16.6.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 184/19
Beroep ingesteld op 11 april 2014 — Europese Commissie/Helleense Republiek
(Zaak C-180/14)
2014/C 184/23
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Patakia en M. van Beek)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vaststellen dat de Helleense Republiek, door geen maximale arbeidstijd per week van 48 uren te hebben ingevoerd en/of toegepast en geen minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijd te hebben gewaarborgd of een compenserende rusttijd onmiddellijk na het einde van de te compenseren arbeidsuren, de krachtens de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88/EG (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Richtlijn 2003/88 heeft gemeenschappelijke minimumnormen ingevoerd voor de organisatie van de arbeidstijd teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen door een maximale gemiddelde arbeidstijd per week (artikel 6) en een minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijd (artikelen 3, 5 en 6 van die richtlijn) vast te stellen.
2.
Griekenland heeft de richtlijn in intern recht omgezet bij besluit nr. 88/1999 van de President van de Republiek, dat ook geldt voor artsen in dienst bij een openbare gezondheidsdienst. Wat artsen in opleiding betreft, heeft Griekenland de richtlijn voorts omgezet bij besluit nr. 76/2005 van de President van de Republiek.
3.
Vervolgens heeft Griekenland echter een reeks wettelijke maatregelen vastgesteld die de toepassing van de voorschriften ter omzetting van de richtlijn hebben opgeschort voor artsen in loondienst en artsen in opleiding bij een openbare gezondheidsdienst.
4.
Voorts blijkt uit de bij de Commissie ingediende klachten van 10 verschillende Griekse artsenverenigingen dat genoemde werknemers krachtens het nationale recht, maar ook in de praktijk, verplicht waren gemiddeld 60 tot 72 uren (artsen in loondienst) en 71 tot 93 uren (artsen in opleiding) per week te werken. Regelmatig werden zij zelfs verplicht om zonder onderbreking tot 32 uur op de plaats van tewerkstelling te werken.
5.
Vervolgens is een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten en zijn wetten nrs. 3754/2009 en 3868/2010 vastgesteld, waarin de bepalingen van die collectieve arbeidsovereenkomst worden overgenomen. De nationale wettelijke regeling voorziet nog steeds niet in een werkelijke maximale verplichte arbeidstijd voor genoemde werknemers, aangezien zij bepaalt dat — naast de gewone dienst — „ziekenhuisartsen van het nationale gezondheidsstelsel, universitaire artsen en artsen die een specialisatie-opleiding volgen, de dienst moeten verrichten die noodzakelijk is voor het normaal functioneren van ziekenhuizen en gezondheidscentra”.
6.
Om dergelijke bepalingen ook in de praktijk te kunnen toepassen, wordt voorts evenmin een minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijd gewaarborgd, aangezien ten eerste, niet alle soorten wachtdienst als arbeidstijd worden beschouwd en ten tweede, geen gelijkwaardige compenserende rusttijd is ingevoerd, die onmiddellijk na het einde van de te compenseren extra arbeidstijd moet worden opgenomen.
7.
Bovengenoemde regeling en praktijk wijken in ernstige mate af van de door de richtlijn opgelegde minimumeisen en schenden de artikelen 3, 5 en 6 van richtlijn 2003/88.
(1) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9).
Full & Egal Universal Law Academy