10.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 395/24
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 7 augustus 2014 — Bundesagentur für Arbeit — Familienkasse Sachsen/Tomislaw Trapkowski
(Zaak C-378/14)
2014/C 395/29
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij in „Revision”: Bundesagentur für Arbeit — Familienkasse Sachsen
Verwerende partij in „Revision”: Tomislaw Trapkowski
Prejudiciële vragen
1)
Moet in het geval waarin een in een lidstaat (Duitsland) wonende persoon recht heeft op kinderbijslag voor kinderen die in een andere lidstaat (buitenland) wonen bij een andere, van deze persoon gescheiden wonende echtgenote, artikel 60, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 987/2009 (1) worden toegepast, zodat de fictie, op grond waarvan bij toepassing van de artikelen 67 en 68 van verordening nr. 883/2004 (2) rekening moet worden gehouden met de situatie van het gehele gezin, alsof alle betrokkenen — vooral wat het recht betreft om deze bijslag aan te vragen — onderworpen zijn aan de wetgeving van de betrokken lidstaat en er verblijven, tot gevolg heeft dat het recht op kinderbijslag uitsluitend toekomt aan de in de andere lidstaat (buitenland) wonende ouder, daar het nationale recht van de eerstgenoemde lidstaat (Duitsland) bepaalt dat in geval van meerdere rechthebbenden op kinderbijslag, de kinderbijslag toekomt aan de ouder bij wie het kind daadwerkelijk woont?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord:
Moet in de in de eerste vraag beschreven situatie artikel 60, lid 1, derde volzin, van verordening nr. 987/2009 aldus worden uitgelegd dat de in een lidstaat (Duitsland) wonende ouder recht heeft op kinderbijslag naar nationaal recht, daar de in de andere lidstaat (buitenland) wonende ouder geen kinderbijslag heeft aangevraagd?
3)
Indien de tweede vraag in de in de eerste vraag beschreven situatie aldus moet worden beantwoord dat het verzuim van de in een andere EU-lidstaat wonende ouder om kinderbijslag aan te vragen tot gevolg heeft dat het recht op kinderbijslag toekomt aan de op het nationale grondgebied wonende ouder:
Vanaf wanneer moet ervan worden uitgegaan dat een in een andere EU-lidstaat wonende ouder het recht op kinderbijslag niet „uitoefent” in de zin van artikel 60, lid 1, derde volzin, van verordening nr. 987/2009, zodat deze kinderbijslag toekomt aan de op het nationale grondgebied wonende ouder?
(1) Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy