2.3.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 73/17
Beroep ingesteld op 22 december 2014 — Bondsrepubliek Duitsland/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-600/14)
(2015/C 073/24)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en J. Möller, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit 2014/699/EU van de Raad van 24 juni 2014, voor zover dit betrekking heeft op de wijziging van artikel 12 van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF-basisverdrag) en van de aanhangsels B (uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen — CIM), D (uniforme regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer — CUV) en E (uniforme regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer — CUI) ervan (artikel 1 van het besluit juncto nummer 3, punten 4 [voor zover artikel 12 van het COTIF-basisverdrag in het geding is], 5, 7 en 12, van de bijlage ervan);
—
verwijzing van de Raad van de Europese Unie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Volgens de Bondsregering kennen de artikelen 91 VWEU en 218, lid 9, VWEU de Unie niet de bevoegdheid toe een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen over alle bepalingen die het voorwerp vormden van de beraadslaging en besluitvorming bij gelegenheid van de 25ste zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF. Door het besluit vast te stellen heeft de Raad daarom het in artikel 5, lid 2, eerste volzin, VEU neergelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling geschonden.
2.
Daarenboven lijdt het bestreden besluit aan motiveringsgebreken, omdat uit dit besluit onvoldoende duidelijk blijkt waarom de Unie bevoegd is een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen over alle bepalingen die het voorwerp vormden van de beraadslaging en besluitvorming tijdens de 25ste zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF.
3.
Bovendien heeft de Raad het beginsel van loyale samenwerking juncto het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming geschonden door de bestreden rechtshandeling pas één dag vóór het begin van de 25ste zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF vast te stellen. Daardoor werd de Bondsrepubliek Duitsland elke mogelijkheid ontnomen zich tijdig tot het Hof van Justitie te wenden om (voorlopige) rechtsbescherming tegen het bestreden besluit te verkrijgen.
Full & Egal Universal Law Academy