BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)
6 november 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Kennelijke niet-ontvankelijkheid — Onvoldoende preciseringen betreffende de feitelijke context en betreffende redenen die de noodzaak van een antwoord op de prejudiciële vraag rechtvaardigen”
In zaak C‑366/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság (Hongarije), bij beslissing van 11 juli 2014, ingekomen bij het Hof op 28 juli 2014, in de procedure
Herrenknecht AG
tegen
Hév-Sugár kft,
geeft
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader (rapporteur), waarnemend voor de president van de Achtste kamer, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op het besluit om, de advocaat-generaal gehoord, te beslissen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie,
de navolgende
Beschikking
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L12, blz. 1), en van artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266, blz. 1; hierna: „Verdrag van Rome”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Herrenknecht AG (hierna: „Herrenknecht”), een vennootschap naar Duits recht, en Hév-Sugár kft (hierna: „Hév-Sugár”), een vennootschap naar Hongaars recht, met betrekking tot een huurvordering.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 23, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidt als volgt:
„Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
a)
hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
b)
hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
c)
hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”
4
Artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Rome bepaalt het volgende:
„Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.”
Hongaars recht
5
De toepasselijke nationale bepalingen nemen de bepalingen van het Unierecht in wezen over.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
6
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Herrenknecht als verhuurster en Hév-Sugár als huurster op 11 juli 2008 een gemengde overeenkomst van huur en koop sloten, waarbij eerstgenoemde aan laatstgenoemde bouwmachines verhuurde voor het graven van tunnels. Daarbij werd tevens overeengekomen dat Herrenknecht de uitrusting die het voorwerp was van de overeenkomst, zou verkopen aan Hév-Sugár bij het verstrijken van de huurperiode.
7
Bij de betrokken overeenkomst waren vijf bijlagen gevoegd, die betrekking hadden op verschillende contractuele aspecten en die volgens de verwijzende rechter bepalingen inhielden die in geval van een geschil hetzij scheidsrechters als bevoegd aanwezen, zoals volgt uit bijlage 1 bij deze overeenkomst, hetzij gewone rechtbanken, zoals volgt uit de bijlagen 2 en 4 bij de overeenkomst. In laatstgenoemd geval was bepaald dat verweerster in geval van een geschil mocht kiezen tussen de Duitse of de Hongaarse aangewezen rechtbank.
8
Voorts verklaarde de bij de betrokken overeenkomst gevoegde bijlage 1, die betrekking had op de levering van producten, het Duitse recht van toepassing in geval van een geschil, terwijl de bij deze overeenkomst gevoegde bijlagen 2 en 4, die respectievelijk betrekking hadden op de levering van personeel en de algemene huurvoorwaarden, hiervoor het Zwitserse recht van toepassing verklaarden.
9
Gelet op het feit dat partijen in hun overeenkomst bepalingen hebben opgenomen die inhoudelijk verschillen wat de bevoegde rechtbanken betreft, heeft de verwijzende rechter in het kader van een door Herrenknecht ingesteld beroep met betrekking tot een huurvordering ambtshalve onderzocht of hij bevoegd is.
10
Hoewel de verwijzende rechter bevestigt dat hij naar Hongaars gemeen recht relatief bevoegd is om het hoofdgeding te beslechten, vraagt hij zich af of hij, dan wel een andere rechtbank die op grond van de door partijen gemaakte forumkeuzebedingen is aangewezen, internationaal exclusief bevoegd is overeenkomstig de bewoordingen van artikel 23, lid 1, van verordening nr. 44/2001, en of Herrenknecht vrij mocht kiezen tussen de in de betrokken overeenkomst aangewezen rechtbanken.
11
Bovendien vraagt hij zich af welk recht in casu van toepassing is in het licht van artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Rome en gezien het feit dat de contractspartijen in de verschillende bijlagen bij de overeenkomst zowel het Duitse als het Zwitserse recht van toepassing hebben verklaard.
12
Daarom heeft het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
„1)
Hoe moet artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad worden uitgelegd om te bepalen welk gerecht exclusief bevoegd is, wanneer de contractspartijen tussen wie een geschil bestaat, in de algemene voorwaarden van de overeenkomst verschillende gerechten hebben aangewezen voor de beslechting van de geschillen die naar aanleiding van de overeenkomst ontstaan: kan de verzoeker vrij kiezen tussen het aangewezen gerecht waarvan de bevoegdheid exclusief is en dat waarvan de bevoegdheid facultatief is en kan daaruit worden afgeleid dat het gerecht dat kennisneemt van het geschil, exclusief bevoegd is?
2)
Hoe moet artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Rome worden uitgelegd om te bepalen van welk nationaal rechtsstelsel het materieel recht voor het onderzoek van de overeenkomst van toepassing is, wanneer de contractspartijen in de algemene voorwaarden ervan het nationale recht van verschillende lidstaten hebben aangewezen als het op de overeenkomst toepasselijke recht?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
13
Krachtens artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie kan het Hof, wanneer een verzoek of een verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.
14
In herinnering moet worden gebracht dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechter de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die laatstbedoelde nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in de bij hem aanhangige zaak (zie in die zin arresten Geistbeck, C‑509/10, EU:C:2012:416, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Impacto Azul, C‑186/12, EU:C:2013:412, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15
Het is tevens vaste rechtspraak dat de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of tenminste de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen (arrest Mulders, C‑548/11, EU:C:2013:249, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16
Deze eisen, die aan de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing worden gesteld, staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en kunnen eveneens worden afgeleid uit de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2012, C 338, blz. 1). In het bijzonder blijkt uit punt 22 van deze aanbevelingen dat een verzoek om een prejudiciële beslissing „volledig [moet] zijn en alle relevante gegevens [moet] bevatten voor een goed begrip van het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding door het Hof en de betrokkenen die opmerkingen mogen indienen” (zie in die zin beschikking D’Aniello e.a., C‑89/13, EU:C:2014:299, punt 20).
17
In dit verband moet worden beklemtoond dat de gegevens die in de verwijzingsbeschikking zijn vervat, niet alleen dienen om het Hof in staat te stellen om bruikbare antwoorden te geven maar ook om de regeringen van de lidstaten en andere belanghebbenden de mogelijkheid te geven om opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (zie beschikkingen Adiamix, C‑368/12, EU:C:2013:257, punt 24, en Mlamali, C‑257/13, EU:C:2013:763, punt 24).
18
In casu dient te worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing kennelijk niet voldoet aan de eisen die in de punten 15 en 16 van de onderhavige beschikking in herinnering zijn gebracht.
19
Hoewel de verwijzende rechter het voorwerp van het hoofdgeding zonder nadere precisering omschrijft als „een huurvordering”, laat hij om te beginnen na om de feitelijke gegevens weer te geven waarop de twee vragen zijn gebaseerd. Hij legt met name niet uit welk verband er eventueel bestaat tussen het voorwerp van dit geschil en een specifieke bepaling van de overeenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is of in een van de bijlagen daarvan.
20
Indien een dergelijk verband was gelegd met bijvoorbeeld de bijlagen 2 of 4 van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, wat echter niet zonder meer blijkt uit de verwijzingsbeslissing, zou de verwijzende rechter bevoegd zijn op grond van het beginsel van de erkenning van de wilsautonomie van partijen bij de aanwijzing van de bevoegde rechter en zou enkel het Zwitserse recht van toepassing zijn.
21
Vervolgens wordt evenmin uitdrukkelijk gepreciseerd of partijen eventueel de bevoegdheid betwisten van de verwijzende rechter, die slechts gewag maakt van een ambtshalve onderzoek naar zijn bevoegdheid. Een dergelijke precisering zou met name nuttig zijn geweest ter bevestiging van de wil van de partijen, zoals die tot uitdrukking komt in de contractuele bepalingen die de bevoegde rechter of het toepasselijke recht aanwijzen.
22
Ten slotte, en gelet op de voorgaande overwegingen, legt de verwijzende rechter niet voldoende duidelijk en nauwkeurig uit wat de precieze redenen zijn waarom hij twijfelt over de uitlegging van het Unierecht.
23
In deze omstandigheden is het Hof niet in staat een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen en dient in deze stand van de procedure te worden geconcludeerd dat het verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is krachtens artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
Kosten
24
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Het Hof (Achtste kamer) beschikt:
Het verzoek van het Budapesti XX., XXI. és XXIII. kerületi bíróság (Hongarije) van 11 juli 2014 om een prejudiciële beslissing (zaak C‑366/14), is kennelijk niet-ontvankelijk.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Hongaars.
Full & Egal Universal Law Academy