16.6.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 184/17
Beroep ingesteld op 4 april 2014 — Europese Commissie/Koninkrijk België
(Zaak C-163/14)
2014/C 184/21
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Clotuche-Duvieusart en I. Martínez del Peral, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusies
—
vaststellen dat het Koninkrijk België, door de instellingen en organen van de Europese Unie de in artikel 3, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bedoelde vrijstelling van de bijdragen die zijn vastgesteld in artikel 26 van de Ordonnantie betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en artikel 20 van de Ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals gewijzigd, niet te verlenen, en door zich te verzetten tegen de teruggave van de door het Gewest aldus geïnde bijdragen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 3, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;
—
het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals gewijzigd, voorzien in de inning van bijdragen betaalbaar door leveranciers van elektriciteit en gas aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Die regionale bijdragen worden vervolgens bij de levering van elektriciteit of gas aan de eindverbruikers, en dus aan de instellingen van de Unie, gefactureerd naargelang van het vermogen dat ter beschikking wordt gehouden van de eindafnemers (voor elektriciteit) of de grootte van de meter bij de eindafnemers (voor gas).
Volgens de Commissie moeten die regionale bijdragen worden aangemerkt als door de Belgische autoriteiten geheven indirecte belastingen op belangrijke aankopen door de instellingen voor hun officieel gebruik die een deel vormen van de hun aangerekende elektriciteits- en gasprijzen. De Commissie benadrukt dat een belasting als indirecte belasting kan worden aangemerkt zonder dat bij wet uitdrukkelijk in een verplichting tot doorberekening aan de eindafnemer hoeft te zijn voorzien, en dat het voornaamste is dat het om een belasting op uitgaven of op verbruik gaat. Dientengevolge is zij van mening dat de Belgische Staat ingevolge artikel 3, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie die indirecte belastingen of belastingen op de verkoop aan de instellingen van de Unie moet teruggeven.
De Commissie betoogt dat die regionale bijdragen niet als eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut kunnen worden aangemerkt en dat zij dus niet onder de in artikel 3, derde alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bedoelde uitzondering op de vrijstelling vallen. Met die bijdragen wordt immers de financiering beoogd van verschillende openbare dienstopdrachten en wordt het sociaal beleid (bijvoorbeeld sociaal tarief, minimumlevering van elektriciteit aan gezinnen) of het milieubeleid (bijvoorbeeld promoten van rationeel energiegebruik) van de overheid gedeeltelijk gefinancierd. Met die belastingen wordt niet de tegenprestatie voor een specifiek voor de instellingen verrichte dienst betaald.
Full & Egal Universal Law Academy