10.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 395/25
Hogere voorziening ingesteld op 28 augustus 2014 door Intel Corporation tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer — uitgebreid) van 12 juni 2014 in zaak T-286/09, Intel Corporation/Europese Commissie
(Zaak C-413/14 P)
2014/C 395/31
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Intel Corporation (vertegenwoordigers: D. M. Beard QC, en A. N. Parr en R. W. Mackenzie, Solicitors)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie
Association for Competitive Technology, Inc.,
Union fédérale des consommateurs — Que choisir (UFC — Que choisir)
Conclusies
—
gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden arrest;
—
gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze beschikking;
—
intrekking of aanzienlijke verlaging van de opgelegde geldboete;
—
subsidiair, terugverwijzing naar het Gerecht voor verdere afdoening overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van deze procedure en de procedure voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het eerste middel, dat uit drie onderdelen bestaat, stelt rekwirante dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van haar gedrag krachtens artikel 82 EG en artikel 54 van de EER-Overeenkomst:
Het Gerecht is tot de onjuiste conclusie gekomen dat het gedrag in kwestie intrinsiek de mededinging kon beperken en dus met artikel 82 EG en artikel 54 van de EER-Overeenkomst in strijd kon worden geacht, zonder dat alle relevante feiten en omstandigheden behoefden te worden onderzocht.
Het Gerecht is tot de onjuiste conclusie gekomen dat het voor het bewijs van een inbreuk op artikel 82 EG en artikel 54 van de EER-Overeenkomst volstaat dat het vermogen om de mededinging te beperken op grond van abstracte overwegingen wordt beoordeeld, in plaats van waarschijnlijke of daadwerkelijke gevolgen.
Het Gerecht is tot de onjuiste subsidiaire vaststelling gekomen dat het gedrag in kwestie de mededinging kon beperken, omdat het Gerecht ten onrechte is afgegaan op een aantal factoren die dat vermogen niet konden aantonen en een aantal relevante factoren die het in aanmerking had moeten nemen, terzijde heeft geschoven, zoals de marktdekking van de gedragingen, de duur van de vermeende gedragingen, actueel bewijs uit de markt dat de prijzen snel waren aan het dalen en dat geen afscherming heeft plaatsgevonden en de conclusies die daadwerkelijk konden worden getrokken uit de toets van de even efficiënte concurrent (EEC) die de Commissie tijdens de administratieve procedure heeft verricht.
Met het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht tot de onjuiste vaststelling is gekomen dat in de laatste twee jaar van de vermeende inbreukperiode een inbreuk heeft plaatsgevonden, omdat het betrokken gedrag in die jaren in het beste geval slechts 3,5 % van de relevante markt dekte.
Met het derde middel stelt rekwirante dat het Gerecht haar gedrag bij HP en Lenovo ten onrechte als „exclusiviteitskortingen” heeft gekwalificeerd, aangezien het gedrag slechts betrekking had op respectievelijk 28 % en 42 % (of minder) van de totale aankopen van het relevante product door elk van de klanten, hetgeen veel lager is dan „alle of de meeste” van de behoeften van de klanten.
Met het vierde middel stelt rekwirante dat het Gerecht de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en procedurele billijkheid heeft geschonden met betrekking tot een vijf uur durend interview dat de Commissie heeft afgenomen van een directeur met een sleutelpositie bij Dell over kwesties die in objectief verband stonden met het voorwerp van het onderzoek, gedurende hetwelk genoemde directeur van Dell zeer gedetailleerde toelichtingen heeft gegeven. Het Gerecht is tot de onjuiste conclusie gekomen dat de Commissie kon volstaan met inzage in alleen de lijst van onderwerpen die tijdens het interview aan de orde zijn gekomen, anders dan een opname of samenvatting van hetgeen de geïnterviewde met betrekking tot die onderwerpen heeft verteld. Het Gerecht is ook tot de onjuiste conclusie gekomen dat het aan rekwirante stond om bewijs over te leggen waaruit op het eerste zicht bleek dat de Commissie heeft verzuimd om ontlastend bewijs te registreren; bij een juist begrip hoefde rekwirante alleen aan te tonen dat niet kon worden uitgesloten dat zij het materiaal voor haar verweer had kunnen gebruiken, een last waaraan zij in de onderhavige zaak klaarblijkelijk heeft voldaan.
Met het vijfde middel, dat uit drie onderdelen bestaat, stelt rekwirante dat het Gerecht tot de onjuiste vaststelling is gekomen dat de Gemeenschap bevoegd was ter zake van Intel’s contract met Lenovo in 2006 en 2007:
Het Gerecht is tot de onjuiste conclusie gekomen dat deze praktijk binnen de EER is „toegepast”, aangezien Intel niet uit hoofde van dat contract producten aan Lenovo heeft verkocht in EER.
Het Gerecht is tot de onjuiste conclusie gekomen dat het criterium van de „gekwalificeerde gevolgen” een gepaste grondslag was voor de bevoegdheid van de Gemeenschap ter zake van het gedrag in kwestie.
Het Gerecht heeft het criterium van de „gekwalificeerde gevolgen” onjuist toegepast, aangezien het niet voorzienbaar was dat Intel’s contracten met Lenovo voor x86 CPU’s voor levering aan China onmiddellijke en aanzienlijke gevolgen binnen de EER zouden hebben.
Met het zesde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stelt rekwirante dat het Gerecht meerdere fouten bij de berekening van het bedrag van de opgelegde geldboete heeft begaan:
De geldboete was kennelijk onredelijk.
Het Gerecht heeft fundamentele beginselen van het Unierecht geschonden door toepassing van de boeterichtsnoeren van 2006 op gedrag dat van vóór die richtsnoeren dateert.
Full & Egal Universal Law Academy