16.6.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 184/12
Hogere voorziening ingesteld op 29 maart 2014 door Christoph Klein tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 21 januari 2014 in zaak T-309/10, Christoph Klein/Europese Commissie
(Zaak C-120/14 P)
2014/C 184/16
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Christoph Klein (vertegenwoordigers: H.-J. Ahlt en M. Ahlt, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 21 januari 2014 in zaak T-309/10 vernietigen;
—
vaststellen dat de Commissie, door geen beslissing te nemen in de sedert 1998 lopende vrijwaringsprocedure voor de litigieuze medische hulpmiddelen, de krachtens richtlijn 93/42 en het Unierecht op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen en verzoeker daardoor rechtstreeks schade heeft berokkend;
—
de Commissie veroordelen tot vergoeding van de nog te becijferen schade die verzoeker is berokkend;
—
de Commissie verwijzen in de kosten;
—
subsidiair: het arrest van het Gerecht van 21 januari 2014 in zaak T-309/10 vernietigen en de zaak naar het Gerecht terugverwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht heeft door een onjuiste toepassing van de voorschriften over de verjaring van vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie artikel 46 van het Statuut geschonden, doordat het voorbij is gegaan aan het feit dat, wat de stuiting van de verjaring betreft, een ingewilligd verzoek om kosteloze rechtsbijstand moet worden gelijkgesteld met de instelling van het beroep.
Voorts heeft het Gerecht de artikelen 8 en 18 van richtlijn 93/42 (1) geschonden, door ervan uit te gaan dat deze bepalingen elkaar onderling uitsluiten. Deze bepalingen kunnen volgens rekwirant integendeel tegelijkertijd toepassing vinden. De veronderstelling van het Gerecht is bovendien ontoereikend gemotiveerd.
Verder heeft het Gerecht het Unierecht geschonden doordat het de door de Duitse overheidsinstanties ingeleide procedure ten onrechte niet heeft aangemerkt als vrijwaringsprocedure.
Het feit dat de procedure voor de Commissie meer dan tien jaar heeft geduurd, vormt een inbreuk op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten en op de beginselen van behoorlijk bestuur. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dat niet ten laste te brengen.
Ten slotte vertoont de procedure voor het gerecht onregelmatigheden. Zo is geen rekening gehouden met verscheidene documenten die verzoekers argumenten bevestigen. Evenzo is eenvoudigweg voorbijgegaan aan de door verzoeker overgenomen uiteenzetting en juridische argumenten van het Europees Parlement.
(1) Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169).
Full & Egal Universal Law Academy