7.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 212/17
Hogere voorziening ingesteld op 15 april 2014 door de Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 29 januari 2014 in zaak T-528/09, Huybei Xinyegang Steel Co. Ltd/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-193/14 P)
2014/C 212/19
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, B. O'Connor, solicitor, S. Gubel, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd, Europese Commissie, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s., ArcelorMittal Tubular Products Roman SA, Benteler Deutschland GmbH, voorheen Benteler Stahl//Rohr GmbH, Ovako Tube & Ring AB, Rohrwerk Maxhütte GmbH, Dalmine SpA, Silcotub SA, TMK-Artrom SA, Tubos Reunidos, SA, Vallourec Oil and Gas France, voorheen Vallourec Mannesmann Oil & Gas France, Vallourec Tubes France, voorheen V & M France, Vallourec Deutschland GmbH, voorheen V & M Deutschland GmbH, voestalpine Tubulars GmbH, Železiarne Podbrezová a.s.
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Tweede kamer) van 29 januari 2014 in zaak T-528/09, Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd/Raad van de Europese Unie, vernietigen;
—
het eerste onderdeel van het derde middel van verzoeksters in eerste aanleg ongegrond verklaren;
—
de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing betreffende de overige middelen, voor zover de feiten door het Gerecht niet werden vastgesteld;
—
Hubei verwijzen in de kosten van de Raad in eerste aanleg en in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
De Raad betoogt dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd op de volgende gronden:
—
ten eerste heeft het Gerecht artikel 3, lid 5, van de antidumpingbasisverordening (1) geschonden en heeft het aan hem overgelegde bewijsmateriaal verdraaid, voor zover het een selectieve en onvolledige beoordeling heeft gemaakt van de bij wet vereiste elementen om vast te stellen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap kwetsbaar was aan het eind van het onderzoektijdvak;
—
ten tweede heeft het Gerecht artikel 3, lid 7, van de antidumpingbasisverordening onjuist uitgelegd en toegepast met betrekking tot de te voorziene instorting van de vraag;
—
ten derde heeft het Gerecht artikel 3, lid 9, van de antidumpingbasisverordening onjuist uitgelegd wat de analyse van dreigende schade betreft;
—
ten vierde heeft het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden door zijn eigen beoordeling van de in aanmerking te nemen economische factoren in de plaats te stellen van die van de instellingen van de Unie.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1), vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (gecodificeerde versie) (PB L 343, blz. 51).
Full & Egal Universal Law Academy