7.4.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 102/20
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 30 januari 2014 — Holterman Ferho Exploitatie BV e.a., andere partij: F.L.F. Spies von Büllesheim
(Zaak C-47/14)
2014/C 102/29
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Holterman Ferho Exploitatie BV, Ferho Bewehrungsstahl GmbH, Ferho Vechta GmbH en Ferho Frankfurt GmbH
Andere partij: F.L.F. Spies von Büllesheim
Prejudiciële vragen
1)
Moeten de bepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II (artikel 18 tot en met 21) van verordening (EG) nr. 44/2001 (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechter toepassing geeft aan artikel 5, aanhef en onder 1, punt a), dan wel aan artikel 5, aanhef en onder 3, van de verordening in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap door die vennootschap wordt aangesproken op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten?
2)
a)
Indien het antwoord op vraag 1) ontkennend luidt, moet dan het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” van artikel 5, aanhef en onder 1, punt a), van de verordening aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van schending van de op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak?
b)
Indien het antwoord op vraag 2) a) bevestigend luidt, moet dan het begrip „plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd” van artikel 5, aanhef en onder 1, punt a), van de verordening aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in artikel 60, lid 1, aanhef en onder b en c, van de verordening?
3)
a)
Indien het antwoord op vraag 1) ontkennend luidt, moet dan het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” van artikel 5, aanhef en onder 3, van de verordening aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van onbehoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak dan wel onrechtmatig handelen?
b)
Indien het antwoord op vraag 3) a) bevestigend luidt, moet dan het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” van artikel 5, aanhef en onder 3, van de verordening aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in artikel 60, lid 1, aanhef en onder b en c, van de verordening?
(1) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy