeft de Portugese Republiek niet voldaan aan de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen.
2)
In het geval dat de in punt 1 vastgestelde niet-nakoming voortduurt op de dag van de uitspraak van het onderhavige arrest, wordt de Portugese Republiek veroordeeld om aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een dwangsom van 8000 EUR te betalen per dag vertraging in de uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om zich te voegen naar het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292), te rekenen vanaf de datum van de uitspraak van het onderhavige arrest tot de volledige uitvoering van het arrest van 7 mei 2009, Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292).
3)
De Portugese Republiek wordt veroordeeld om aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” het forfaitaire bedrag van 3000000 EUR te betalen.
4)
De Portugese Republiek wordt in de kosten verwezen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy