20.10.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 372/7
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Eparchiako Dikastirio Larnakas (Cyprus) op 18 augustus 2014 — Astinomikos Diefthindis Larnakas/Masoud Mehrabipari
(Zaak C-390/14)
2014/C 372/10
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Eparchiako Dikastirio Larnakas
Partijen in het hoofdgeding
Vervolgende autoriteit: Astinomikos Diefthindis Larnakas
Strafzaak tegen: Masoud Mehrabipari
Prejudiciële vragen
1)
Kunnen de artikelen 15 en 16 van richtlijn 2008/115/EG (1), in het licht van de beginselen van loyale samenwerking, het nuttig effect van richtlijnen, en van evenredigheid, adequaatheid en gegrondheid van de straf, aldus worden uitgelegd dat vervolging kan worden ingesteld op basis van een nationale regeling die dateert van vóór de omzetting (artikel 19[, lid 1, sub f en i, van de vreemdelingen- en immigratiewet, bekend als „hoofdstuk 105”]) jegens een onderdaan van een derde land wiens verblijf illegaal is en jegens wie tevergeefs dwangmaatregelen met het oog op verwijdering zijn opgelegd en die langer dan 18 maanden in bewaring is gehouden omdat hij niet over een paspoort beschikte en niet heeft meegewerkt met de autoriteiten aan de afgifte van een paspoort door zijn ambassade met het argument dat hij vreesde voor vervolging door de Iraanse autoriteiten?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan de vervolging worden ingesteld onmiddellijk na het verstrijken van de maximale termijn voor bewaring van 18 maanden met het oog op uitwijzing, met als gevolg dat de onderdaan van een derde land wiens verblijf illegaal is, niet in vrijheid wordt gesteld en zijn bewaring in afwachting van de strafprocedure voortduurt indien de rechter dat noodzakelijk acht vanwege het gevaar dat hij verstek laat gaan?
3)
Wat wordt bedoeld met de zinsnede dat de betrokken onderdaan van een derde land „niet meewerkt” in de zin van artikel 15, [lid 6, sub a,] van richtlijn 2008/115 en inzonderheid, kan dit begrip samenvallen met bepalingen van nationaal recht (artikel 19[, lid 1, sub f en i, van de vreemdelingen- en immigratiewet, bekend als „hoofdstuk 105”]) waarbij elke weigering „het diensthoofd enig document over te leggen waarom deze heeft verzocht” en elke „vorm van verzet of belemmering, actief of passief, jegens enig diensthoofd in de uitoefening van zijn functies” wegens nalaten een paspoort over te leggen met strafrechtelijke sancties worden bedreigd, terwijl tegelijkertijd niet is aangegeven wat de autoriteiten bij de autoriteiten van het land van herkomst hebben ondernomen om de verwijdering van de onderdaan van het derde land tot een goed einde te brengen?
(1) Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98).
Full & Egal Universal Law Academy