29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/21
Beroep ingesteld op 10 februari 2014 — Raad van de Europese Unie/Europese Commissie
(Zaak C-73/14)
2014/C 93/35
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. Westerhof Löfflerová, E. Finnegan en R. Liudvinaviciute-Cordeiro, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het besluit van de Commissie van 29 november 2013 om bij het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee in zaak 21 „schriftelijke opmerkingen van de Commissie namens de Europese Unie” in te dienen, nietig verklaren (1), en
—
verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Met zijn beroep verzoekt de Raad het Hof om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 29 november 2013 om bij het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee in zaak 21 „schriftelijke opmerkingen van de Commissie namens de Europese Unie” in te dienen (hierna: „bestreden besluit”).
2)
De Raad is van mening dat het bestreden besluit, dat door de Commissie is vastgesteld zonder toestemming en tegen de wil van de Raad, onrechtmatig is omdat het inbreuk maakt op in de Verdragen neergelegde fundamentele beginselen van Unierecht.
3)
De Raad voert tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit twee middelen aan.
4)
Ten eerste heeft de Commissie door de vaststelling van het bestreden besluit inbreuk gemaakt op het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van verdeling van bevoegdheden, en dus op het beginsel van het institutionele evenwicht (eerste middel). In het eerste onderdeel van dat middel voert de Raad aan dat het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee een orgaan is dat is opgericht bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en handelingen vaststelt die rechtsgevolgen sorteren, en dat derhalve ingevolge artikel 218, lid 9, VWEU het namens de Unie voor het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee in te nemen standpunt door de Raad had moeten worden bepaald. In het tweede onderdeel van het eerste middel stelt de Raad dat de Commissie in elk geval inbreuk heeft gemaakt op artikel 16, lid 1, VEU door zich de beleidsbepalende taken aan te matigen waarvoor de Raad volgens die verdragsbepalingen exclusief bevoegd is.
5)
Ten tweede heeft de Commissie door haar handelwijze die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit, inbreuk gemaakt op het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking (tweede middel).
(1) Op dit ogenblik verzoekt de Raad niet om nietigverklaring van de bij het Internationaal Hof ingediende schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy