29.9.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 339/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Juzgado de lo Social no 33 de Barcelona (Spanje) op 22 juli 2014 — Estrella Rodríguez Sanchez/Consum Sociedad Cooperativa Valenciana
(Zaak C-351/14)
2014/C 339/13
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social no 33 de Barcelona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Estrella Rodríguez Sanchez
Verwerende partij: Consum Sociedad Cooperativa Valenciana
Prejudiciële vragen
1.
Valt de rechtsbetrekking van een werkend lid van een werknemerscoöperatie zoals geregeld in artikel 80 van de Ley 27/99 de Cooperativas en artikel 89 van de Ley 8/2003 de Cooperativas de la Comunidad Valenciana, die in de nationale wetgeving en rechtspraak als „vennootschapsrechtelijk” wordt gekwalificeerd maar gemeenschapsrechtelijk als „arbeidsrechtelijk” zou kunnen worden beschouwd, binnen de werkingssfeer van de op de „herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof” betrekking hebbende richtlijn 2010/18 (1), zoals die is omschreven in clausule 1, lid 2, van deze raamovereenkomst?
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst subsidiair een tweede vraag.
2.
Moet clausule 8, lid 2, van de „herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof” (richtlijn 2010/18) en met name de bepaling volgens welke „[d]e tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze overeenkomst [...] geen reden [is] om een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op het door deze overeenkomst bestreken gebied te rechtvaardigen” aldus worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat richtlijn 2010/18 niet uitdrukkelijk omzet in nationaal recht, de beschermingsomvang die deze lidstaat heeft vastgesteld bij de omzetting van de daaraan voorafgaande richtlijn 96/34 (2) niet kan worden verminderd?
Enkel indien op een van die twee vragen bevestigend wordt geantwoord, en richtlijn 2010/18 dus wordt geacht van toepassing te zijn op een rechtsbetrekking van een werkend lid zoals verzoekster, zijn de volgende vragen om de hieronder uiteengezette redenen gerechtvaardigd.
3.
Moet clausule 6 van de nieuwe, in richtlijn 2010/18 opgenomen „herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof” aldus worden uitgelegd dat de nationale omzettingsbepaling of -overeenkomst de werkgevers uitdrukkelijk de verplichting moet opleggen om aanvragen van hun werknemers voor „aangepaste werktijden en -patronen” bij de terugkeer uit ouderschapsverlof „te beoordelen” en daarop „te reageren”, daarbij rekening houdend met de behoeften van zowel de werkgever als de werknemers, zonder dat kan worden voldaan aan de omzettingsverplichting door nationale wettelijke of bedrijfsvoorschriften vast te stellen die de doeltreffendheid van dat recht volledig laten afhangen van de eigen inzichten van de werkgever om die aanvragen al dan niet in te willigen?
4.
Moet worden aangenomen dat clausule 6 [van de] „herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof” — in het licht van artikel 3 van [...] richtlijn [2010/18] en de „slotbepalingen” van clausule 8 van de overeenkomst — in geval van niet-omzetting als communautaire minimumbepaling „rechtstreekse horizontale” werking heeft?
(1) Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (PB L 68, blz. 13).
(2) Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB L 145, blz. 4).
Full & Egal Universal Law Academy