12.1.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 7/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 20 oktober 2014 — Gemeente Cropia-Attica/Minister van Milieu, Energie en Klimaatverandering
(Zaak C-473/14)
(2015/C 007/19)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Symvoulio tis Epikrateias
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Gemeente Cropia-Attica
Verwerende partij: Minister van Milieu, Energie en Klimaatverandering
Prejudiciële vragen
1)
Vormt het bestemmingsplan voor een hoofdstedelijke agglomeratie, waarin de algemene doelen, beleidslijnen en programma’s voor de ruimtelijke en stedelijke ordening zijn vastgesteld van een ruimer gebied van die agglomeratie, en waarin meer in het bijzonder, als specifiek doel ervan de bescherming van de omliggende bergmassieven alsmede het aan banden leggen van stadsuitbreiding zijn vastgelegd, al dan niet een passend plan op grond waarvan de bestuurlijke autoriteiten ervan mogen afzien om de procedure voor strategische milieubeoordeling als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 2001/42/EG (1) (PB L 197), zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van de Europese Unie van 22 maart 2012, C-567/10, Inter Environnement Bruxelles e.a., punt 42, te volgen voor een plan dat naderhand wordt vastgesteld bij een besluit op basis van een grondslag daarvoor in de wet, waarin genoemd bestemmingsplan is opgenomen en waarbij beschermingszones zijn omschreven voor een van bovengenoemde bergmassieven en de aldaar toegestane gebruiksvormen en activiteiten zijn bepaald, teneinde de doelen van bescherming van de bergmassieven en het aan banden leggen van stadsuitbreiding te concretiseren en uit te voeren?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan, in het geval waarin er, vanwege het tijdstip van de vaststelling van een specificerend ruimtelijkeordeningsplan in het kader van een hiërarchische orde van handelingen inzake ruimtelijke ordening, geen strategische milieubeoordeling als bedoeld in bovengenoemde richtlijn 2001/42/EG heeft plaatsgevonden, al dan niet een dergelijke beoordeling worden gemaakt bij de vaststelling, op een tijdstip waarop de richtlijn van toepassing was, van een handeling ter nadere invulling van dat plan?
3)
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, kan een besluit — dat bepalingen bevat inzake beschermingsmaatregelen en toegestane activiteiten en gebruiksvormen in een zone die onderdeel vormt van het nationale deel van het NATURA netwerk als GCB (gebied van communautair belang), SIZ (speciale instandhoudingszone) en SBZ (speciale beschermingszone) en indien middels die bepalingen een absolute natuurbeschermingsstatus wordt ingevoerd die alleen de installatie van brandpreventievoorzieningen, installaties voor bosbeheer en wandelpaden toestaat, maar uit de voorbereidende handelingen voor de vaststelling van die bepalingen niet volgt dat rekening was gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor die zones, dat wil zeggen de bijzondere milieukenmerken ervan op grond waarvan zij zijn opgenomen in het NATURA-netwerk, terwijl in de betrokken zone, op basis van die bepalingen, nog steeds activiteiten plaatsvinden die thans niet langer zijn toegestaan, louter omdat zij verenigbaar waren met het eerdere beschermingsstelsel — dan al dan niet worden aangemerkt als een beheersplan in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG (2) (PB L 206), vóór de vaststelling waarvan er geen verplichting bestond om de strategische milieubeoordeling te maken volgens die bepaling juncto artikel 3, lid 2, sub b, van bovengenoemde richtlijn 2001/42/EG?
4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of het — wanneer een handeling van ruimtelijke ordening is vastgesteld voor een ruimer gebied als één geheel, waarvoor in beginsel krachtens artikel 3, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/42/EG juncto artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG een strategische milieubeoordeling moet worden gemaakt, die echter niet is gemaakt, en indien wordt geconstateerd dat, overeenkomstig de later vastgestelde regelingen inzake de toegestane gebruiksvormen en activiteiten en die niet een eenvoudig beheersplan vormen, een voorafgaande milieubeoordeling enkel voor bepaalde zones van dat gebied had moeten worden gemaakt maar niet voor het grootste deel ervan, omdat de vaststelde regeling voor laatstbedoelde zones een beheersplan vormt waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/42/EG juncto artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG een dergelijke beoordeling niet vereist is, — al dan niet redelijk is, in de zin van richtlijn 2001/42/EG, om alleen met betrekking tot de delen die betrekking hebben op de zones waarvoor de voorafgaande milieubeoordeling vereist is — volgens de nieuwe regeling –, de betrokken bepalingen ongeldig te verklaren en de gehele regeling alleen in zoverre in te trekken, met als verder gevolg, na de gedeeltelijke intrekking ervan, dat de strategische milieubeoordeling alleen dient te worden verricht voor die zones en niet voor het gehele gebied?
(1) Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s.
(2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Full & Egal Universal Law Academy