12.5.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 142/18
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen săd Sofia-grad (Bulgarije) op 17 februari 2014 — CHEZ Razpredelenie Bălgaria AD/Komisia za zashtita ot diskriminatsia
(Zaak C-83/14)
2014/C 142/26
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen săd Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: CHEZ Razpredelenie Bălgaria AD
Verwerende partij: Komisia za zashtita ot diskriminatsia
Belanghebbende partijen: Anelia Nikolova en Dărzhavna komisia za energiyno i vodno regulirane
Prejudiciële vragen
1)
Moet het begrip „etnische afstamming” respectievelijk „etnische afkomst”, zoals gebruikt in richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming respectievelijk het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat daaronder een compacte groep van Bulgaarse onderdanen van Roma-afkomst valt, als die welke in de stadswijk „Gizdova mahala” van de stad Dupnitsa wonen?
2)
Is het begrip „vergelijkbare situatie”, in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/43, toepasbaar in een situatie als aan de orde in het onderhavige geding, waarbij de toestellen voor commerciële verbruiksmeting in Romastadswijken op een hoogte van zes tot zeven meter worden geïnstalleerd, terwijl zij in andere stadswijken zonder een compacte groep inwoners van Roma-afkomst gewoonlijk op een hoogte van minder dan twee meter worden geïnstalleerd?
3)
Moet artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/43 aldus worden uitgelegd dat door de installatie in Romastadswijken van toestellen voor commerciële verbruiksmeting op een hoogte van zes tot zeven meter de bevolking van Roma-afkomst minder gunstig wordt behandeld dan de bevolking met een andere etnische afstamming?
4)
Indien het om een minder gunstige behandeling gaat, moet de voornoemde bepaling dan aldus worden uitgelegd dat deze behandeling in een situatie als aan de orde in het onderhavige geding volledig of gedeeltelijk op de omstandigheid berust dat zij de etnische groep van Roma betreft?
5)
Is een nationale regeling als § 1, punt 7, van de aanvullende bepalingen bij de Zakon za zashtita ot diskriminatsia (wet ter bescherming tegen discriminatie; hierna: „ZZD”), op grond waarvan er sprake is van een „ongunstige behandeling” bij elke daad, elke handeling of elk nalaten waardoor direct of indirect afbreuk wordt gedaan aan rechten of rechtmatige belangen, verenigbaar met richtlijn 2000/43?
6)
Is het begrip „een ogenschijnlijk neutrale handelwijze” in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43 van toepassing op de praktijk van de CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD om toestellen voor commerciële verbruiksmeting op een hoogte van zes tot zeven meter te installeren? Moet het begrip „ogenschijnlijk” aldus worden uitgelegd dat de praktijk kennelijk neutraal dient te zijn, of moet dit begrip aldus worden uitgelegd dat deze praktijk op het eerste gezicht neutraal dient te lijken, met andere woorden schijnbaar neutraal is?
7)
Is voor indirecte discriminatie in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43 vereist dat de neutrale handelwijze personen wegens hun ras of etnische afstamming in een veel minder gunstige positie plaatst, of volstaat voor indirecte discriminatie dat deze handelwijze louter personen met een bepaalde etnische afstamming benadeelt? Is in dit verband een nationale bepaling als artikel 4, lid 3, ZZD, op grond waarvan sprake is van indirecte discriminatie wanneer een persoon wegens de in lid 1 vermelde kenmerken (waaronder etnische afstamming) ongunstiger wordt behandeld, verenigbaar met artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43?
8)
Hoe moet het begrip „bijzonder benadeel[d]” in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43 worden uitgelegd? Stemt dit begrip overeen met het begrip „ongunstiger [...] behandeld” in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/43, of omvat dit begrip louter bijzonder ernstige, kennelijke en zwaarwegende gevallen van ongelijke behandeling? Vormt de in de onderhavige zaak beschreven praktijk een bijzonder ongunstige situatie? Volstaat het dat het niet gaat om een bijzonder ernstig, kennelijk en zwaarwegend geval van plaatsing in een ongunstige situatie om te oordelen dat er geen sprake is van indirecte discriminatie (zonder te verifiëren of de betrokken praktijk — gelet op de verwezenlijking van een legitiem doel — gerechtvaardigd, gepast en vereist is)?
9)
Zijn volgens artikel 2, lid 2, sub a en b, van richtlijn 2000/43 nationale bepalingen zoals artikel 4, leden 2 en 3, ZZD toelaatbaar, op grond waarvan voor directe discriminatie een „ongunstigere behandeling” en voor indirecte discriminatie de „plaatsing in een ongunstigere situatie” is vereist, zonder dat zoals in de richtlijn een onderscheid wordt gemaakt naargelang de ernst van de betrokken ongunstige behandeling?
10)
Moet artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2000/43 aldus worden uitgelegd dat de betrokken praktijk van CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD objectief is gerechtvaardigd in het licht van de doelstelling de veiligheid van het elektriciteitsnet te waarborgen en de correcte registratie van de verbruikte elektriciteit te verzekeren? Is deze praktijk ook passend in het licht van de verplichting van CHEZ Razpredelenie Bulgaria AD om de verbruikers vrije toegang te verlenen tot de stand van de ampèremeters? Is deze praktijk noodzakelijk, wanneer uit mediaberichten blijkt dat er andere technische en betaalbare middelen bestaan om de juiste werking van toestellen voor commerciële verbruiksmeting te waarborgen?
Full & Egal Universal Law Academy