9.2.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 46/33
Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2014 door Romonta GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 26 september 2014 in zaak T-614/13, Romonta GmbH/Europese Commissie
(Zaak C-565/14 P)
(2015/C 046/39)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Romonta GmbH (vertegenwoordigers: I. Zenke, M.-Y. Vollmer, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 26 september 2014 in zaak T-614/13 vernietigen, en
—
besluit 2013/448/EU van de Europese Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), voor zover daarbij in artikel 1, lid 1, is geweigerd om verzoekster voor de derde handelsperiode voor de handel in emissierechten 2013-2020 op basis van de hardheidsclausule van § 9, lid 5, TEHG (2) rechten toe te wijzen, nietig verklaren;
—
subsidiair de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor definitieve afdoening;
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Eerste middel: schending van het Unierecht wegens onjuiste toepassing van het evenredigheidsbeginsel
Ten eerste is het arrest van het Gerecht in strijd met het Unierecht omdat het Gerecht besluit 2011/278/EU (3) ten onrechte heeft uitgelegd als zijnde definitief en bovendien dat besluit, eveneens ten onrechte, heeft aangemerkt als evenredig. Toewijzing op basis van hardheid is ook krachtens besluit 2011/278/EU mogelijk, aangezien sprake is van een geval van overmacht. Bovendien heeft het Gerecht bij de toetsing van de rechtmatigheid van besluit 2011/278/EU de rechtsgoederen onjuist tegen elkaar afgewogen, daar het de aan de bescherming van het milieu een hogere rang heeft toegekend dan aan het bestaan van rekwirante.
2.
Tweede middel: schending van het Unierecht wegens schending van de grondrechten van rekwirante
Het arrest is daarnaast in zoverre onjuist, dat het Gerecht met zijn beslissing de grondrechten van rekwirante, en met name artikel 15, lid 1, en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die de beroepsuitoefening en de eigendom beschermen, heeft geschonden. Het Gerecht gaat er ten onrechte van uit dat de wezenlijke inhoud van dit grondrecht niet is aangetast. Dit is evenwel niet het geval. Zonder toewijzing op basis van hardheid kan rekwirante namelijk noch haar activiteiten als producent van montaanwas voortzetten, noch haar installatie verder voor de extractie van montaanwas gebruiken.
3.
Derde middel: schending van het Unierecht wegens schending van het subsidiariteitsbeginsel
Ten derde is het arrest van het Gerecht in strijd met het Unierecht omdat het Gerecht er ten onrechte van uitgaat dat de Bondsrepubliek Duitsland voor het opstellen van een hardheidsnorm (§ 9, lid 5 TEHG) geen bevoegdheid bezit. Daarbij gaat het Gerecht er evenwel aan voorbij dat de Europese Commissie voor het opstellen van toewijzingsregels slechts bevoegd is voor zover zij haar bevoegdheid ook daadwerkelijk uitoefent. Atypische gevallen, zoals dat van rekwirante, vallen echter juist niet onder de regels van de Commissie. In zoverre blijft de regelgevende bevoegdheid bij de lidstaten.
4.
Vierde middel: schending van het procesrecht wegens ontoereikende of tegenstrijdige motivering
De argumenten van het Gerecht inzake de gevolgen van een hardheidsregeling, het door een toewijzing op basis van hardheid te verwachten verplaatsingseffect alsmede inzake de oorzaak van het concrete gevaar voor faillissement, zijn ontoereikend en tegenstrijdig, en derhalve in strijd met elementair procesrecht.
(1) PB L 240, blz. 27.
(2) Gesetz über den Handel mit Berechtigungen zur Emission von Treibhausgasen (Treibhausgas-Emissionshandelsgesetz — TEHG) (Duitse wet inzake de handel in broeikasgasemissierechten).
(3) Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 (PB L 130, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy