BESCHIKKING VAN DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF
12 juni 2014 ( *1 )
„Kort geding — Hogere voorziening — Verzoek tot opschorting van een verordening na een nietigverklaringsarrest — Dumping — Invoer van bepaald bladaluminium uit Armenië, Brazilië en China — Toetreding van Armenië tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) — Behandeling als marktgerichte onderneming — Artikel 2, lid 7, van verordening (EG) nr. 384/96 — Verenigbaarheid met de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) — Fumus boni juris — Spoedeisendheid — Ernstige en onherstelbare schade — Geen”
In zaak C‑21/14 P‑R,
betreffende een verzoek tot opschorting van de uitvoering en om voorlopige maatregelen krachtens de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU, ingediend op 2 april 2014,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, M. França en T. Maxian Rusche als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Rusal Armenal ZAO, gevestigd te Erevan (Armenië), vertegenwoordigd door B. Evtimov, advocaat,
verzoekster in eerste aanleg en in de onderhavige procedure,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert en J.‑P. Hix als gemachtigden, bijgestaan door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
geeft
DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal J. Kokott gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Met haar hogere voorziening, ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 16 januari 2014, heeft de Europese Commissie het Hof verzocht om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie Rusal Armenal/Raad (T‑512/09, EU:T:2013:571; hierna: „bestreden arrest”), waarbij verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 262, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”) nietig is verklaard voor zover zij betrekking heeft op Rusal Armenal ZAO (hierna: „Rusal Armenal”).
2
Die hogere voorziening tegen een arrest waarbij een verordening nietig is verklaard, heeft overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie als gevolg gehad dat de datum met ingang waarvan het bestreden arrest in werking treedt, is uitgesteld tot de datum van de eventuele afwijzing van die hogere voorziening, onverminderd het feit dat Rusal Armenal het Hof krachtens de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde verordening of om enige andere voorlopige maatregel.
3
Bij op 2 april 2014 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Rusal Armenal het Hof in wezen verzocht, de werking van de litigieuze verordening op te schorten.
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden arrest
4
Rusal Armenal is een sinds 2000 in Armenië gevestigde vennootschap die aluminiumproducten produceert en exporteert. Op 5 februari 2003 is de Republiek Armenië toegetreden tot de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 15 april 1994 te Marrakesh is ondertekend (PB L 336, blz. 3) en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1; hierna: „Overeenkomst tot oprichting van de WTO”).
5
Naar aanleiding van een op 28 mei 2008 ingediende klacht heeft de Commissie een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium uit Armenië, Brazilië en China ingeleid. Het bericht van inleiding van deze procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 12 juli 2008 (PB C 177, blz. 13).
6
Op 7 april 2009 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 287/2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 94, blz. 17) vastgesteld.
7
Op 24 september 2009 heeft de Raad van de Europese Unie de litigieuze verordening vastgesteld, waarbij hij in artikel 1, lid 2, van die verordening met name op de invoer van door Rusal Armenal geproduceerde aluminiumproducten een antidumpingrecht van 13,4 % op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring heeft ingesteld.
8
Bij op 21 december 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Rusal Armenal beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze verordening. Zij heeft vijf middelen tot nietigverklaring aangevoerd, waarvan het eerste inzake onwettigheid wegens schending van artikel 2, leden 1 tot en met 6, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 (PB L 340, blz. 17; hierna: „basisverordening”), en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de WTO. De basisverordening is vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51, en rectificatie PB 2010, L 7, blz. 22).
9
Het Gerecht heeft in wezen geoordeeld dat in de litigieuze verordening, doordat wordt gesteund op de verwijzing naar de Republiek Armenië in de voetnoot bij artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening en doordat, na afwijzing van het verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming dat verzoekster overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b, van die verordening had ingediend, de methode van het derde land met een markteconomie wordt toegepast, is gebruikgemaakt van een methode voor de berekening van de normale waarde die onverenigbaar is met de artikelen 2.1 en 2.2 van de antidumpingovereenkomst en met de tweede aanvullende bepaling bij artikel VI, lid 1, van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 11) in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de WTO, waarbij artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening eveneens is geschonden. Derhalve heeft het Gerecht het eerste middel tot nietigverklaring gegrond verklaard.
10
Punt 1 van het dictum van het bestreden arrest luidt:
„[De litigieuze verordening] wordt nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op [Rusal Armenal]”.
Conclusies van partijen
11
Rusal Armenal verzoekt het Hof:
—
de uitvoering van de litigieuze verordening, voor zover zij betrekking heeft op Rusal Armenal, op te schorten tot de datum van uitspraak van het arrest dat de procedure in hogere voorziening afsluit; of
—
subsidiair, een voorlopige maatregel op te leggen in de vorm van een executoire beschikking waarbij de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie wordt gelast de bij die verordening ingestelde antidumpingrechten op de invoer van bepaald door Rusal Armenal geproduceerd bladaluminium niet te innen tot de datum van uitspraak van het arrest dat de procedure in hogere voorziening afsluit, en
—
de Commissie en de Raad, alsmede alle andere interveniënten ter ondersteuning van de hogere voorziening, te verwijzen in hun eigen kosten en in die van Rusal Armenal.
12
De Commissie en de Raad verzoeken het Hof in wezen:
—
het verzoek in kort geding niet‑ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren, en
—
Rusal Armenal te verwijzen in de kosten.
Verzoek in kort geding
13
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 60, eerste alinea, van het Statuut van het Hof hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht in beginsel geen opschortende werking heeft. Artikel 60, tweede alinea, van dit Statuut bepaalt echter ook dat, in afwijking van artikel 280 VWEU, beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking treden na afloop van de termijn voor hogere voorziening bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit Statuut of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof krachtens de artikelen 278 VWEU en 279 VWEU kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde verordening of om enige andere voorlopige maatregel.
14
Door het verzoek in kort geding in te dienen, heeft Rusal Armenal van die mogelijkheid gebruikgemaakt.
Ontvankelijkheid
15
De Commissie stelt dat het verzoek in kort geding niet‑ontvankelijk is op grond dat de door Rusal Armenal gevraagde opschorting in werkelijkheid een definitieve maatregel is en derhalve in strijd is met artikel 39, vierde alinea, van het Statuut van het Hof. In dit verband stelt zij dat de rechter die om voorlopige opschorting van bij een verordening ingestelde antidumpingrechten is verzocht, het verzoek tot opschorting slechts kan toewijzen mits de verzoeker zekerheid stelt tot de bedragen die hij op grond van die verordening heeft te voldoen. Aangezien verzoekster geen zekerheid heeft gesteld in haar verzoek, is dat verzoek niet‑ontvankelijk.
16
Dienaangaande volgt uit het feit dat de maatregelen die de rechter in kort geding kan vaststellen uiteraard voorlopig zijn, dat de door Rusal Armenal gevraagde opschorting van de werking van de litigieuze verordening die vennootschap slechts tijdelijk kan ontheffen van de verplichting tot betaling van de op grond van die verordening verschuldigde rechten, mits die rechten niet alleen voor de toekomst maar ook voor de opschortingsperiode worden betaald indien die verordening uiteindelijk rechtmatig wordt bevonden.
17
Voorts zij eraan herinnerd dat volgens artikel 162, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechter in kort geding kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat de verzoeker zekerheid stelt tot een bedrag en op de wijze als op grond van de omstandigheden bepaald. Voor de uitoefening van die bevoegdheid hoeft verzoeker geen zekerheid te stellen. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, kan die rechter, wanneer hij dat passend acht, immers een tussenoplossing kiezen, met name door voorwaarden te verbinden aan de toegekende opschorting [zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof Nederlandse Vereniging voor de Fruit- en Groentenimporthandel en Nederlandse Bond van Grossiers in Zuidvruchten en ander Geïmporteerd Fruit/Commissie, 71/74 R en RR, EU:C:1974:103, punten 5‑8, en VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 R en 63/82 R, EU:C:1982:119, punten 9‑12, en beschikking van de vicepresident van het Hof EMA/InterMune UK e.a., C‑390/13 P(R), EU:C:2013:795, punt 55].
18
Dat Rusal Armenal geen zekerheid heeft gesteld, belet de rechter in kort geding derhalve niet om in voorkomend geval de gevraagde opschorting toe te kennen, mits die vennootschap zekerheid stelt tot de bedragen die zij op grond van de litigieuze verordening heeft te voldoen.
19
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet‑ontvankelijkheid moet bijgevolg worden verworpen.
Ten gronde
20
Artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving moeten bevatten van „het voorwerp van het geding en van de omstandigheden waaruit de spoedeisendheid van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt”. De rechter in kort geding kan dus opschorting van de uitvoering gelasten en andere voorlopige maatregelen toekennen indien vaststaat dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd voorkomen (fumus boni juris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak worden gelast en effect sorteren (zie in die zin beschikking van de president van het Hof Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P‑R, EU:C:2005:267, punten 10 en 11 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Benadrukt zij dat aan die voorwaarden moet worden voldaan in geval van een verzoek in kort geding van de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij in een procedure in hogere voorziening die is ingesteld door de andere partij tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard. Om een dergelijke hogere voorziening de opschortende werking als bedoeld in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof niet te ontnemen, is die regel van toepassing in geval van een dergelijk arrest van het Gerecht ten gunste van verzoekster in eerste aanleg. Bij de toepassing van die voorwaarden, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, mag de rechter in kort geding van de rechterlijke instantie waarbij hogere voorziening is ingesteld, echter niet voorbijgaan aan het feit dat de rechter in eerste aanleg zich ten gunste van verzoekster in eerste aanleg heeft uitgesproken. Derhalve moet hij die voorwaarden noodzakelijkerwijs mutatis mutandis toepassen.
Fumus boni juris
22
De voorwaarde van de fumus boni juris is vervuld wanneer in de fase van de procedure in kort geding een belangrijk juridisch twistpunt bestaat waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat.
23
In geval van een verzoek in kort geding dat in het kader van een hogere voorziening is ingediend door de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij, betekent dit dat de rechter in kort geding zich ertoe moet beperken te beoordelen of de aangevoerde middelen in hogere voorziening „op het eerste gezicht” gegrond voorkomen, om uit te maken of de hogere voorziening geen redelijke grond mist, met andere woorden of het voldoende waarschijnlijk is dat de hogere voorziening slaagt. De procedure in kort geding heeft immers tot doel, de volle werking van de toekomstige definitieve beslissing te waarborgen door een lacune in de door het Hof verzekerde rechtsbescherming te voorkomen (zie in die zin beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/ANKO, C‑78/14 P‑R, EU:C:2014:239, punt 15).
24
In geval van een verzoek in kort geding dat zoals in casu is ingediend in het kader van een hogere voorziening die opschortende werking heeft omdat zij strekt tot vernietiging van een arrest waarbij het Gerecht een verordening nietig heeft verklaard, wordt de zaak bij de rechter in kort geding daarentegen door de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij aanhangig gemaakt. Om te beoordelen of op het eerste gezicht in de fase van het kort geding een belangrijk juridisch twistpunt bestaat waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat, moet de rechter in kort geding derhalve nagaan of de argumenten van die partij voor de afwijzing van de hogere voorziening gegrond zijn, in die zin dat het voldoende waarschijnlijk is dat zij slagen.
25
Dat betekent dat de in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij moet aantonen dat, ondanks de middelen in hogere voorziening van de tegenpartij, haar eigen tegenargumenten voldoende plausibel zijn om op het eerste gezicht te kunnen slagen, en dat bijgevolg niet duidelijk is dat het bestreden arrest vernietigd moet worden. In casu toont Rusal Armenal slechts een fumus boni juris aan indien zij aan deze verplichting voldoet voor elk van de middelen in hogere voorziening, aangezien een van die middelen, voor zover het voldoende gegrond is, al zou volstaan om de vernietiging van het bestreden arrest te rechtvaardigen.
26
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft de Commissie drie middelen aangevoerd, het eerste in wezen inzake de uitspraak ultra petita van het Gerecht doordat het een middel tot nietigverklaring in aanmerking heeft genomen waarvan Rusal Armenal afstand had gedaan, het tweede inzake een vermeende onjuiste toepassing van het arrest Nakajima/Raad (C‑69/89, EU:C:1991:186) betreffende de gevolgen van de antidumpingovereenkomst voor de rechterlijke toetsing door het Hof, en het derde inzake een vermeende schending van het beginsel van institutioneel evenwicht.
27
Vastgesteld zij dat de Commissie, door het eerste middel in hogere voorziening op te werpen, volgens hetwelk het Gerecht ten onrechte uitspraak heeft gedaan over het eerste middel tot nietigverklaring inzake een exceptie van onwettigheid wegens schending van artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening en de artikelen 2.1 en 2.2 van de antidumpingovereenkomst aangezien Rusal Armenal in eerste aanleg in repliek van dat middel afstand had gedaan, zich beroept op een onregelmatigheid in de procedure voor het Gerecht waardoor aan haar belangen afbreuk wordt gedaan in de zin van artikel 58 van het Statuut van het Hof.
28
Rusal Armenal benadrukt dat dit middel tot nietigverklaring enkel strekte tot vaststelling door het Gerecht dat artikel 2, lid 7, van de basisverordening in haar bijzonder geval buiten toepassing moest worden gelaten en dat de Commissie en de Raad dus de normale waarde van de producten van Rusal Armenal moesten berekenen overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van die verordening. Door zich in repliek op die overweging te beroepen heeft Rusal Armenal noch afstand gedaan van dat middel tot nietigverklaring, noch aan dat middel elke betekenis ontnomen. De Commissie, ondersteund door de Raad, stelt daarentegen dat Rusal Armenal, na zich in haar verzoekschrift in eerste aanleg te hebben beroepen op de onwettigheid van artikel 2, lid 7, van die verordening in het licht van de WTO‑voorschriften, dat betoog in repliek heeft gewijzigd en heeft gesteld dat zij het Gerecht alleen verzocht vast te stellen dat de Raad zijn verplichting tot conforme uitlegging had geschonden.
29
Dienaangaande blijkt uit de repliek in eerste aanleg van Rusal Armenal dat het onderzoek van de toelichting van die vennootschap – die stelt dat zij zonder afstand van haar middel te doen alleen de strekking ervan heeft verduidelijkt om de argumenten van de Raad te beantwoorden – de uitlegging van haar repliek vereist en derhalve een belangrijk juridisch twistpunt over de inhoud en de draagwijdte van dat middel aan de orde stelt.
30
Rusal Armenal heeft in repliek immers met name erop gewezen dat artikel 2, lid 7, van de basisverordening voor een Armeense producent niet de mogelijkheid uitsluit om individueel te worden behandeld als marktgerichte onderneming. Volgens Rusal Armenal was die bepaling dus niet als zodanig onverenigbaar met de WTO‑voorschriften, met name met de antidumpingovereenkomst, maar slechts voor zover de Raad in casu artikel 2, lid 7, sub a, in plaats van artikel 2, lid 7, sub b en c, van die verordening heeft toegepast, zonder er rekening mee te houden dat volgens artikel 2.7 van de antidumpingovereenkomst en de tweede aanvullende bepaling bij artikel VI, lid 1, GATT de Raad artikel 2, lid 7, sub a, van die verordening slechts op haar kon toepassen indien was voldaan aan de voorwaarden van die tweede aanvullende bepaling.
31
Gezien de specifieke inhoud van die preciseringen in de repliek in eerste aanleg van Rusal Armenal kan in de fase van de onderhavige procedure in kort geding op het eerste gezicht niet worden geconcludeerd dat die vennootschap voor het Gerecht afstand heeft gedaan van haar eerste middel tot nietigverklaring of dat zij aan dat middel elke betekenis heeft ontnomen. De argumenten van Rusal Armenal voor afwijzing van het eerste middel in hogere voorziening zijn derhalve voldoende plausibel, zodat de oplossing van het dienaangaande aan de orde gestelde twistpunt niet bij voorbaat vaststaat.
32
Aangaande het tweede middel in hogere voorziening, inzake een vermeende onjuiste uitlegging door het Gerecht van het arrest Nakajima/Raad (EU:C:1991:186), betoogt Rusal Armenal dat, anders dan de Commissie stelt, het Hof in dat arrest niet het enige criterium van „het voornemen om een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting te vervullen” heeft vastgesteld, maar twee alternatieve criteria, te weten een dergelijk voornemen en een „uitdrukkelijke verwijzing naar de Overeenkomst tot oprichting van de WTO”. Dat tweede middel in hogere voorziening is onverenigbaar met die rechtspraak van het Hof, met name met het voornoemde tweede alternatieve criterium dat voortvloeit uit de uitdrukkelijke verwijzing in punt 5 van de considerans van de basisverordening naar de gedetailleerde bepalingen van de antidumpingovereenkomst met betrekking tot de berekening van de dumpingmarge. De Commissie en de Raad antwoorden dat met artikel 2, lid 7, van de basisverordening geen uitvoering wordt gegeven aan uit de GATT of de WTO‑voorschriften voortvloeiende verplichtingen, zodat de wettigheid van die bepaling niet aan dergelijke verplichtingen kan worden getoetst overeenkomstig het arrest Nakajima/Raad (EU:C:1991:186). Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de voetnoot bij artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, waarin de Republiek Armenië wordt vermeld, aan die verplichtingen te toetsen.
33
In punt 36 van het bestreden arrest heeft het Gerecht als volgt geoordeeld:
„[...] Dienaangaande blijkt uit de considerans van de basisverordening, en meer in het bijzonder uit [punt 5] ervan, dat deze verordening met name tot doel heeft de nieuwe en gedetailleerde bepalingen van de antidumpingovereenkomst, waaronder de bepalingen inzake de berekening van de dumpingmarge, in gemeenschapsrecht om te zetten ter verzekering van een correcte en doorzichtige toepassing van deze nieuwe regels. Vaststaat derhalve dat de Gemeenschap de basisverordening heeft vastgesteld om aan haar uit de antidumpingovereenkomst voortvloeiende internationale verplichtingen te voldoen [zie arrest Hof Petrotub en Republica, C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punten 53‑56 en aldaar aangehaalde rechtspraak], in uitvoering van artikel 18, lid 4, van die overeenkomst [arrest Gerecht Chiquita Brands e.a./Commissie, T‑19/01, EU:T:2005:31, punt 160]. Bovendien heeft zij met artikel 2 van deze verordening, ‚Vaststelling van dumping’, de bijzondere verplichtingen willen nakomen van artikel 2 van die overeenkomst, dat tevens betrekking heeft op de vaststelling van dumping.”
34
Derhalve moet worden vastgesteld dat er tussen de Commissie en de Raad, enerzijds, en Rusal Armenal, die in wezen het door het Gerecht in het bestreden arrest ingenomen standpunt verdedigt, anderzijds, discussie bestaat over de belangrijke rechtsvraag of in casu is voldaan aan de door het Hof in het arrest Nakajima/Raad (EU:C:1991:186) genoemde criteria. Onverminderd de beslissing die het Hof zal nemen over de gegrondheid van het tweede middel in hogere voorziening, zijn de argumenten van Rusal Armenal voor afwijzing van dat middel, zoals aangevuld door de redenering van het Gerecht in het bestreden arrest, plausibel, gelet op de rechtspraak van het Hof en de uitdrukkelijke verwijzing in punt 5 van de considerans van de basisverordening naar de relevante regels die voortvloeien uit de antidumpingovereenkomst en artikel VI GATT. Derhalve zijn die argumenten niet ongegrond, in die zin dat het voldoende waarschijnlijk is dat zij slagen voor de onderhavige beoordeling van de fumus boni juris.
35
Aangaande het derde middel in hogere voorziening, inzake een vermeende schending van het beginsel van institutioneel evenwicht door het Gerecht doordat het heeft geoordeeld dat de verwijzing naar de Republiek Armenië in de voetnoot bij artikel 2, lid 7, sub a, van voornoemde verordening niet verenigbaar was met het bij de antidumpingovereenkomst ingevoerde stelsel, kan voor de onderhavige beoordeling van de fumus boni juris worden volstaan met de vaststelling dat dit middel nauw samenhangt met het tweede middel in hogere voorziening. Zoals de Commissie in haar opmerkingen over het verzoek in kort geding impliciet erkent, heeft het Gerecht die schending volgens haar immers begaan wegens een onjuiste uitlegging van het arrest van het Hof Nakajima/Raad (EU:C:1991:186). Bijgevolg hangt het bestaan van die schending in casu af van het bestaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de in dat arrest genoemde criteria. Om de in het vorige punt van de onderhavige beschikking uiteengezette redenen moet Rusal Armenal derhalve worden geacht ook het bestaan te hebben aangetoond van een belangrijk juridisch twistpunt over de gegrondheid van dat derde middel in hogere voorziening.
36
Gelet op een en ander is in casu voldaan aan de voorwaarde van de fumus boni juris.
Spoedeisendheid
37
Wat de voorwaarde van spoedeisendheid betreft, staat het aan de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, om het bewijs aan te dragen dat zij de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak niet kan afwachten zonder ernstige en onherstelbare schade te lijden [zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof Matra/Commissie, C‑225/91 R, EU:C:1991:460, punt 19, en SCK en FNK/Commissie, C‑268/96 P(R), EU:C:1996:381, punt 30]. Om het bestaan aan te tonen van een dergelijke ernstige en onherstelbare schade, moet de schade niet met absolute zekerheid worden aangetoond, maar met een voldoende mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar zijn (beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/ANKO, EU:C:2014:239, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Rusal Armenal betoogt dat de voorwaarden voor de toekenning van voorlopige maatregelen onderling afhankelijk zijn, zodat wanneer de fumus boni juris bijzonder serieus is, de voorwaarde van spoedeisendheid minder strikt kan worden beoordeeld, aangezien de kennelijke onwettigheid van een maatregel volstaat om aan te tonen dat de rechten van de verzoeker in kort geding voorlopig moeten worden beschermd. Dat is met name in casu het geval, aangezien het Gerecht haar in het gelijk heeft gesteld door de litigieuze verordening nietig te verklaren.
39
In dit verband moet die omstandigheid op basis waarvan Rusal Armenal primair verzoekt om opschorting van de werking van een verordening die door het Gerecht nietig is verklaard, worden geacht de specifieke voorwaarden van het criterium van spoedeisendheid niet te kunnen afzwakken. De toepassing van de litigieuze verordening ondanks de nietigverklaring ervan bij het bestreden arrest veroorzaakt derhalve op zich voor Rusal Armenal geen schade waarvoor een beroep tot schadevergoeding kan worden ingesteld. Aangezien de wetgever van de Unie door de vaststelling van artikel 60 van het Statuut van het Hof heeft besloten opschortende werking toe te kennen aan het instellen van hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, staat het immers niet aan de rechter in kort geding bij wie hogere voorziening is ingesteld, om dat artikel gedeeltelijk zijn nuttig effect te ontnemen door de voorwaarde van spoedeisendheid in dergelijke omstandigheden systematisch te versoepelen.
40
Volgens de rechtspraak van het Hof is het uiteenlopende gewicht van de middelen die ten bewijze van de fumus boni juris worden aangevoerd echter niet geheel zonder invloed op de beoordeling van de spoedeisendheid (zie beschikking van de president van het Hof Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P‑R, EU:C:2011:37, punt 27). De spoedeisendheid waarop een verzoekende partij zich kan beroepen, is voor de rechter in kort geding des te meer van belang, aangezien de fumus boni juris van de middelen en argumenten waarop zij zich beroept, bijzonder serieus lijkt (zie in die zin beschikking van de president van het Hof Oostenrijk/Raad, C‑445/00 R, EU:C:2001:123, punt 110). Onverminderd de beslissing die het Hof zal nemen over de gegrondheid van de hogere voorziening, blijkt uit de punten 26 tot en met 36 van de onderhavige beschikking dat de fumus boni juris van de middelen en argumenten van Rusal Armenal voldoende serieus is om aan die voorwaarde te voldoen. Met deze omstandigheid moet rekening worden gehouden bij de verdere analyse, in voorkomend geval, bij met name de afweging van de op het spel staande belangen.
41
Dat neemt niet weg dat volgens artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de voorwaarden van fumus boni juris en van spoedeisendheid afzonderlijke en cumulatieve voorwaarden zijn, zodat Rusal Armenal nog steeds dreigende ernstige en onherstelbare schade moet aantonen [zie in die zin beschikking van de president van het Hof Akhras/Raad, C‑110/12 P(R), EU:C:2012:507, punt 26, en beschikking van de vicepresident van het Hof Commissie/ANKO, EU:C:2014:239, punt 14].
42
Voorts is de litigieuze verordening, zoals de Commissie en de Raad opmerken, in september 2009 in werking getreden en sorteert zij dus sinds meer dan vier jaar gevolgen, overigens zonder dat Rusal Armenal in die periode de rechter in kort geding van het Gerecht heeft verzocht om opschorting van de uitvoering van die maatregel. Derhalve staat het aan die partij om in de onderhavige procedure in kort geding aan te tonen dat, ook al wordt sinds 2009 een antidumpingrecht van 13,4 % toegepast op de invoer van bepaalde van haar producten in de Unie, dringend voorlopige maatregelen moeten worden getroffen om haar te beschermen tegen ernstige en onherstelbare schade die zij zonder deze maatregelen zou kunnen lijden. Bijgevolg moet Rusal Armenal het bewijs leveren van hetzij schade die zij in de laatste vier jaar niet heeft geleden, hoewel deze schade toe te schrijven is aan de litigieuze verordening, hetzij schade die thans ernstig en onherstelbaar is, zodat dringend voorlopige maatregelen moeten worden toegekend, hoewel deze schade reeds in de vier jaar van de procedure voor het Gerecht die tot het bestreden arrest heeft geleid, door Rusal Armenal is geleden.
43
De argumenten van de Commissie en de Raad moeten daarentegen meteen worden afgewezen, aangezien de bij die verordening ingestelde antidumpingmaatregel in september 2014, dat wil zeggen vijf jaar na de invoering ervan, afloopt, zodat de vaststelling van eventuele voorlopige maatregelen voor een periode van slechts enkele maanden niet gerechtvaardigd zou zijn. Aangezien het in casu om een definitief antidumpingrecht gaat, kan immers niet worden uitgesloten dat een nieuw onderzoek van de betrokken maatregel wordt geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van de producenten van de Unie, met dien verstande dat in dat geval de maatregel tot instelling van dat recht van kracht blijft in afwachting van de resultaten van het nieuwe onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009, die thans de basisverordening vervangt.
44
In casu onderscheidt Rusal Armenal drie gevallen van onherstelbare schade die volgens haar voortvloeien uit de toepassing van de litigieuze verordening indien die niet wordt opgeschort, namelijk, ten eerste, haar waarschijnlijke ontbinding door haar moedermaatschappij, ten tweede, het definitief ontslag van een groot aantal van haar werknemers wegens de waarschijnlijke sluiting van haar fabriek en, ten derde, gevolgen voor de economie van de Republiek Armenië en de uitvoer door deze laatste naar de Unie. Voorts maakt zij gewag van een vermeende aanzienlijke inkrimping van haar marktaandeel.
45
Allereerst stelt Rusal Armenal aangaande haar eventuele ontbinding dat zij sinds de inwerkingtreding van de litigieuze verordening aanzienlijk verlies lijdt, vooral omdat zij ingevolge die verordening haar producten niet naar de Unie kan uitvoeren. Thans kan haar moedermaatschappij, UC Rusal, het verlies van haar verliesgevende dochterondernemingen niet meer dekken door haar eigen financiële problemen die voortvloeien uit de lage wereldprijs van aluminium. Derhalve is het zeer waarschijnlijk dat zij beslist Rusal Armenal in de nabije toekomst te sluiten indien haar rentabiliteit niet verbetert.
46
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer de gestelde schade van financiële aard is, de gevraagde voorlopige maatregelen gerechtvaardigd zijn wanneer blijkt dat de verzoekende partij zich zonder deze maatregelen in een situatie zou bevinden die haar financiële voortbestaan in gevaar kan brengen voordat de beslissing waarmee de procedure in de hoofdzaak wordt afgedaan, wordt genomen, of wanneer haar marktaandelen belangrijke wijzigingen zouden ondergaan, gelet op met name de omvang en het omzetcijfer van haar onderneming en de kenmerken van de groep waartoe zij behoort [beschikking van de vicepresident van het Hof EDF/Commissie, C‑551/12 P(R), EU:C:2013:157, punt 54].
47
Rusal Armenal betoogt niet dat de door haar geleden financiële schade als gevolg van het vermeende aan de litigieuze verordening toe te schrijven verlies het voortbestaan van de groep ondernemingen waartoe zij behoort, in gevaar kan brengen zodat die groep, met inbegrip van haar moedermaatschappij, zou kunnen verdwijnen. Derhalve moet de eventuele ontbinding van Rusal Armenal niet worden geacht het rechtstreekse gevolg van die verordening te zijn, maar van een commerciële beslissing van haar moedermaatschappij. Een dergelijke beslissing wordt in voorkomend geval genomen rekening houdend met alle relevante commerciële omstandigheden, met inbegrip van de gevolgen van het antidumpingrecht voor de rentabiliteit van Rusal Armenal die voortvloeien uit dezelfde verordening. Andere factoren, met name de door Rusal Armenal aangehaalde moeilijke economische omstandigheden van de internationale aluminiummarkten, spelen ook een belangrijke rol bij die beslissing.
48
In geval van een verzoek tot opschorting van de uitvoering van een handeling van de Unie is de toekenning van voorlopige maatregelen slechts gerechtvaardigd indien de betrokken handeling de doorslaggevende oorzaak van de gestelde ernstige en onherstelbare schade is (beschikking van de vicepresident van het Hof EDF/Commissie, EU:C:2013:157, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de omstandigheden van de onderhavige zaak waarop die rechtspraak naar analogie van toepassing is, aangezien het gaat om een verzoek tot opschorting van de werking van een verordening die door het Gerecht nietig is verklaard, heeft Rusal Armenal niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de litigieuze verordening, die sinds meer dan vier jaar van kracht is, de beslissende oorzaak van haar toekomstige ontbinding door haar moedermaatschappij is, gesteld dat die ontbinding doorgang vindt.
49
In verband met dit laatste moet ten overvloede daaraan worden toegevoegd dat de nietigverklaring van die verordening door het Gerecht het vooruitzicht heeft geopend op een eventuele afschaffing in de nabije toekomst van het betrokken antidumpingrecht voor Rusal Armenal, wat in voorkomend geval de rentabiliteitsvooruitzichten op middellange termijn van die vennootschap zal verbeteren, ook voor de commerciële berekeningen met het oog op haar eventuele ontbinding door haar moedermaatschappij.
50
Vervolgens antwoorden de Commissie en de Raad aangaande de door Rusal Armenal gestelde schade als gevolg van het definitief ontslag van 677 van haar werknemers bij sluiting van haar fabriek, dat die onderneming enkel haar eigen schade kan aanvoeren om de spoedeisendheid aan te tonen, met uitsluiting van schade aan derden.
51
Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat de partij die om voorlopige maatregelen verzoekt, dient aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder persoonlijk en met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen schade te lijden [beschikking van de president van het Hof Cheminova e.a./Commissie, C‑60/08 P(R), EU:C:2009:181, punt 35]. Derhalve kan Rusal Armenal zich niet als zodanig beroepen op de door haar werknemers geleden schade indien hun baan wordt geschrapt.
52
Wanneer een onderneming banen moet schrappen en derhalve opgeleide en inzetbare arbeidskrachten moet laten gaan, kan zij hierdoor echter direct en persoonlijk schade lijden, los van de onderscheiden door haar werknemers geleden schade, aangezien het voor haar moeilijker zal zijn om haar werkzaamheden daarna te hervatten bij gewijzigde economische omstandigheden.
53
In de onderhavige procedure heeft Rusal Armenal echter niet aangetoond dat de doorslaggevende oorzaak, in de zin van de in punt 48 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak van het Hof, van de eventuele sluiting van haar fabriek in de toekomst – hetzij ten gevolge van haar eigen ontbinding, hetzij wegens een herstructurering van haar activiteiten om haar kosten te verlagen – het meer dan vier jaar geleden bij de litigieuze verordening ingestelde antidumpingrecht is.
54
Ten slotte zij vastgesteld dat de schade die zou voortvloeien uit de schadelijke gevolgen van het bij die verordening ingestelde antidumpingrecht voor de economie van de Republiek Armenië en de uitvoer door deze laatste naar de Unie, gesteld dat zij is aangetoond, niet door Rusal Armenal persoonlijk maar door de inwoners van Armenië in het algemeen zou worden geleden. Volgens de in punt 51 van de onderhavige beschikking aangehaalde rechtspraak van het Hof kan die schade derhalve niet met succes door Rusal Armenal worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de spoedeisendheid waarop zij zich beroept.
55
Voorts levert Rusal Armenal geen duidelijke en specifieke argumenten voor de door haar aangevoerde aanzienlijke inkrimping van haar marktaandeel, die het gevolg is van de uitsluiting van haar producten van de markt van de Unie. Aangezien de rechter in kort geding niet beschikt over precieze informatie over het vermeende effect van uitsluiting van het bij dezelfde verordening ingestelde antidumpingrecht op de uitvoer van de producten van Rusal Armenal naar de Unie en de kenmerken van de betrokken markt, kan hij geen schade vaststellen die voortvloeit uit de gestelde inkrimping van het betrokken marktaandeel of de ernst en de onherstelbare aard van die schade beoordelen.
56
Uit een en ander volgt dat Rusal Armenal niet heeft aangetoond dat zij zonder opschorting van de werking van de sinds 2009 van kracht zijnde litigieuze verordening ernstige en onherstelbare schade kan lijden. Bijgevolg is niet voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid, zodat het onderhavige verzoek in kort geding moet worden afgewezen, zonder dat de betrokken belangen hoeven te worden afgewogen of de ontvankelijkheid van het door Rusal Armenal ingediende verzoek om voorlopige maatregelen hoeft te worden onderzocht.
De vicepresident van het Hof beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy