26.5.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 159/20
Hogere voorziening ingesteld op 2 april 2014 door SKW Stahl-Metallurgie Holding AG, SKW Stahl-Metallurgie GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 23 januari 2014 in zaak T-384/09, SKW Stahl-Metallurgie GmbH/Europese Commissie
(Zaak C-154/14 P)
2014/C 159/27
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirantes: SKW Stahl-Metallurgie Holding AG, SKW Stahl-Metallurgie GmbH (vertegenwoordigers: dr. A. Birnstiel en dr. S. Janka, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Gigaset AG, Europese Commissie
Conclusies
1.
het bestreden arrest in zijn geheel vernietigen, voor zover daarbij rekwirantes’ vorderingen werden afgewezen, en de vorderingen in eerste aanleg in hun geheel toewijzen;
2.
subsidiair, het bestreden arrest gedeeltelijk vernietigen;
3.
meer subsidiair, de geldboeten die aan rekwirantes bij artikel 2, sub f en g, van de boetebeschikking van de Europese Commissie van 22 juli 2009 werden opgelegd in goede justitie verlagen;
4.
meer subsidiair, het bestreden arrest vernietigen en de zaak naar het Gerecht terugverwijzen;
5.
voor de vorderingen 1 tot en met 4 telkens verweerster in de kosten verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren in wezen vier middelen aan:
1.
In het arrest van het Gerecht wordt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en het moet worden vernietigd, omdat daarin wordt voorbijgegaan aan het feit dat verweerster in de boeteprocedure fundamentele procedurele rechten van rekwirantes, zoals de rechten van de verdediging, heeft geschonden. Door de beoordeling van verweerster te handhaven, schendt het Gerecht evenzeer het evenredigheidsbeginsel en het verbod om de bewijzen vooraf te beoordelen.
2.
Bovendien gaat het Gerecht eraan voorbij dat verweerster door haar beschikking en de ten aanzien van meerdere groepen aansprakelijken vastgestelde geldboetes artikel 101 VWEU onjuist toepast en haar motiveringsplicht overeenkomstig artikel 296 VWEU niet is nagekomen, zodat ook het Gerecht een oordeel heeft geveld waarin blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het begrip economische eenheid en wat de omvang van de wettelijke motiveringsplicht betreft.
3.
Het Gerecht schendt met zijn arrest bovendien het beginsel dat een sanctie duidelijk moet zijn en het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, doordat het verweersters beschikking handhaaft.
4.
Ten slotte laken rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes’ aanvullende vordering in de procedure als nieuw en dus niet-ontvankelijk te beschouwen, hoewel rekwirantes reeds in hun verzoekschrift bezwaren hadden aangevoerd die daarmee overeenstemden.
Full & Egal Universal Law Academy