12.5.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 142/22
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 27 februari 2014 — Flight Refund Ltd/Deutsche Lufthansa AG
(Zaak C-94/14)
2014/C 142/30
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Flight Refund Ltd
Verwerende partij: Deutsche Lufthansa AG
Prejudiciële vragen
1)
Kan een op artikel 19 van het Verdrag van Montreal gebaseerde vordering tot compensatie geldend worden gemaakt in het kader van de Europese betalingsbevelprocedure?
2)
Worden in het kader van een op artikel 19 van het Verdrag van Montreal gebaseerde vordering tot compensatie de bevoegdheid van de — met een nationaal gerecht gelijkgestelde — notaris die Europese betalingsbevelen mag uitvaardigen en — zodra de procedure na het verweer van de verweerder een contentieuze procedure is geworden — de rechterlijke bevoegdheid vastgesteld op basis van de bevoegdheidsregels van verordening (EG) nr. 1896/2006 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (hierna: „verordening nr. 1896/2006”), verordening (EG) nr. 44/2001 (2) van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „verordening nr. 44/2001”), en/of het op 28 mei 1999 te Montreal afgesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (hierna: „Verdrag van Montreal”)? Hoe verhouden deze verschillende rechtsregels zich tot elkaar?
3)
Ingeval de bevoegdheidsregels van het Verdrag van Montreal voorrang hebben, kan de eiser dan — ook wanneer er voor het overige geen aanknopingspunt bestaat — zijn vordering naar eigen keuze geldend maken voor een gerecht van een verdragsluitende partij, of kan hij dit enkel voor een gerecht dat territoriaal bevoegd is krachtens de procedureregels van de lidstaat waartoe het behoort?
Welke uitlegging dient voorts te worden gegeven aan de optionele bevoegdheidsregel van het Verdrag van Montreal die verwijst naar het gerecht van de plaats waar zich de vestiging van de vervoerder bevindt via welke vestiging de overeenkomst is gesloten?
4)
Kan een Europees betalingsbevel dat in strijd met het doel van de verordening of door een materieel onbevoegde instantie is uitgevaardigd, ambtshalve worden heroverwogen? Of moet de naar aanleiding van verweer ingeleide contentieuze procedure in geval van onbevoegdheid ambtshalve of op verzoek worden beëindigd?
5)
Voor zover de Hongaarse gerechten bevoegd zijn om de contentieuze procedure te behandelen, moeten de regels van het nationale procesrecht dan in overeenstemming met het Unierecht en het Verdrag van Montreal aldus worden uitgelegd dat zij noodzakelijkerwijs minstens één gerecht aanwijzen dat, zelfs wanneer geen enkel ander aanknopingspunt bestaat, verplicht is om de ingevolge verweer ingeleide contentieuze zaak ten gronde af te doen?
(1) PB L 399, blz. 1.
(2) PB 2001, L 12, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy