9.2.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 46/31
Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2014 door het Koninkrijk Zweden tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 25 september 2014 in zaak T-306/12, Darius Nicolai Spirlea en Mihaela Spirlea/Europese Commissie
(Zaak C-562/14 P)
(2015/C 046/37)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Koninkrijk Zweden (gemachtigde: C. Meyer-Seitz)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Darius Nicolai Spirlea en Mihaela Spirlea, Koninkrijk Denemarken, Republiek Finland, Tsjechische Republiek, Koninkrijk Spanje
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 25 september 2014 in zaak T-306/12;
—
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 21 juni 2012 waarbij het echtpaar Spirlea de toegang tot de gevraagde documenten is ontzegd;
—
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten die het Koninkrijk Zweden in verband met de procedure bij het Hof heeft gemaakt.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening heeft rekwirant drie middelen aangevoerd.
Met het eerste middel wordt gesteld dat het Gerecht artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (transparantieverordening) onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat de Commissie zich, bij het beroep op de uitzondering ter bescherming van onderzoeken, op een algemeen vermoeden mag baseren om de toegang te weigeren tot documenten betreffende een EU-pilot-procedure, voor zover die procedure een fase is die aan de eventuele inleiding van een beroep wegens niet-nakoming voorafgaat, en dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting toen ze de voormelde bepaling van de transparantieverordening aldus uitlegde dat zij het verzoek om toegang tot de gevraagde documenten betreffende een EU-pilot-procedure mocht afwijzen zonder de documenten concreet en individueel te onderzoeken.
Met het tweede middel wordt gesteld dat het Gerecht artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de transparantieverordening onjuist heeft uitgelegd door vast te stellen dat het oordeel van de Commissie dat er geen sprake was van een hoger openbaar belang als bedoeld in artikel 4, lid 2, in fine, van de transparantieverordening, geen gebreken vertoont.
Met het derde middel wordt gesteld dat het Gerecht het Unierecht onjuist heeft toegepast door te oordelen dat ook bij het onderzoek van zaken over de toepassing van de transparantieverordening geldt dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU de rechtmatigheid van de bestreden handeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie die bestonden op de datum waarop de handeling is vastgesteld.
(1) PB L 145, blz. 43.
Full & Egal Universal Law Academy