2.2.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 34/17
Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2014 door Raffinerie Heide GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 26 september 2014 in zaak T-631/13, Raffinerie Heide GmbH/Commissie
(Zaak C-564/14 P)
(2015/C 034/19)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Raffinerie Heide GmbH (vertegenwoordigers: U. Karpenstein en C. Eckart, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 september 2014;
—
nietigverklaring van besluit 2013/448/EU (1) van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad, voor zover in artikel 1, lid 1, juncto bijlage I, punt A, rekwirantes opneming in de in artikel 11 van richtlijn 2003/87/EG bedoelde lijst, alsook de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die rekwirantes installatie onder de identificatiecode DE 000000000000010 is toegewezen, werden afgewezen;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Met haar eerste middel laakt rekwirante de schending van haar procedurele rechten. In het bijzonder voert zij aan dat het Gerecht geen enkele aandacht heeft besteed aan verzoeksters belangrijkste punt van kritiek, namelijk dat de Commissie, zoals zij ter terechtzitting van het Gerecht heeft erkend, de haar door Duitsland voorgelegde gevallen van onbillijkheid niet individueel heeft onderzocht.
2.
Met haar tweede middel laakt rekwirante het feit dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat de communautaire emissiehandel bij voorbaat uitsluit dat rekening wordt gehouden met individuele gevallen van onbillijkheid. Aldus schendt het bestreden arrest de artikelen 11, lid 3, en 10a van richtlijn 2003/87/EG, alsook besluit 2011/278 van de Commissie.
3.
Met haar derde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht de verplichting van de Commissie tot een uitlegging in overeenstemming met de grondrechten heeft miskend en zo artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden.
4.
Het vierde middel laakt een procedurefout in de vorm van een verkeerde voorstelling van bewijsmateriaal, omdat het Gerecht de door rekwirante overgelegde bewijzen van een geval van onbillijkheid niet in zijn overwegingen heeft betrokken.
5.
Ten slotte schendt het Gerecht de in de artikelen 16 en 17 juncto artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde grondrechten. Het merkt besluit 2011/278 van de Commissie ten onrechte aan als in overeenstemming met de grondrechten en evenredig.
(1) Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissiecertificaten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, PB L 240, blz. 27.
(2) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/91/EG van de Raad, PB L 275, blz. 32.
Full & Egal Universal Law Academy