7.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 212/16
Hogere voorziening ingesteld op 14 april 2014 door ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s. e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 29 januari 2014 in zaak T-528/09, Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-186/14 P)
2014/C 212/18
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s., ArcelorMittal Tubular Products Roman SA, Benteler Deutschland GmbH, voorheen Benteler Stahl//Rohr GmbH, Ovako Tube & Ring AB, Rohrwerk Maxhütte GmbH, TMK-Artrom SA, Silcotub SA, Dalmine SpA, Tubos Reunidos, SA, Vallourec Oil and Gas France, voorheen Vallourec Mannesmann Oil & Gas France, Vallourec Tubes France, voorheen V & M France, Vallourec Deutschland GmbH, voorheen V & M Deutschland GmbH, voestalpine Tubulars GmbH, Železiarne Podbrezová a.s. (vertegenwoordigers: G. Berrisch, Rechtsanwalt, B. Byrne, Solicitor)
Andere partijen in de procedure: Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd, Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 29 januari 2014 in zaak T-528/09 vernietigen;
—
het eerste onderdeel van het derde middel in eerste aanleg afwijzen;
—
de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor het overige van de vordering;
—
Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd verwijzen in de kosten van rekwirantes in hogere voorziening en in de procedure voor het Gerecht in zaak T-528/09.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van drie onjuiste rechtsopvattingen.
Ten eerste heeft het Gerecht artikel 3, lid 7, van de antidumpingbasisverordening (1) onjuist uitgelegd door te oordelen dat de instellingen niet in aanmerking mochten nemen dat de situatie van een ongewoon hoge vraag waarschijnlijk zou eindigen en bij een „normaal” niveau van de vraag de werkelijk schadelijke effecten van de invoer met dumping zouden blijken, en dat de instellingen de effecten van een inkrimping van de vraag hadden toegeschreven aan de invoer met dumping.
Ten tweede heeft het Gerecht artikel 3, lid 9, van de antidumpingbasisverordening onjuist toegepast en artikel 6, lid 1, van deze verordening geschonden door de bestreden verordening (2) nietig te verklaren op grond dat de prognoses van de Commissie in de voorlopige verordening over de waarschijnlijke ontwikkeling van de invoer met dumping, in termen van volume en prijzen, niet volledig zouden overeenstemmen met de gegevens inzake het tijdvak na het onderzoektijdvak.
Ten derde heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de instellingen blijk hadden gegeven van een kennelijk onjuiste opvatting en heeft het de grenzen van het rechterlijk toezicht niet in acht genomen.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1), vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (gecodificeerde versie) (PB L 343, blz. 51).
(2) Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 262, blz. 19).
Full & Egal Universal Law Academy