29.9.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 339/15
Hogere voorziening ingesteld op 31 juli 2014 door Toshiba Corporation tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 21 mei 2014 in zaak T-519/09, Toshiba Corporation/Europese Commissie
(Zaak C-373/14 P)
2014/C 339/18
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Toshiba Corporation (vertegenwoordigers: J. F. MacLennan, solicitor, A. Schulz, Rechtsanwalt, en J. Jourdan en P. Berghe, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van 21 mei 2014 in zaak T-519/09, Toshiba Corporation/Europese Commissie, te vernietigen, voor zover haar verzoek om nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van de beschikking van de Europese Commissie in zaak COMP/39.129 — Energietransformators daarbij is afgewezen, en die beschikking nietig te verklaren;
—
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening in overeenstemming met de rechtsopvatting van het Hof, en
—
hoe dan ook, haar kosten te laten vergoeden, met inbegrip van de kosten die zij voor het Gerecht heeft gemaakt.
Middelen en voornaamste argumenten
Toshiba Corporation (hierna: „Toshiba”) komt op tegen het arrest van het Gerecht van 21 mei 2014 in zaak T-519/09, Toshiba Corporation/Europese Commissie (hierna: „bestreden arrest”), waarbij alle middelen zijn afgewezen van haar vordering om nietigverklaring van de beschikking van de Europese Commissie in zaak COMP/39.129 — Energietransformators en zij is verwezen in de kosten. In de onderhavige hogere voorziening betoogt Toshiba dat het Gerecht blijk heeft gegeven van de volgende onjuiste rechtsopvattingen:
—
Eerste middel: Toshiba voert aan dat het Gerecht op basis van een onjuist juridisch criterium tot de vaststelling is gekomen dat de Japanse fabrikanten van energietransformators potentiële concurrenten op de EER-markt waren (1) aangezien er op de EER-markt geen onoverkomelijke toetredingsdrempels bestonden en (2) aangezien er een gentlemen’s agreement bestond. Het Gerecht had echter moeten nagaan of de Japanse producenten reële en concrete mogelijkheden hadden om toe te treden tot de EER-markt en had zich ervan moeten vergewissen dat een dergelijke toetreding voor hen economisch haalbaar was. Aangezien het uitgesloten is dat Japanse en Europese producenten met elkaar zouden kunnen concurreren, kon het gentlemen’s agreement niet in strijd zijn met artikel 81 EG en mocht de Commissie dus geen verder gevolg geven aan deze zaak. Derhalve moet het bestreden arrest worden vernietigd en de litigieuze beschikking nietig worden verklaard, voor zover zij Toshiba betreffen.
—
Tweede middel: Toshiba betoogt dat het Gerecht de inhoud van een brief waarin een andere partij in de procedure stelde dat zij de vaststellingen van de Commissie niet zou betwisten, onjuist heeft weergegeven. De Commissie was van mening dat die partij in deze brief afstand had genomen van haar vroegere stellingen, volgens welke zij niets had verkocht in de EER. Dat is echter een onjuiste voorstelling van het bewijs, waarop het Gerecht zich vervolgens heeft gebaseerd om te besluiten dat in de EER-markt geen onoverkomelijke toetredingsdrempels bestonden. Toshiba betoogt om die reden dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en de litigieuze beschikking nietig moet worden verklaard.
—
Derde middel: Toshiba betoogt dat het Gerecht het bestreden arrest op tegenstrijdige wijze heeft gemotiveerd, niet het juiste juridische criterium inzake publieke distantiëring heeft toegepast en het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid heeft geschonden door te oordelen dat het argument van Toshiba betreffende het feit dat zij niet had deelgenomen aan de vergadering van Zürich in 2003 „niet ter zake dienend” was. Derhalve moet het bestreden arrest worden vernietigd en de litigieuze beschikking nietig worden verklaard, voor zover daarbij is vastgesteld dat Toshiba tot in mei 2003 was blijven deelnemen aan het gentlemen’s agreement.
—
Vierde middel: Toshiba betoogt dat het Gerecht punt 18 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten onjuist heeft uitgelegd, aangezien het het wereldwijde marktaandeel heeft gehanteerd als maatstaf voor het aandeel van elk der partijen in de inbreuk. Derhalve moet het bestreden arrest worden vernietigd en de litigieuze beschikking nietig worden verklaard, voor zover Toshiba’s geldboete daarbij wordt berekend op basis van haar wereldwijde marktaandeel. De aan Toshiba opgelegde geldboete moet dienovereenkomstig worden verlaagd.
Full & Egal Universal Law Academy