2.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 73/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad (Bulgarije) op 3 december 2014 — Strafzaak tegen Atanas Ognyanov
(Zaak C-554/14)
(2015/C 073/17)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad
Partijen in het hoofdgeding
Gevonniste persoon: Atanas Ognyanov
Andere partij in de procedure: Openbare aanklager bij de Sofiyska gradska prokuratura
Prejudiciële vragen
1)
Laten de bepalingen van kaderbesluit 2008/909/JBZ het toe dat de tenuitvoerleggingsstaat in de overbrengingsprocedure de duur van de door de beslissingsstaat opgelegde sanctie „vrijheidsbeneming” als volgt verkort op grond van arbeid die is verricht gedurende het ondergaan van deze sanctie in de beslissingsstaat:
A)
De verkorting van de sanctie is het gevolg van de toepassing, op grond van artikel 17, lid 1, [van het kaderbesluit], van het recht van de tenuitvoerleggingstaat op de tenuitvoerlegging van de sanctie. Laat deze bepaling het toe dat het tenuitvoerleggingsrecht van de tenuitvoerleggingsstaat reeds in de overbrengingsprocedure wordt toegepast op omstandigheden die zich hebben voorgedaan gedurende de periode waarin de gevonniste persoon aan de rechtsmacht van de beslissingsstaat was onderworpen (namelijk op tijdens de detentie in de penitentiaire inrichting van de beslissingsstaat verrichte arbeid)?
B)
De verkorting van de sanctie vindt plaats op grond van de aftrek overeenkomstig artikel 17, lid 2, [van het kaderbesluit]. Laat deze bepaling de aftrek van een periode toe die langer is dan de volgens het recht van de beslissingsstaat vastgestelde duur van de detentie, indien het recht van de tenuitvoerleggingsstaat wordt toegepast en daardoor de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de beslissingsstaat (namelijk de in de penitentiaire inrichting van de beslissingsstaat verrichte arbeid) opnieuw juridisch worden beoordeeld?
2)
Ingeval deze of andere bepalingen van het kaderbesluit van toepassing zijn op de beschreven verkorting van de sanctie, moet dan de beslissingsstaat worden ingelicht over deze verkorting indien hij daar uitdrukkelijk om heeft verzocht, en dient de overbrengingsprocedure te worden gestaakt bij protest van zijn kant? Ingeval het bestaan van deze verplichting wordt bevestigd, hoe dient de beslissingsstaat dan te worden ingelicht: over het toepasselijke recht in algemene en abstracte zin, of over de concrete verkorting die de rechter bij de concreet gevonniste persoon zal toepassen?
Aanvullende vraag:
Mocht het Hof van Justitie van de Europese Unie oordelen dat de bepalingen vervat in artikel 17, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/909/JBZ het niet toelaten dat de tenuitvoerleggingsstaat op basis van zijn nationale recht de straf (vanwege in het buitenland verrichte arbeid) verkort, is in dat geval de beslissing van de nationale rechter om desondanks zijn nationale recht toe te passen omdat dit gunstiger is dan artikel 17 van kaderbesluit 2008/909/JBZ, in overeenstemming met het Europese recht?
Full & Egal Universal Law Academy