7.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 212/11
Hogere voorziening ingesteld op 24 maart 2014 door The Sunrider Corporation tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 23 januari 2014 in zaak T-221/12, The Sunrider Corporation/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-142/14 P)
2014/C 212/12
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: The Sunrider Corporation (vertegenwoordigers: N. Dontas, K. Markakis, Δικηγόροι)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
de onderhavige hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
—
het bestreden arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Derde kamer) van 23 januari 2014 in zaak T-221/12 gedeeltelijk te vernietigen voor zover daarbij werd afgewezen het tweede middel (schending van de artikelen 75, tweede volzin, en 76, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk (1)) en het derde middel (schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk) die rekwirante heeft aangevoerd in haar beroep van 25 mei 2012;
—
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat dit het tweede en het derde middel die verzoekster in haar beroep van 25 mei 2012 heeft aangevoerd, opnieuw zou beoordelen en artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk opnieuw zou toepassen;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten die rekwirante heeft gemaakt in de onderhavige voorzieningsprocedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten die rekwirante heeft gemaakt in de procedure in eerste aanleg voor het Gerecht, en
—
het BHIM te verwijzen in de kosten die rekwirante noodzakelijkerwijze heeft gemaakt in de onderliggende bestuurlijke procedure voor de vierde kamer van beroep van het BHIM in de zaak R 2401/2010-4.
Middelen en voornaamste argumenten
EERSTE MIDDEL: Het Gerecht heeft artikel 1, lid 2, van richtlijn 2001/83/EG (2) en artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 726/2004 (3), wat de definitie en de strekking van het begrip „geneeskundig” betreft, geschonden. Het Gerecht heeft zijn bevoegdheden overschreden door nieuwe wettelijke definities te creëren, met name producten „voor geneeskundig gebruik in de ruime zin van het woord”, en heeft de toepasselijke wettelijke definities die de Uniewetgever heeft vastgesteld, miskend.
TWEEDE MIDDEL: Het Gerecht heeft rekwirantes recht om te worden gehoord geschonden door zich zonder rechtvaardiging te baseren op een voor de uitkomst van het geschil cruciaal „algemeen bekend feit”. Het Gerecht heeft rekwirantes recht om te worden gehoord geschonden door in punt 77 van het bestreden arrest vast te stellen dat een bepaald feit viel onder het begrip „algemeen bekend feit” zonder deze vaststelling te staven met enig bewijsstuk uit het dossier en zonder te rechtvaardigen waarom dit feit rechtens als „algemeen bekend” werd aangemerkt.
DERDE MIDDEL: Het Gerecht heeft artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk geschonden, aangezien het a) een beperkt onderzoek en een beperkte beoordeling heeft verricht van de soortgelijkheid tussen de plantaardige voedingssupplementen en de enige waren die letterlijk zijn vermeld in het opschrift van klasse 32, en niet in concreto heeft onderzocht of enige soortgelijkheid bestaat tussen de plantaardige voedingssupplementen en de overige waren van klasse 32, b) de strekking van de bestreden beslissing heeft miskend en de vaststelling en de redenering van de kamer van beroep met betrekking tot het „relevante publiek” heeft vervangen, en c) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij het onderzoek en de beoordeling van de individuele factoren/criteria voor de soortgelijkheid van de betrokken waren, met name met betrekking tot i) de uitlegging en de toepassing van de term „geneeskundig” als hoofddoelstelling van plantaardige voedingssupplementen, ii) het juridische vereiste dat een „groot deel” van de fabrikanten van de betrokken goederen dezelfde zijn, iii) de juridische maatstaf/standaard die werd gebruikt om de waren te vergelijken, iv) de afwijzing van het tweede middel als zijnde ondoeltreffend, v) het verzuim om de factor van de „vervangbaarheid” te onderzoeken, en vi) het verzuim om de aard van de vergeleken waren te onderzoeken.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
(2) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67).
(3) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy