14.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 16/33
Arrest van het Gerecht van 15 november 2018 — PKK/Raad
(Zaak T-316/14) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen de PKK in het kader van de strijd tegen het terrorisme - Bevriezing van tegoeden - Bevoegdheid van de Raad - Mogelijkheid voor een instantie van een derde land om te worden aangemerkt als ‚bevoegde instantie’ in de zin van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB - Feitelijke grondslag voor besluiten tot bevriezing van tegoeden - Verwijzing naar terroristische daden - Rechterlijke toetsing - Motiveringsplicht - Exceptie van onwettigheid”))
(2019/C 16/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Kurdistan Workers’ Party (PKK) (vertegenwoordigers: A. van Eik, T. Buruma en M. Wijngaarden, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Naert en G. Étienne, vervolgens F. Naert en H. Marcos Fraile, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Brodie en V. Kaye, vervolgens C. Brodie en S. Brandon, vervolgens C. Brodie, C. Crane en R. Fadoju, vervolgens C. Brodie, R. Fadoju en P. Nevill, en ten slotte R. Fadoju, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk F. Castillo de la Torre en D. Gauci, vervolgens D. Gauci en J. Norris-Usher en T. Ramopoulos, en ten slotte J. Norris-Usher, T. Ramopoulos en R. Tricot, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot, aanvankelijk, nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 125/2014 van de Raad van 10 februari 2014 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 714/2013 (PB 2014, L 40, blz. 9), voor zover die handeling verzoekster betreft, en, later, nietigverklaring van andere daaropvolgende handelingen, voor zover zij verzoekster betreffen.
Dictum
1)
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 125/2014 van de Raad van 10 februari 2014 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 714/2013, wordt nietig verklaard voor zover zij Kurdistan Workers’ Party (PKK) betreft.
2)
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 790/2014 van de Raad van 22 juli 2014 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening nr. 125/2014, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
3)
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/513 van de Raad van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening nr. 790/2014, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
4)
Besluit (GBVB) 2015/521 van de Raad van 26 maart 2015 inzake de actualisering en wijziging van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2014/483/GBVB, wordt nietig verklaard voor zover het de PKK betreft.
5)
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1325 van de Raad van 31 juli 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2015/513, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
6)
Besluit (GBVB) 2015/1334 van de Raad van 31 juli 2015 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit 2015/521, wordt nietig verklaard voor zover het de PKK betreft.
7)
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2425 van de Raad van 21 december 2015 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2015/1325, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
8)
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1127 van de Raad van 12 juli 2016 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2015/2425, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
9)
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/150 van de Raad van 27 januari 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2016/1127, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
10)
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1420 van de Raad van 4 augustus 2017 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening 2017/150, wordt nietig verklaard voor zover zij de PKK betreft.
11)
Besluit (GBVB) 2017/1426 van de Raad van 4 augustus 2017 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van besluit (GBVB) 2017/154, wordt nietig verklaard voor zover het de PKK betreft.
12)
Voor het overige wordt het verzoek om het Gerecht te horen verklaren dat verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, niet op de PKK van toepassing is, afgewezen.
13)
De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van de PKK.
14)
De Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zullen elk hun eigen kosten dragen.
(1) PB C 245 van 28.07.2014.
Full & Egal Universal Law Academy