25.8.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/20
Hogere voorziening ingesteld op 30 mei 2014 door Buzzi Unicem SpA tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 14 maart 2014 in zaak T-297/11, Buzzi Unicem SpA/Europese Commissie
(Zaak C-267/14 P)
2014/C 282/26
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Buzzi Unicem SpA (vertegenwoordigers: C. Osti, A. Prastaro en A. Sodano, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de litigieuze beschikking in haar geheel nietig verklaren omdat zij niet dan wel ontoereikend is gemotiveerd en daardoor het recht van verweer van de onderneming alsmede het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden;
—
de litigieuze beschikking in haar geheel nietig verklaren wegens bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van bevoegdheid met als gevolg een omkering van de bewijslast;
—
de litigieuze beschikking geheel of gedeeltelijk nietig verklaren wegens overschrijding van de bij artikel 18 [van verordening nr. 1/2003] aan de Commissie verleende bevoegdheden, wegens schending van evenredigheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur, wegens het ontbreken van een voorafgaande contradictoire procedure in strijd met de Best Practices van de Commissie;
—
het bestreden arrest vernietigen voor zover daarbij Buzzi Unicem is verwezen in de kosten van de zaak in eerste aanleg;
—
de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening en die in verband met zaak T-297/11.
Middelen en voornaamste argumenten
A.
Eerste middel — onjuiste rechtsopvatting, geen dan wel ontoereikende motivering met betrekking tot de argumenten dat de rechten van verweer en het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden
Met het eerste middel betoogt Buzzi Unicem dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat het niet dan wel ontoereikend is gemotiveerd voor zover daarin tot de slotsom wordt gekomen dat de algemene verwijzing in het besluit tot inleiding van de procedure naar vermoedelijke inbreuken een toereikende grond is voor het verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, lid 3, waardoor is voldaan aan de „minimale mate aan duidelijkheid” die deze bepaling vereist met betrekking tot voorwerp en het doel van het verzoek.
B.
Tweede middel — kennelijk onjuiste beoordeling en onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het argument dat de Commissie haar bevoegdheid heeft overschreden en misbruikt en met betrekking tot de daaruit voortvloeiende omkering van de bewijslast
Met het tweede middel betoogt Buzzi Unicem dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling en een onjuiste rechtsopvatting daar het het middel heeft afgewezen betreffende misbruik van bevoegdheid door de Commissie wegens het gebruik van het verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18 van verordening nr. 1/2003 (1) hoewel er geen aanwijzingen bestonden voor een schending, voor zover het Gerecht heeft uiteengezet dat Buzzi Unicem geen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek had gedaan op grond waarvan had kunnen worden onderzocht of er voldoende aanwijzingen bestonden en voor zover het de betwiste omkering van de bewijslast zonder enige motivering heeft afgewezen.
C.
Derde middel — Onjuistheid betreffende de feiten en het recht, incoherentie van de motivering met betrekking tot de aangevoerde bevoegdheidsoverschrijding gelet op artikel 18 van verordening nr. 1/2003
Met het derde middel voert Buzzi Unicem aan dat de beginselen betreffende de plichten van de ondernemingen tot samenwerking verkeerd zijn toegepast, daar ervan is uitgegaan dat de Commissie de ondernemingen mocht verplichten te antwoorden op niet louter feitelijke vragen, op verzoeken om inlichtingen waarvan de Commissie wist dat de onderneming daarover niet beschikte en om bijkomende informatie die de Commissie zelf had kunnen verkrijgen.
D.
Vierde middel — Onjuiste rechtsopvatting en motiveringsgebrek met betrekking tot de argumenten inzake schending van het evenredigheidsbeginsel en bevoegdheidsoverschrijding met betrekking tot artikel 18
Met het vierde middel betoogt rekwirante dat het bestreden arrest blijk geeft van een motiveringsgebrek en een onjuiste rechtsopvatting in verband met de schending van het evenredigheidsbeginsel en de daaruit voortvloeiende bovenmatige last voor partijen als gevolg van de verzoeken om inlichtingen, de herhaling en herformulering ervan, het voorstel tot nieuwe variabelen en verzoeken, de weigering om de te verstrekken inlichtingen te beperken en de keuze om middels een beschikking ook om reeds eerder verstrekte inlichtingen te verzoeken.
E.
Vijfde middel — Onjuiste rechtsopvatting en motiveringsgebrek met betrekking tot de schending van de Best practices van de Commissie en de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
Met het vijfde middel betoogt Buzzi Unicem dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting daar het heeft geoordeeld dat de Best Practices van de Commissie voor haar niet bindend zijn wanneer zij nadat zij heeft besloten ondernemingen te verzoeken hun standpunt te geven op een ontwerpbeschikking overeenkomstig artikel 18, lid 3, vervolgens helemaal geen rekening houdt met de ontvangen standpunten en de tekst van de definitieve beschikking aanzienlijk wijzigt. Tevens is er sprake van een motiveringsgebrek met betrekking tot de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur door de Commissie wegens de wijze waarop zij de bevoegdheid tot het verzoeken om inlichtingen heeft uitgeoefend.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy