16.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 89/5
Hogere voorziening ingesteld op 22 december 2014 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 24 oktober 2014 in zaak T-543/12, Grau Ferrer/BHIM — Rubio Ferrer (Bugui Va)
(Zaak C-597/14 P)
(2015/C 089/06)
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirant: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Palmero Cabezas en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Xavier Grau Ferrer, Juan Cándido Rubio Ferrer en Alberto Rubio Ferrer
Conclusies
—
vernietigen van het bestreden arrest;
—
geven van een nieuwe beslissing over de grond van de zaak, waarbij het beroep tegen de bestreden beslissing wordt afgewezen, of terugverwijzen van de zaak naar het Gerecht;
—
verwijzen in de kosten van verzoekster voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Het Gerecht heeft artikel 76, lid 2, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (1) en regel 50, lid 1, derde alinea, van de verordening tot uitvoering van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (2) geschonden door deze verordeningen in het onderhavige geval op basis van onjuiste beoordelingscriteria van toepassing te verklaren.
2.
Het Gerecht heeft artikel 76, lid 2, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk en regel 50, lid 1, derde alinea, van de verordening tot uitvoering van de verordening inzake het gemeenschapsmerk geschonden door zich te baseren op een onjuiste uitlegging van de draagwijdte van de uit die bepalingen resulterende beoordelingsbevoegdheid, met name door te oordelen dat de kamer van beroep over een dergelijke bevoegdheid beschikt, los van de vraag of het bij de voor het eerst aan haar overgelegde documenten al dan niet om nieuwe documenten gaat. De vraag of er in om het even welk geval, waaronder het geval waarin de tardief aan de kamer van beroep overgelegde documenten nieuwe documenten betreffen, sprake is van de beoordelingsbevoegdheid die de kamers van beroep ontlenen aan artikel 76, lid 2, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk en regel 50, lid 1, derde alinea, van de verordening tot uitvoering van de verordening inzake het gemeenschapsmerk, is een rechtskwestie die door het Hof van Justitie moet worden opgehelderd.
3.
Het Gerecht heeft artikel 15, lid 1, tweede alinea, onder a), van de verordening inzake het gemeenschapsmerk onjuist toegepast door te oordelen dat het oudere gemeenschapsmerk is gebruikt in een op onderdelen afwijkende vorm zonder dat het onderscheidend vermogen van het merk, zoals het is ingeschreven, wordt gewijzigd.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1)].
(2) Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB L 303, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy