25.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/17
Hogere voorziening ingesteld op 7 mei 2014 door Lidl Stiftung & Co. KG tegen het arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 27 februari 2014 in zaak T-226/12, Lidl Stiftung & Co. KG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-224/14 P)
2014/C 282/23
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Lidl Stiftung & Co. KG (vertegenwoordigers: M. Wolter, M. Kefferpütz, A. K. Marx, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 27 februari 2014 (zaak T-226/12) vernietigen;
—
in het geval dat de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, de beslissing van de eerste kamer van beroep van 21 maart 2012 (R 2380/2010-1) vernietigen, zoals gevorderd in de procedure voor het Gerecht;
—
het BHIM als verweerder in de procedure voor het Gerecht verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en van de procedure in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Met de vordering in hogere voorziening voert Lidl Stiftung & Co. KG drie middelen aan tegen het bestreden arrest:
1)
schending van artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 (1) en regel 22, leden 3 en 4, van verordening nr. 2868/95 (2) juncto artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009 doordat het Gerecht de vereisten voor bewijs van normaal gebruik van het oppositiemerk in de zin van deze bepalingen onjuist heeft uitgelegd;
2)
schending van artikel 15, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 doordat het Gerecht de vereisten om het gebruik van het oppositiemerk in een andere vorm dan de vorm waarin het is ingeschreven te beschouwen als normaal gebruik in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009, onjuist heeft uitgelegd;
3)
schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 doordat het Gerecht de vereisten inzake de beoordeling van het verwarringsgevaar onjuist heeft uitgelegd.
De voornaamste argumenten kunnen als volgt worden samengevat:
Wat het eerste middel betreft, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de kamer van beroep drie ongedateerde foto’s samen met enkele facturen terecht had beschouwd als degelijk en objectief bewijs dat volstond om normaal gebruik van het oppositiemerk te bewijzen, inzonderheid wat de aard van het gebruik betreft.
Wat het tweede middel betreft, is het Gerecht voorbijgegaan aan het uitzonderlijke karakter van artikel 15, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009, dat — vanwege de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid — een strikte en enge uitlegging en een beoordeling van alle elementen van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven, vereist. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de bevestiging van de vaststelling van de kamer van beroep dat de gebruikte vorm van het merk normaal gebruik had gevormd omdat deze het onderscheidend vermogen van het oppositiemerk in de vorm waarin het was ingeschreven niet wijzigde, aangezien de kamer van beroep geen rekening had gehouden met alle elementen van het oppositiemerk.
Wat het derde middel betreft, heeft het Gerecht artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 onjuist uitgelegd, doordat het bij zijn beoordeling van de vaststellingen van de kamer van beroep inzake de overeenstemming van de tekens en het verwarringsgevaar niet afdoende ermee rekening heeft gehouden dat, ten eerste, in de betrokken zaak het aandachtsniveau van het relevante publiek vrij hoog is, ten tweede, de gemiddelde consument een merk gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet let op de verschillende details ervan, en, ten derde, enkel wanneer alle andere bestanddelen van het merk verwaarloosbaar zijn, de overeenstemming van de tekens kan worden beoordeeld enkel op basis van het dominerende bestanddeel. Indien met deze aspecten correct rekening was gehouden, had geen verwarringsgevaar kunnen worden vastgesteld.
Aangezien het bestreden arrest bijgevolg niet in overeenstemming is met de bepalingen van verordening nr. 207/2009, vordert Lidl Stiftung & Co. KG dat het wordt vernietigd.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB L 303, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy