BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
6 oktober 2015 ( * )
„Hogere voorziening — Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Landbouw — Verordening (EG) nr. 510/2006 — Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen — Registratie van de benaming ‚Edam Holland’ — Producenten die gebruik maken van de naam ‚edam’ — Ontbreken van procesbelang”
In zaak C‑517/14 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 november 2014,
Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V., gevestigd te Berlijn (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Loschelder en V. Schoene, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Schima, J. Guillem Carrau en G. von Rintelen als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door B. Koopman en M. Bulterman als gemachtigden,
Nederlandse Zuivelorganisatie, gevestigd te Zoetermeer (Nederland), vertegenwoordigd door P. van Ginneken en G. Béquet, advocaten,
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça en C. Lycourgos (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1
Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V. verzoekt om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse/Commissie (T‑112/11, EU:T:2014:752; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1121/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Edam Holland (BGA)] (PB L 317, blz.14; hierna: „litigieuze verordening”), heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EG) nr. 510/2006
2
Overweging 14 van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 93, blz. 12; hierna „basisverordening”), nog geldend op het tijdstip van de litigieuze feiten, luidde als volgt:
„De registratieprocedure moet iedere natuurlijke of rechtspersoon uit een lidstaat of een derde land die een rechtmatig belang heeft, de gelegenheid bieden zijn rechten te doen gelden door bezwaar aan te tekenen.”
3
Artikel 7, leden 1 en 2, van de basisverordening was als volgt verwoord:
„1. Lidstaten of derde landen kunnen tot uiterlijk zes maanden na de in artikel 6, lid 2, eerste alinea, vermelde bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie bezwaar aantekenen tegen de geplande registratie door een met redenen omklede verklaring bij de [Europese] Commissie in te dienen.
2. Ook elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die in een derde land of in een andere lidstaat dan de lidstaat die de registratieaanvraag heeft ingediend, gevestigd of woonachtig is, kan bezwaar tegen de geplande registratie aantekenen door een met redenen omklede verklaring in te dienen.
In een lidstaat gevestigde of woonachtige natuurlijke of rechtspersonen dienen hun verklaring bij deze lidstaat in binnen een termijn die een bezwaar overeenkomstig lid 1 mogelijk maakt.
[...]”
4
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, van deze verordening bepaalde:
„Indien een geregistreerde benaming de naam omvat van een landbouwproduct of levensmiddel, die als soortnaam wordt beschouwd, wordt het gebruik van die soortnaam op dat landbouwproduct of levensmiddel niet beschouwd als strijdig met punt a) of b).”
Litigieuze verordening
5
Overweging 8 van de litigieuze verordening luidt:
„Het lijkt erop dat de opposanten niet naar de volledige benaming ‚Edam Holland’ verwezen toen zij beweerden dat de registratie het voortbestaan van benamingen, handelsmerken of producten in gevaar zou brengen en dat de voorgestelde naam een soortnaam is, maar slechts naar een element ervan, namelijk ‚Edam’. De bescherming wordt evenwel verleend aan de term ‚Edam Holland’ in zijn geheel. Krachtens artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de [basis]verordening mag de term ‚Edam’ blijven gebruikt worden, mits de in de rechtsorde van de Unie geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen. Ter verduidelijking zijn het productdossier en de samenvatting dienovereenkomstig aangepast.”
6
Artikel 1 van deze verordening regelt het volgende:
„De in bijlage I bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Onverminderd de eerste alinea mag de benaming ‚Edam’ blijven gebruikt worden op het grondgebied van de Unie, mits de in haar rechtsorde geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen.”
7
Bijlage II bij genoemde verordening bevat volgende informatie:
„[...]
4. Productdossier
[...]
4.1. Naam
‚Edam Holland’
4.2. Beschrijving
Edam Holland is natuurgerijpte kaas van het halfharde type. De kaas wordt in Nederland geproduceerd uit van Nederlandse melkveehouders afkomstige koemelk en gerijpt tot een consumentgereed product in Nederlandse rijpingskamers.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
8
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 7 van de bestreden beschikking uiteengezet als volgt:
„1
De Commissie [...] heeft op 1 maart 2008 een registratieaanvraag in de zin van artikel 6, lid 2, van de [basis]verordening bekendgemaakt. Die registratieaanvraag, die was ingediend door de Nederlandse Zuivelorganisatie (hierna: ‚NZO’) en door het Koninkrijk der Nederlanden aan de Commissie was toegezonden, betrof de registratie van de beschermde geografische aanduiding [...] ‚Edam Holland’[(hierna ‚betrokken BGA’]).
2
Op 26 juni 2008 heeft verzoekster [...] bij de Duitse autoriteiten een verklaring van bezwaar tegen de registratie van de betrokken BGA ingediend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de [basis]verordening.
3
In die verklaring van bezwaar stelde verzoekster dat zij een beroepsvereniging van producenten en distributeurs van edam was, waarvan de leden-ondernemingen in 2007 141385 ton edam hadden verkocht (waarvan 94361 ton afkomstig was uit eigen productie). Ter ondersteuning van de verklaring van bezwaar was met name aangegeven dat de registratie van de benaming ‚Edam Holland’ het gebruik van de soortnaam ‚edam’ in het gedrang zou brengen wegens het ontbreken van uitdrukkelijke preciseringen.
4
Op 18 juli 2008 heeft de Bondsrepubliek Duitsland bij de Commissie een verklaring van bezwaar ingediend tegen de registratie van de betrokken BGA. Verzoeksters verklaring van bezwaar van 26 juni 2008 (punt 2 supra) was gehecht aan de verklaring van bezwaar van de Bondsrepubliek Duitsland.
5
Op 21 oktober 2008 heeft de Commissie aan het Koninkrijk der Nederlanden meegedeeld dat het door de Bondsrepubliek Duitsland aangetekende bezwaar ontvankelijk werd geacht. Voorts heeft zij het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland verzocht om op gepaste wijze overleg te plegen teneinde een akkoord in de zin van artikel 7, lid 5, van de [basis]verordening te bereiken.
6
Op 29 mei 2009 heeft het Koninkrijk der Nederlanden aan de Commissie meegedeeld dat het onder andere met de Bondsrepubliek Duitsland geen akkoord had kunnen bereiken.
7
Op 2 december 2010 heeft de Commissie de [litigieuze] verordening vastgesteld. Het productdossier van de betrokken BGA bepaalt onder meer dat de kaas ‚Edam Holland’ in Nederland wordt geproduceerd uit van Nederlandse melkveehouders afkomstige koemelk (punt 4.2 van het productdossier).”
Procesverloop bij het Gerecht en bestreden beschikking
9
Bij een op 23 februari 2011 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante om nietigverklaring van de litigieuze verordening verzocht.
10
Het Koninkrijk der Nederlanden en de NZO zijn toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie, die om verwerping van het beroep heeft verzocht.
11
Daar het Gerecht zich voldoende ingelicht achtte door de stukken van het dossier, heeft het overeenkomstig artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering besloten zonder verdere behandeling uitspraak te doen en heeft het het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusies van partijen
12
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
primair, de bestreden beschikking te vernietigen en de litigieuze verordening nietig te verklaren,
—
subsidiair, de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het Gerecht, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
13
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen, en
—
rekwirante te verwijzen in de kosten.
14
Het Koninkrijk der Nederlanden verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen.
15
De NZO verzoekt het Hof:
—
primair, de hogere voorziening af te wijzen;
—
subsidiair, indien de hogere voorziening wordt toegewezen, de zaak te verwijzen naar het Gerecht, en
—
meer subsidiair, indien de hogere voorziening wordt toegewezen en het Hof besluit de zaak zelf af te doen, de litigieuze verordening te handhaven.
Hogere voorziening
16
Volgens artikel 181 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om deze geheel of gedeeltelijk bij met redenen omklede beschikking af te wijzen.
17
Deze bepaling dient in het kader van de onderhavige hogere voorziening te worden toegepast.
18
Ter staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.
Eerste middel
Argumentatie van rekwirante
19
Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat rekwirante een procesbelang had, gebaseerd op het gegeven dat de litigieuze verordening niet verduidelijkt dat het begrip „edam” een soortnaam is in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening en dus verder gebruikt kan worden voor de verkoop van kazen. Deze ontbrekende verduidelijking ondermijnt op ernstige wijze de rechtspositie van rekwirante omdat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het vermoeden bestaat dat ieder deel van een samengestelde benaming afzonderlijk wordt beschermd. Zodoende staat het procesbelang van rekwirante vast, en heeft het Gerecht haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk geacht.
20
Deze argumenten worden betwist door de Commissie.
Beoordeling door het Hof
21
In overweging 8 van de litigieuze verordening is, onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening vermeld dat „de term ‚Edam’ mag blijven gebruikt worden”. In dat artikel van de basisverordening was namelijk bepaald dat wanneer de naam van een landbouwproduct of van een levensmiddel die is ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, een soortnaam is, het commerciële gebruik van deze naam de bescherming van die geregistreerde benaming niet schaadt. Dienovereenkomstig heeft de Commissie in artikel 1 van de litigieuze verordening besloten dat de naam „Edam”, gezien het feit dat het een soortnaam was, mocht blijven worden gebruikt op het grondgebied van de Unie, ondanks de inschrijving in de BGA, mits de in haar rechtsorde geldende beginselen en voorschriften in acht werden genomen.
22
Hieruit vloeit voort dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punten 29 en 30 van de bestreden beschikking te oordelen dat een eventuele nietigverklaring van de litigieuze verordening rekwirantes leden geen enkel voordeel zou verschaffen, omdat deze verordening bepaalt dat de benaming „edam” in het bijzonder voor de verkoop van kaas mag blijven worden gebruikt, mits de in de rechtsorde van de Europese Unie geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen.
23
Uit een en ander volgt dat het eerste middel kennelijk ongegrond is.
Tweede middel
Argumentatie van rekwirante
24
Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht een onjuiste opvatting van de feiten die aan de basis liggen van rekwirantes argument dat de litigieuze verordening leidt tot een belemmering van de economische activiteit van haar leden die bestaat in leveringen van melk aan Nederland om daar verwerkt te worden tot edam. Ter ondersteuning van haar tweede middel verwijst rekwirante naar feiten en bewijsstukken die het bestaan van de leveringen moeten aantonen, beklemtoont zij dat geen enkele andere procespartij haar verklaringen heeft betwist en besluit zij ermee dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat toen het heeft geoordeeld dat dit argument van rekwirante feitelijke grondslag miste. Bovendien betoogt zij dat het Gerecht de feiten waarop het in punt 41 van de bestreden beschikking steunt, in verschillende opzichten onjuist heeft opgevat.
25
De Commissie bestrijdt de argumenten van rekwirante ter onderbouwing van dit middel.
Beoordeling door het Hof
26
Om te beginnen zij opgemerkt dat de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijsstukken te beoordelen. De beoordeling van de feiten en de bewijsstukken levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (arrest ICF/Commissie, C‑467/13 P, EU:C:2014:2274, punt 26, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
In casu doet rekwirante ter onderbouwing van haar tweede middel echter niet meer dan verwijzen naar aan het Gerecht voorgelegde feiten en bewijsstukken betreffende de door enkele van haar leden aan Nederland geleverde hoeveelheden melk, om daaruit af te leiden dat de economische activiteit van haar leden ten gevolge van de litigieuze verordening wordt belemmerd, nu zij de in Duitsland geproduceerde melk niet meer mogen verkopen naar Nederland voor de productie van door de BGA beschermde kazen. Rekwirante verzoekt het Hof daarmee over te gaan tot een vaststelling en een beoordeling van de feiten, zonder aan te geven hoe deze onjuist zijn opgevat, hetgeen niet tot zijn bevoegdheden behoort.
28
Wat overigens de argumenten ten aanzien van punt 41 van de bestreden beschikking betreft, waarin het Gerecht tot de conclusie komt dat rekwirante niet voor het Gerecht kon optreden om de belangen van haar melkproducerende leden te vertegenwoordigen, volstaat de vaststelling dat rekwirante in punt 32 van haar verzoekschrift zelf erkent dat deze argumenten zien op een beoordeling die het Gerecht ten overvloede heeft geformuleerd. Daarom kunnen deze argumenten geen doel treffen en moeten zij dus worden afgewezen nu zij hoe dan ook de nietigverklaring van de bestreden beschikking niet kunnen teweegbrengen.
29
Uit een en ander volgt dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is.
Derde middel
Argumentatie van rekwirante
30
Met haar derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat rekwirante een procesbelang had dat voortvloeide uit het feit dat zij krachtens de basisverordening zelf ook het recht had om bezwaar aan te tekenen.
31
De door rekwirante ter onderbouwing van dit middel aangevoerde argumenten worden door de Commissie betwist.
Beoordeling door het Hof
32
Artikel 7, lid 2, eerste alinea, van de basisverordening bepaalde dat elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die in een derde land of in een andere lidstaat dan de lidstaat die de aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming of van een beschermde geografische aanduiding heeft ingediend, gevestigd of woonachtig is, tegen de geplande registratie bezwaar kan aantekenen door een met redenen omklede verklaring in te dienen.
33
De tweede alinea van hetzelfde lid van dit artikel schrijft echter voor dat in een lidstaat gevestigde of woonachtige natuurlijke of rechtspersonen hun verklaring bij deze lidstaat moeten indienen zodat deze de mogelijkheid krijgt gebruik te maken van het hem door lid 1 van dit artikel toegekende recht om bezwaar aan te tekenen.
34
Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 42 van de bestreden beschikking te besluiten dat het de natuurlijke of rechtspersonen met een rechtmatig belang die in een lidstaat gevestigd of woonachtig zijn, niet mogelijk is rechtstreeks bij de Commissie bezwaar aan te tekenen.
35
In deze omstandigheden is het derde middel kennelijk ongegrond.
Vierde middel
Argumentatie van rekwirante
36
Met haar vierde middel betoogt rekwirante dat haar leden in een concurrentieverhouding worden geplaatst tegenover de Nederlandse producenten van de door de kwestieuze BGA beschermde kazen. Volgens haar toont de veelheid van de onder de benaming „edam” verkochte producten en daarmee het verwarringsrisico voor de consument aan dat alle „edam”-producten met elkaar concurreren.
37
Verder stelt rekwirante dat het Gerecht haar recht om te worden gehoord heeft geschonden. Het Gerecht had namelijk aan de partijen de mogelijkheid moeten verlenen tot aanvulling van hun betoog dat sprake was van mededinging tussen de producten die verkocht worden onder de naam „edam” door rekwirantes leden en die welke verkocht worden onder de desbetreffende BGA. Het Gerecht heeft immers geoordeeld dat rekwirante deze mededinging niet had aangetoond, terwijl de Commissie het door rekwirante tegen de registratie van BGA geuite bezwaar had aanvaard en daarmee had erkend dat rekwirante het door artikel 7, lid 2, van de basisverordening vereiste „rechtmatige belang” had om een dergelijk bezwaar te kunnen aantekenen.
38
Rekwirante betwist tevens de overwegingen van het Gerecht in de punten 44 tot 46 van de bestreden beschikking, waarin het ervan uitgaat dat het doel van de basisverordening erin bestond gelijke mededingingsvoorwaarden tot stand te brengen voor producten met vermeldingen van oorsprong, dat de litigieuze verordening niet tot doel heeft een aan rekwirantes leden toekomend recht op te heffen en dat in ieder geval de door rekwirante aangevoerde argumenten niet aantonen dat haar leden rechtstreeks door deze verordening zijn geraakt.
39
De Commissie betwist de door rekwirante aangevoerde argumenten ter onderbouwing van dit middel.
Beoordeling door het Hof
40
Wat om te beginnen het argument betreffende de eventuele concurrentieverhouding tussen enerzijds de Nederlandse producenten van door de betrokken BGA beschermde kazen en anderzijds de leden van rekwirante betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat rekwirante, die enkel bepaalde elementen van haar verzoekschrift in eerste aanleg herhaalt, stelt dat het Gerecht de bewijzen en de feiten die zij heeft overlegd, onjuist heeft opgevat, zonder echter aan te geven in welk opzicht zij blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting. Deze argumentatie is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.
41
Ten aanzien van rekwirantes argument dat het Gerecht haar recht om te worden gehoord heeft geschonden, volstaat het vervolgens, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de Commissie daadwerkelijk heeft erkend dat rekwirante een „rechtmatig belang” had in de zin van artikel 7, lid 2, van de basisverordening, om erop te wijzen dat het Gerecht partijen op 15 november 2013 in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft verzocht om een aantal vragen te beantwoorden, in het bijzonder betreffende het procesbelang van rekwirante. Hieruit vloeit voort dat het argument van rekwirante dat het Gerecht haar recht om gehoord te worden heeft geschonden, kennelijk ongegrond is.
42
Wat ten slotte rekwirantes argumenten aangaande punten 44 tot en met 46 van de bestreden beschikking betreft, moet worden vastgesteld dat zij, zoals rekwirante in punten 58, 61 en 63 van haar verzoekschrift zelf erkent, een beoordeling betreffen waaraan het Gerecht zich ten overvloede heeft gewijd, zodat deze argumenten niet ter zake dienend zijn.
43
Uit bovenstaande overwegingen volgt dat het vierde middel gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond is.
44
Bijgevolg dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
45
Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
46
Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van deze instelling te worden verwezen.
47
Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt het Koninkrijk der Nederlanden zijn eigen kosten.
48
Overeenkomstig artikel 184, lid 4, van voormelde verordening, dient te worden beslist dat de NZO eveneens haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Zevende kamer) beschikt:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Schutzgemeinschaft Milch und Milcherzeugnisse e.V. wordt verwezen in de kosten.
3)
Het Koninkrijk der Nederlanden en de Nederlandse Zuivelorganisatie dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
( * ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy