19.5.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Navarra (Spanje) op 26 februari 2014 — Miguel Ángel Zurbano Belaza en Antonia Artieda Soria/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.
(Zaak C-93/14)
2014/C 151/16
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Navarra
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Miguel Ángel Zurbano Belaza en Antonia Artieda Soria
Verwerende partij: Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.
Prejudiciële vragen
1)
Is voor de beoordeling van de bedingen van een in 1986 gesloten hypothecaire lening richtlijn 93/13 (1) van toepassing wanneer een bankinstelling in 2009 een vordering instelt, te weten een persoonlijke vordering waarbij het bedrag wordt opgeëist dat naar haar mening verschuldigd is door haar cliënten na de veiling van de verhypothekeerde percelen, en er rekening mee wordt gehouden dat zowel de derde veiling (19 juli 1993) als de rechterlijke beslissingen waarbij toestemming werd verleend voor de renteberekening (3 juli 2000) en voor de definitieve toekenning van de geveilde percelen (18 juli 2000), na de publicatie van de genoemde richtlijn hebben plaatsgevonden?
2)
Dient de nationale rechter artikel 10 van wet 26/1984 in het licht van richtlijn 93/13 uit te leggen wanneer een bankinstelling in 2009 een vordering instelt, te weten een persoonlijke vordering waarbij het bedrag wordt opgeëist dat naar haar mening verschuldigd is door haar cliënten na de veiling van de verhypothekeerde percelen, en er rekening mee wordt gehouden dat zowel de derde veiling (19 juli 1993) als de rechterlijke beslissingen waarbij toestemming werd verleend voor de renteberekening (3 juli 2000) en voor de definitieve toekenning van de geveilde percelen (18 juli 2000), na de publicatie van de genoemde richtlijn hebben plaatsgevonden?
3)
Heeft het dwingende karakter van regel twaalf van artikel 131 van de hypotheekwet, wat de uitsluiting zoals voorzien in artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 betreft, alleen betrekking op de wijze waarop moet worden gehandeld bij de derde veiling, wanneer een hypothecaire schuldeiser een zakelijke vordering instelt, of vormt dit tevens een beletsel voor de nationale rechter om, wanneer de hypothecaire schuldeiser naderhand een persoonlijke vordering instelt, te beoordelen of de wijze van berekening van het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht?
4)
Verzet het gemeenschapsrecht op het gebied van de bescherming van consumenten (artikelen 3 en 5 van richtlijn 93/13) zich ertegen dat een bankinstelling na de veiling van de verhypothekeerde percelen en de toekenning daarvan voor een „lachwekkende” prijs naderhand een persoonlijke vordering instelt tegen haar cliënten en voor de vaststelling van het bedrag van de vordering uitgaat van die destijds voor de verhypothekeerde percelen geboden „lachwekkende” prijs?
5)
Verzet het algemene beginsel van gelijke behandeling zich ertegen dat de bij wet 1/2000 en wet 4/2011 ingevoerde wetswijzigingen buiten beschouwing worden gelaten wanneer een bankinstelling in 2009 een vordering instelt, te weten een persoonlijke vordering waarbij het bedrag wordt opgeëist dat naar haar mening verschuldigd is door haar cliënten na de veiling van de verhypothekeerde percelen, die aan de bankinstelling zijn toegekend voor een „lachwekkende” prijs?
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).
Full & Egal Universal Law Academy