2.2.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 34/18
Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2014 door Jean-Charles Marchiani tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 10 oktober 2014 in zaak T-479/13, Marchiani/Parlement
(Zaak C-566/14 P)
(2015/C 034/20)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Jean-Charles Marchiani (vertegenwoordiger: C.-S. Marchiani, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement
Conclusies
—
nietig verklaren het arrest van het Gerecht (derde kamer) van 10 oktober 2014, Jean-Charles Marchiani/Europees Parlement in zaak T-479/13.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant vijf middelen aan.
In de eerste plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren, op rekwirant de teksten met uitvoeringsbepalingen voor het Statuut van de Europese afgevaardigden toe te passen. Het besluit van 4 juli 2013 is het resultaat van een onregelmatige procedure, wegens strijdigheid met het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement. Bovendien is dat besluit meer algemeen tot stand gekomen met schending van de beginselen van hoor en wederhoor en eerbiediging van de rechten van verweer.
In de tweede plaats berust de uitspraak van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting en een contradictie in de motivering, doordat wordt verwezen naar de regeling KVL ter rechtvaardiging van het litigieuze besluit van 4 juli 2013. Zo berust het besluit van 4 juli 2013 op een onjuiste toepassing van de in 2009 ingetrokken regeling KVL. Voorts heeft het Gerecht, dat zich aanvankelijk op de regeling KVL heeft gebaseerd, vervolgens iedere verwijzing naar die regeling achterwege gelaten en het in 2012 gepubliceerde financieel reglement van de Europese Unie als uitsluitende rechtsgrondslag vermeld.
In de derde plaats berust het arrest van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting doordat het de volle bewijslast bij rekwirant legt.
In de vierde plaats heeft het Gerecht zich schuldig gemaakt aan ernstige schending van het beginsel van onpartijdigheid, dat iedere instantie van de Europese Unie in de uitoefening van haar bevoegdheden in acht dient te nemen. Het Gerecht heeft namelijk geenszins rekening gehouden met de door de secretaris-generaal van het Europees Parlement, van wie het litigieuze besluit afkomstig is, voorheen uitgeoefende politieke functies.
Tot slot berust het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting doordat wordt aanvaard dat het besluit van 4 juli 2013 betrekking heeft op bedragen waarvan de inning hoe dan ook verjaard was. Doordat het Gerecht aldus de verjaringsregels onjuist heeft toegepast zijn het beginsel dat communautaire handelingen geen terugwerkende kracht hebben, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke termijn geschonden.
Full & Egal Universal Law Academy