13.4.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 118/12
Hogere voorziening ingesteld op 25 november 2014 door Debonair Trading Internacional Lda tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 23 september 2014 in zaak T-341/13, Groupe Léa Nature SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-537/14 P)
(2015/C 118/16)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Debonair Trading Internacional Lda (vertegenwoordigers: D. Selden, advocate, T. Alkin, barrister)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en Groupe Léa Nature SA
Conclusies
—
het arrest houdende vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het BHIM te vernietigen;
—
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht met de precisering dat moet worden geoordeeld dat de betrokken merken overeenstemmen;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Gerecht als die voor het Hof.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Rekwirante onderbouwt haar hogere voorziening met twee middelen die zijn ontleend aan schending van artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 (1). Zij stelt in hoofdzaak dat het Gerecht bij het onderzoek van de betrokken merken vaste rechtspraak niet heeft toegepast, waardoor het ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokken merken volledig verschillen.
2.
Ten eerste heeft het Gerecht geconstateerd dat de betrokken merken fonetisch overeenstemmen door het gemeenschappelijke bestanddeel „so”, zodat het had moeten vaststellen dat sprake is van globale overeenstemming tussen deze merken, althans in dat opzicht. Door te oordelen dat de merken ondanks dit gemeenschappelijke fonetische bestanddeel verschillen, is het Gerecht voorbij gegaan aan vaste rechtspraak betreffende de aard en de mate van overeenstemming die vereist zijn in het kader van de toepassing van artikel 8, lid 1, onder b), en lid 5, van verordening nr. 207/2009.
3.
Ten tweede had het Gerecht, aangezien het had geconstateerd dat de betrokken merken fonetisch overeenstemmen, moeten vaststellen dat deze merken ook visueel overeenstemmen, in wezen om dezelfde redenen [en die merken dus — a fortiori — overeenstemmen in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), en lid 5, van verordening nr. 207/2009]. Door te oordelen dat de merken ondanks het gemeenschappelijke visuele bestanddeel „so” in visueel opzicht verschillen, is het Gerecht voorbij gegaan aan vaste rechtspraak betreffende de beoordeling van de visuele indruk die door een dergelijk bestanddeel wordt gewekt in merken.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy