T‑66/1462014TJ0066EU:T:2016:4300001111212TARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)21 juli 2016 (
*1
)
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten wegens de situatie in Zimbabwe — Bevriezing van tegoeden — Niet-contractuele aansprakelijkheid”
In zaak T‑66/14,
John Arnold Bredenkamp, wonende te Harare (Zimbabwe),
Echo Delta (Holdings) PCC Ltd, gevestigd te Castletown (Isle of Man),
Scottlee Holdings (Private) Ltd, gevestigd te Harare,
Fodya (Private) Ltd, gevestigd te Harare,
vertegenwoordigd door P. Moser, QC, en G. Martin, solicitor,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en E. Dumitriu-Segnana als gemachtigden,
en
Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Bartelt, D. Gauci en T. Scharf als gemachtigden,
verweerders,
betreffende een verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekers zouden hebben geleden door de vaststelling van verordening (EG) nr. 77/2009 van de Commissie van 26 januari 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad betreffende bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2009, L 23, blz. 5), verordening (EU) nr. 173/2010 van de Commissie van 25 februari 2010 tot wijziging van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2010, L 51, blz. 13) en verordening (EU) nr. 174/2011 van de Commissie van 23 februari 2011 tot wijziging van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2011, L 49, blz. 23),
wijst HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, M. Kancheva en C. Wetter, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 februari 2016,
het navolgende
Arrest ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
In zijn gemeenschappelijk standpunt 2002/145/GBVB van 18 februari 2002 betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2002, L 50, blz. 1), dat is vastgesteld op grond van artikel 15 EU-Verdrag, heeft de Raad van de Europese Unie zijn ernstige bezorgdheid geuit over de situatie in Zimbabwe, in het bijzonder over ernstige schendingen van de mensenrechten door de regering van de Republiek Zimbabwe, waaronder schending van de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering. Om die reden heeft hij voor een verlengbare duur van twaalf maanden beperkende maatregelen ingesteld die voortdurend moeten worden geëvalueerd.
2
Bij gemeenschappelijk standpunt 2004/161/GBVB van de Raad van 19 februari 2004 houdende verlenging van de beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2004, L 50, blz. 66) werden de bij gemeenschappelijk standpunt 2002/145 ingevoerde beperkende maatregelen verlengd. Artikel 4, lid 1, van gemeenschappelijk standpunt 2004/161, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 1, van gemeenschappelijk standpunt 2008/632/GBVB van de Raad van 31 juli 2008 tot wijziging van gemeenschappelijk standpunt 2004/161 (PB 2008, L 205, blz. 53), bepaalde dat „[d]e lidstaten [...] de nodige maatregelen [nemen] om de binnenkomst op of de doorreis via hun grondgebied te beletten van de leden van de regering van [de Republiek] Zimbabwe en van de met hen geassocieerde natuurlijke personen, alsmede van andere natuurlijke personen die zich schuldig maken aan activiteiten die de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Zimbabwe ernstig ondermijnen” en „[d]e in dit lid bedoelde personen [...] vermeld [staan] in de bijlage”. Volgens artikel 5, lid 1, van gemeenschappelijk standpunt 2004/161, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 5, van gemeenschappelijk standpunt 2008/632, werden „[a]lle tegoeden en economische middelen die in het bezit zijn van leden van de regering van [de Republiek] Zimbabwe of van de met hen geassocieerde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten en lichamen, dan wel van andere natuurlijke of rechtspersonen wier activiteiten de democratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Zimbabwe ernstig ondermijnen, [...] bevroren” en „[stond] [d]e lijst van de in dit lid bedoelde personen en entiteiten [...] in de bijlage”. Het aldus gewijzigde gemeenschappelijk standpunt 2004/161 werd achtereenvolgens verlengd tot 20 februari 2010 bij gemeenschappelijk standpunt 2009/68/GBVB van de Raad van 26 januari 2009 houdende verlenging van beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2009, L 23, blz. 43), en daarna tot 20 februari 2011 bij besluit 2010/92/GBVB van de Raad van 15 februari 2010 houdende verlenging van beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2010, L 41, blz. 6). In artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van besluit 2011/101/GBVB van de Raad van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2011, L 42, blz. 6), waarbij gemeenschappelijk standpunt 2004/161 werd ingetrokken en dat van toepassing was tot en met 20 februari 2012, werden dezelfde maatregelen vastgesteld als die van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van gemeenschappelijk standpunt 2004/161.
3
Zoals blijkt uit overweging 5 van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB 2004, L 55, blz. 1) is deze verordening vastgesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van de in gemeenschappelijk standpunt 2004/161 bedoelde beperkende maatregelen voor zover die binnen het toepassingsgebied van het EG-Verdrag vallen. Artikel 6, lid 1, van die verordening bepaalt met name dat alle tegoeden en economische middelen van de afzonderlijke leden van de regering van de Republiek Zimbabwe en van de in bijlage III vermelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die met hen banden hebben, worden bevroren. Volgens artikel 11, onder b), van die verordening wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen gemachtigd om die bijlage te wijzigen op basis van besluiten ten aanzien van de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2004/161.
4
De naam van eerste verzoeker, John Arnold Bredenkamp, is toegevoegd aan de lijst van de in de artikelen 4 en 5 van gemeenschappelijk standpunt 2004/161 bedoelde personen op grond van artikel 2 van gemeenschappelijk standpunt 2009/68 en deel I van de bijlage daarbij. De motivering op grond waarvan deze naam in punt 7 van deze bijlage is opgenomen, luidt:
„Zakenman met sterke banden met de regering van [de Republiek] Zimbabwe. Heeft, onder meer via zijn bedrijven, financiële en andere steun verleend aan het regime (zie ook punten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 12, 14, 20, 24, 25, 28, 29, 31 en 32 in deel II).”
5
De naam van eerste verzoeker is toegevoegd aan de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen krachtens artikel 1 van verordening (EG) nr. 77/2009 van de Commissie van 26 januari 2009 tot wijziging van verordening nr. 314/2004 (PB 2009, L 23, blz. 5) en de bijlage daarbij. De motivering op grond waarvan verzoekers naam in punt 7 van deel I van deze bijlage is opgenomen, luidt:
„Zakenman met nauwe banden met de regering van Zimbabwe. Heeft, onder andere via zijn bedrijven, financiële en andere steun verleend aan het regime (zie ook de punten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 12, 14, 20, 24, 25, 28, 29, 31 en 32 in deel II).”
6
De namen van tweede verzoekster en derde verzoekster, Echo Delta (Holdings) PCC Ltd en Scottlee Holdings (Private) Ltd, zijn ook toegevoegd aan de lijst van de in de artikelen 4 en 5 van gemeenschappelijk standpunt 2004/161 bedoelde personen op grond van artikel 2 van gemeenschappelijk standpunt 2009/68 en de bijlage daarbij. Deze namen zijn toegevoegd aan de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen krachtens artikel 1 van verordening nr. 77/2009 en de bijlage daarbij. In de motivering voor hun plaatsing op de betrokken lijsten wordt in gemeenschappelijk standpunt 2004/161 vermeld „Owned by John Arnold Bredenkamp” en in verordening nr. 77/2009 „Eigendom van John Arnold Bredenkamp”. Daarnaast is de benaming „Breco International” toegevoegd aan punt 7 van deel II van de lijst van de in de artikelen 4 en 5 van gemeenschappelijk standpunt 2004/161 bedoelde personen krachtens artikel 2 van gemeenschappelijk standpunt 2009/68 en de bijlage daarbij en aan punt 7 van deel II van bijlage III bij verordening nr. 314/2004 krachtens artikel 1 van verordening nr. 77/2009 en de bijlage daarbij. Die benaming is op deze lijsten geplaatst om dezelfde redenen als die voor de plaatsing van de namen van tweede en derde verzoekster op die lijsten.
7
Bij op 6 april 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben Bredenkamp en 18 rechtspersonen, waaronder tweede en derde verzoekster in de onderhavige zaak, beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 77/2009 (zaak T‑145/09, Bredenkamp e.a./Commissie).
8
De namen van de eerste drie verzoekers en Breco International werden op de betrokken lijsten gehandhaafd op grond van besluit 2010/92, verordening (EU) nr. 173/2010 van de Commissie van 25 februari 2010 tot wijziging van verordening nr. 314/2004 (PB 2010, L 51, blz. 13), besluit 2011/101 en verordening (EU) nr. 174/2011 van de Commissie van 23 februari 2011 tot wijziging van verordening nr. 314/2004 (PB 2011, L 49, blz. 23).
9
De naam van de eerste drie verzoekers en die van Breco International zijn van de betrokken lijsten geschrapt op grond van besluit 2012/97/GBVB van de Raad van 17 februari 2012 houdende wijziging van besluit 2011/101 (PB 2012, L 47, blz. 50) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 151/2012 van de Commissie van 21 februari 2012 tot wijziging van verordening nr. 314/2004 (PB 2012, L 49, blz. 2).
10
Naar aanleiding van de vaststelling van besluit 2012/97 en uitvoeringsverordening nr. 151/2012 heeft het Gerecht bij beschikking van 6 september 2012, Bredenkamp e.a./Commissie (T‑145/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:407), geoordeeld dat niet hoefde te worden beslist op het op 6 april 2009 ingestelde beroep.
Procedure en conclusies van partijen
11
Bij op 24 januari 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
12
Verzoekers verzoeken het Gerecht:
—
de Raad en de Commissie te veroordelen tot betaling van de in het verzoekschrift nader bepaalde schadevergoeding;
—
de Raad en de Commissie te gelasten samengestelde rente te betalen tegen de Euribor-rentevoet vermeerderd met twee procentpunten vanaf de datum van het eindarrest;
—
de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten.
13
De Raad en de Commissie verzoeken het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekers te verwijzen in de kosten.
14
Partijen hebben een aantal memories overgelegd die waren ingediend in het kader van de zaak T‑145/09, Bredenkamp e.a./Commissie. Aangezien er geen reden is om deze stukken uit het dossier van de onderhavige zaak te weren, worden zij er definitief aan toegevoegd. Partijen hebben zich er overigens niet tegen verzet dat beide zijden deze memories overleggen.
In rechte
15
Ter ondersteuning van hun beroep stellen verzoekers dat zij vijf soorten – materiële en immateriële – schade hebben geleden, die zijn veroorzaakt door een aantal onrechtmatigheden waarmee de oorspronkelijke plaatsing en de handhaving van hun naam op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn behept. Die onrechtmatigheden worden uiteengezet in vier grieven.
16
De Raad stelt om te beginnen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond moet worden verklaard op grond dat het bewijs dat is aangevoerd ter staving van het onderdeel betreffende de soorten schade die verzoekers zouden hebben geleden, duidelijk ontoereikend is.
17
In dat verband zij in herinnering gebracht dat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU voor onrechtmatig gedrag van haar organen afhankelijk is van een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, het werkelijke bestaan van de schade en een oorzakelijk verband tussen het beweerde gedrag en de gestelde schade. Aangezien die drie voorwaarden voor aansprakelijkheid cumulatief zijn, moet het beroep tot schadevergoeding in zijn geheel worden verworpen wanneer één van die voorwaarden niet is vervuld, zonder dat de overige voorwaarden hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest van 23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
Gelet op het verzoek van eerste verzoeker inzake vergoeding van de immateriële schade die hij zou hebben geleden, moet om te beginnen worden onderzocht of de Raad en de Commissie rechtmatig zijn opgetreden ten aanzien van die verzoeker. De argumenten van de Raad inzake de niet-ontvankelijkheid van het beroep of de kennelijke ongegrondheid daarvan in het licht van het aan het verzoekschrift gehechte bewijs moeten immers, minstens wat betreft de door eerste verzoeker aangevoerde immateriële schade, worden afgewezen, aangezien het beroep voldoende elementen bevat die de omstandigheden omschrijven waaruit schade in die zin kan worden afgeleid. In die context moet het beroep in zijn geheel worden verworpen ten aanzien van alle verzoekers indien blijkt dat deze instellingen niet onrechtmatig zijn opgetreden ten aanzien van eerste verzoeker, aangezien de reden voor de litigieuze plaatsingen berust op de plaatsing van eerste verzoeker op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen.
19
De Commissie stelt om te beginnen dat ten aanzien van vierde verzoekster nooit beperkende maatregelen zijn vastgesteld, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wat haar betreft.
20
Zoals uiteengezet in punt 6 hierboven, beweert vierde verzoekster de algemene rechtsopvolgster van Breco International (Private) te zijn, die onder de benaming „Breco International” zou zijn toegevoegd aan de in bijlage III bij verordening nr. 314/2004 opgenomen lijst van de rechtspersonen, entiteiten en lichamen zoals bedoeld in artikel 6 op grond van artikel 1 van verordening nr. 77/2009 en de bijlage daarbij. Dienaangaande zij opgemerkt dat in punt 7 van deel II van die bijlage wordt vermeld dat Breco International een rechtspersoon is die is gevestigd te St. Helier (Jersey). Volgens de toelichtingen van de Raad ter terechtzitting was het bestaan van een dergelijke in Jersey gevestigde entiteit afgeleid uit een rapport van een bureau voor inlichtingen over ondernemingen, dat aan de door die instelling ingediende dupliek is gehecht. Volgens een certificaat van naamswijziging van 29 september 2010 uit het Zimbabwaanse handelsregister, dat verzoekers hebben overgelegd in het kader van de regularisatie van hun verzoekschrift, is vierde verzoekster de Zimbabwaanse onderneming Breco International (Private) Ltd, thans Fodya (Private) Ltd. In die context moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat Breco International niet op de betrokken lijsten was geplaatst op basis van bewijs van het juridische bestaan van die entiteit dat afkomstig was uit het Zimbabwaanse handelsregister. In de tweede plaats is er geen enkele aanwijzing dat de betrokken instellingen door de naam van Breco International op die lijsten te plaatsen de bedoeling hadden de naam van vierde verzoekster, die is gevestigd te Harare (Zimbabwe) en waarvan de identificatiegegevens daardoor wezenlijk verschillen van die van Breco International, op die lijsten op te nemen. In die omstandigheden stellen verzoekers ten onrechte dat de naam van vierde verzoekster op deze lijsten is geplaatst.
21
Anders dan de Commissie stelt, heeft de omstandigheid dat vierde verzoekster niet bewijst dat haar naam op de betrokken lijsten is geplaatst, echter geen invloed op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot schadevergoeding voor zover dit door haar is ingesteld. De vraag of de plaatsing van Breco International of van de eerste drie verzoekers op die lijsten voor vierde verzoekster schade heeft veroorzaakt die moet worden vergoed volgens de in punt 17 hierboven uiteengezette regels, heeft immers geen betrekking op de ontvankelijkheid van het beroep, maar houdt verband met het werkelijke bestaan van die aangevoerde schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de vermeende onrechtmatigheden bij die plaatsingen en die schade.
22
Bijgevolg neemt de omstandigheid dat verzoekers ten onrechte stellen dat de naam van vierde verzoekster op de betrokken lijsten is opgenomen, niet weg dat het beroep ontvankelijk is wat vierde verzoekster betreft.
23
Wat het vermeend onrechtmatige optreden van de Raad en de Commissie betreft, zij meteen vastgesteld dat ofschoon verzoekers in het inleidende deel van hun verzoekschrift nu eens verwijzen naar de gemeenschappelijke standpunten en de besluiten die zijn vastgesteld op basis van de bepalingen van het EU-Verdrag die betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en waarbij beperkende maatregelen ten aanzien van hen werden ingesteld, en dan weer naar de verordeningen die zijn vastgesteld op basis van de bepalingen van het EG-Verdrag en het VWEU, hun grieven betreffende de vermeende onrechtmatigheden uitsluitend betrekking hebben op laatstbedoelde verordeningen. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het beroep ertoe strekt de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie enkel vast te stellen op basis van de betrokken verordeningen, en niet op basis van de gemeenschappelijke standpunten en de besluiten die zijn vastgesteld in het kader van het GBVB.
24
Opdat voldaan zou zijn aan de voorwaarde voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie inzake de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, moet er sprake zijn van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen. Dit is per definitie het geval bij het grondrecht op eigendom (arrest van 23 november 2011, Sison/Raad, T‑341/07, EU:T:2011:687, punten 33 en 75).
25
In casu stellen verzoekers dat de verordeningen nr. 77/2009, nr. 173/2010 en nr. 174/2011, voor zover zij hen betreffen, in de eerste plaats geen rechtsgrondslag hebben, in de tweede plaats aangetast zijn door onjuiste opvattingen omtrent het recht en de feiten, in de derde plaats substantiële vormvoorschriften schenden en in de vierde plaats, gelet op de bovengenoemde onrechtmatigheden, het eigendomsrecht schenden.
26
Vooraf moet, wat betreft de voorwaarde dat de rechtsregel die zou zijn geschonden, ertoe moet strekken rechten aan particulieren toe te kennen, worden opgemerkt dat beperkende maatregelen tot doel hebben de uitoefening van bepaalde rechten door de personen tegen wie de sancties zijn gericht te beperken, in de eerste plaats die van hun eigendomsrecht. Gelet op de doelstellingen die worden beoogd met het stelsel van beperkende maatregelen zoals dat in casu aan de orde, vormt dit stelsel evenwel een beperking die beantwoordt aan de criteria van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 195‑205). Verzoekers beweren overigens niet dat dit stelsel op zich hun eigendomsrecht aantast. Evenwel zij in herinnering gebracht dat de bevoegdheid om het eigendomsrecht te beperken, moet worden uitgeoefend volgens de daartoe vastgestelde procedurele en materiële regels. Indien dit niet het geval is, is er in het gegeven geval sprake van een ongerechtvaardigde beperking van het eigendomsrecht (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punten 352, 353 en 368‑370). De grieven die zijn aangevoerd ter ondersteuning van het beroep hebben dus betrekking op regels die rechten aan particulieren toekennen, voor zover zij ertoe strekken aan te tonen dat er bij de verordeningen houdende bevriezing van de tegoeden van de eerste drie verzoekers sprake is van onrechtmatigheden op het vlak van de procedurele en materiële regels inzake de bevoegdheid om hun eigendomsrecht te beperken.
27
Om te beginnen moet de grief worden onderzocht waarmee wordt gesteld dat er geen rechtsgrondslag is, vervolgens de grief betreffende de vermeende schending van substantiële vormvoorschriften en tot slot de twee andere grieven, betreffende de rechtmatigheid ten gronde van de handelingen waartegen wordt opgekomen.
Ontbreken van een rechtsgrondslag
28
Verzoekers stellen dat de artikelen 60 en 301 EG, waarop verordening nr. 314/2004 is gebaseerd, alleen maar betrekking hebben op derde landen en hun leiders en personen en entiteiten die banden hebben met die leiders of door hen worden gecontroleerd. Verzoekers behoren niet tot een van die categorieën, zelfs niet indien zou worden aanvaard dat eerste verzoeker nauw verbonden was met de Zimbabwaanse regering, wat verzoekers betwisten. Het is immers niet om het even welk soort band, los van concreet gedrag, op grond waarvan de naam van een Zimbabwaanse zakenman op de lijst van de in artikel 6 van die verordening bedoelde personen mag worden geplaatst. Volgens verzoekers betekent het recht op effectieve rechterlijke bescherming dat zij vergoeding mogen vorderen van de schade die zij hebben geleden door het ontbreken van een rechtsgrondslag waardoor de rechtmatigheid van de litigieuze handelingen wordt aangetast. Hoe dan ook, zelfs als eerste verzoeker zou moeten worden geacht banden met de Zimbabwaanse regering te hebben, geeft dit de betrokken instellingen volgens verzoekers niet het recht om de namen van tweede en derde verzoekster en die van Breco International automatisch aan de betrokken lijsten toe te voegen.
29
Met dit betoog voeren verzoekers in wezen aan dat artikel 6 van verordening nr. 314/2004, uitgelegd in het licht van de artikelen 60 en 301 EG, die er de rechtsgrondslag van vormen, betrekking heeft op derde landen, hun leiders en alleen de natuurlijke personen en rechtspersonen die rechtstreeks banden hebben met die leiders of direct door hen worden gecontroleerd, en niet op zakenmensen en ondernemingen zoals zijzelf.
30
Artikel 60, lid 1, EG bepaalt dat indien in gevallen als bedoeld in artikel 301 EG een optreden van de Gemeenschap nodig wordt geacht, de Raad ten aanzien van de betrokken derde landen de nodige urgente maatregelen betreffende het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer kan nemen. Artikel 301 EG preciseert dat de Raad de nodige urgente maatregelen neemt ingeval een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden is vastgesteld dat volgens de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die betrekking hebben op het GBVB, meebrengt dat de Gemeenschap moet optreden om de economische betrekkingen met één of meer derde landen te onderbreken of geheel of gedeeltelijk te beperken.
31
Gelet op de bewoordingen van de artikelen 60 en 301 EG, in het bijzonder de daarin vervatte uitdrukkingen „ten aanzien van de betrokken derde landen” en „met één of meer derde landen”, betreffen die bepalingen de vaststelling van maatregelen tegen derde landen, waarbij dit laatste begrip ook de leiders van een dergelijk land kan omvatten, alsook personen en entiteiten die banden met die leiders hebben of door hen rechtstreeks of indirect worden gecontroleerd. Het kan niet worden uitgesloten dat tegen de bestuurders van bepaalde ondernemingen beperkende maatregelen op grond van de artikelen 60 en 301 EG worden vastgesteld, voor zover vaststaat dat zij banden hebben met de leiders van het betrokken derde land (zie in die zin arrest van 13 maart 2012, Tay Za/Raad, C‑376/10 P, EU:C:2012:138, punten 53 en 55).
32
Verordening nr. 314/2004 en de in punt 25 hierboven aangehaalde litigieuze verordeningen waarbij zij is gewijzigd, hebben betrekking op de vaststelling van beperkende maatregelen ten aanzien van de Republiek Zimbabwe.
33
In overweging 2 van verordening nr. 314/2004 heet het dat de sinds februari 2002 geldende beperkende maatregelen moesten worden gehandhaafd, gelet op de ernstige schendingen van de mensenrechten waaraan de regering van dat land zich schuldig maakte.
34
De betrokken beperkende maatregelen hielden concreet een bevriezing in van alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan personen die onder de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 omschreven categorieën vallen. Het betreft leden van de Zimbabwaanse regering en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen die banden met die leden hebben.
35
In casu blijkt uit de bijlage bij verordening nr. 77/2009 dat eerste verzoeker op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen is geplaatst op grond dat hij „nauwe banden met de regering van Zimbabwe” had en „onder andere via zijn bedrijven, financiële en andere steun [had] verleend aan het regime” (zie punt 5 hierboven). Zijn naam was op deze lijst geplaatst op basis van de bevoegdheid die artikel 11, onder b), van die verordening aan de Commissie toekent, en naar aanleiding van de vaststelling van gemeenschappelijk standpunt 2009/68.
36
Zoals de Raad en de Commissie betogen, ziet deze motivering wel degelijk op een persoon die „banden” heeft met de leiders van het land waartegen beperkende maatregelen worden vastgesteld. Gelet op de doelstellingen van de beperkende maatregelen, die erin bestaan elke steun aan de betrokken regering te verhinderen, moeten immers ook personen die activiteiten verrichten zoals vermeld in punt 35 hierboven, worden beschouwd als personen die zulke banden hebben. Bijgevolg is de plaatsing van de naam van eerste verzoeker op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen door verordening nr. 77/2009 geldig gebaseerd op de artikelen 60 en 301 EG, die op hun beurt de rechtsgrondslag van verordening nr. 314/2004 vormen.
37
Deze vaststelling geldt ook ten aanzien van de rechtspersonen waarvan eerste verzoeker eigenaar is en die op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn geplaatst. Zoals de Raad betoogt, is de mogelijkheid om beperkende maatregelen vast te stellen ten aanzien van de rechtspersonen die eigendom zijn van een natuurlijke persoon die banden heeft met de leiders van het betrokken land immers zonder twijfel een voorwaarde voor de doeltreffendheid van die maatregelen. Aangezien tweede en derde verzoekster op de betrokken lijsten zijn geplaatst op grond dat zij eigendom zijn van eerste verzoeker, is die plaatsing dus geldig gebaseerd op de artikelen 60 en 301 EG. Hetzelfde geldt voor de plaatsing van Breco International op die lijsten, die op dezelfde reden is gebaseerd, zodat verordening nr. 314/2004 geldig is vastgesteld op basis van die artikelen wat haar betreft.
38
Derhalve is er geen sprake van onrechtmatigheid wat betreft de rechtsgrondslag voor de plaatsing van de namen van de eerste drie verzoekers en Breco International op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen.
39
Overigens, voor zover het betoog van verzoekers dat zij niet op basis van hun gedrag kunnen worden gekwalificeerd als personen die banden hebben met de Zimbabwaanse regering in die zin zou kunnen worden begrepen dat zij geen banden hebben met die regering in de zin van artikel 6 van verordening nr. 314/2004 zoals uitgelegd in punt 34 hierboven, valt het samen met de grief betreffende een vermeend onjuiste opvatting van de feiten op een aantal punten, die zal worden onderzocht in de punten 65 tot en met 94 hierna.
Schending van wezenlijke vormvoorschriften
40
Verzoekers betogen dat de handelingen op basis waarvan de namen van de eerste drie verzoekers en Breco International op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn geplaatst, geen specifieke en concrete redenen bevatten die hen in staat stellen na te gaan of die plaatsingen gegrond zijn in het licht van de wettelijke voorwaarden die daarvoor gelden, en dus, de geldigheid daarvan te betwisten. Volgens hen had de motivering van de betrokken handelingen hun moeten worden meegedeeld op het ogenblik van vaststelling ervan en kan dit nalaten niet worden verholpen in de loop van het geding. Hoe dan ook had het bewijs betreffende die motivering hun moeten worden overgelegd vóór de eerste verlenging van hun plaatsing op de lijsten en hadden zij daarbij de mogelijkheid moeten krijgen om te worden gehoord. Van deze elementen was echter geen sprake, aangezien de briefwisseling met de Raad beperkt bleef tot procedurekwesties.
41
Met dit betoog voeren verzoekers twee grieven aan. In de eerste plaats stellen zij dat er sprake is van een ontoereikende motivering en in de tweede plaats dat hun recht van verweer is geschonden, omdat het tegen hen in aanmerking genomen bewijs niet is meegedeeld en zij daarnaast niet de mogelijkheid hebben gehad hun argumenten voor de Raad en de Commissie uiteen te zetten. Die gestelde schending van hun recht om te worden gehoord heeft ook hun recht op effectieve rechterlijke bescherming aangetast.
[omissis]
Schending van het recht om te worden gehoord
48
Gelet op het noodzakelijke verrassingseffect van een maatregel tot bevriezing van tegoeden (zie punt 45 hierboven), verlangt het bij beperkende maatregelen in acht te nemen recht om te worden gehoord volgens vaste rechtspraak niet dat de autoriteiten van de Unie vóór de oorspronkelijke plaatsing van een persoon of een entiteit op de lijst waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd de redenen voor deze plaatsing aan de betrokken persoon of entiteit meedelen (zie arrest van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 137en aldaar aangehaalde rechtspraak), of dat de Raad ambtshalve die persoon of entiteit hoort (arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punten 93 en 98).
49
De Raad moet echter in beginsel, wanneer hij middelen aanvankelijk voor een bepaalde duur heeft bevroren, de betrokkenen de mogelijkheid bieden te worden gehoord voordat hij de toepassing van die maatregel verlengt. De handelingen waarbij een dergelijke maatregel wordt verlengd, hoeven immers niet noodzakelijk een verrassingseffect te hebben om doeltreffend te zijn (zie in die zin arrest van 12 maart 2014, Al Assad/Raad, T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 70).
50
Eerbiediging van het recht van verweer betekent niet dat de betrokken instellingen spontaan toegang moeten verlenen tot de documenten van hun dossier wanneer – zoals in casu (zie de punten 43‑46 hierboven) – voldoende nauwkeurige gegevens zijn meegedeeld die de betrokkene in staat stellen zijn standpunt over de elementen die deze instellingen tegen hem in aanmerking hebben genomen, naar behoren kenbaar te maken, maar dat neemt niet weg dat zij op verzoek van de belanghebbende partij toegang moeten verlenen tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de betrokken maatregel (zie in die zin arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 97).
51
Bovendien geldt voor het recht om te worden gehoord vóór de vaststelling van handelingen waarbij beperkende maatregelen worden gehandhaafd ten aanzien van personen voor wie die reeds gelden, als voorafgaande voorwaarde dat de Raad ten aanzien van die personen van nieuwe elementen is uitgegaan (arrest van 12 maart 2014, Al Assad/Raad, T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 71).
52
In casu blijkt uit de stukken dat een advocaat op 5 februari 2009 de Commissie heeft verzocht om toegang tot de documenten op grond waarvan eerste verzoeker bij verordening nr. 77/2009 oorspronkelijk op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen was geplaatst. Dit verzoek was ingediend krachtens verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43). Bij brief van 5 maart 2009 heeft de Commissie bevestigd dat zij in het bezit was van twee documenten met betrekking tot dat verzoek. Zij heeft meer bepaald erkend over twee documenten te beschikken die afkomstig waren van het telexnet van Europese correspondenten (COREU) en informatie bevatten inzake de plaatsing van eerste verzoeker en de vennootschappen waarvan hij eigenaar was op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen. Zij heeft echter de toegang tot deze documenten geweigerd op grond van artikel 4, lid 1, onder a), derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, betreffende de bescherming van het openbaar belang wat betreft de internationale betrekkingen.
53
Bij brief van 9 maart 2009 is een confirmatief verzoek ingediend, deze keer voor rekening van eerste verzoeker en zestien vennootschappen, waaronder tweede en derde verzoekster en Breco International. Bij brief van 3 juli 2009 heeft de Commissie de toegang tot deze documenten geweigerd om dezelfde reden als de oorspronkelijke weigering.
54
Daarnaast heeft eerste verzoeker bij brief van 6 juni 2012 de Raad verzocht om toegang tot de gegevens betreffende de plaatsing van zijn naam en die van een aantal van zijn vennootschappen, waaronder tweede en derde verzoekster en Breco International, op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen. Dit verzoek is ingediend krachtens verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2000, L 8, blz. 1). De Raad heeft in antwoord hierop bij brief van 18 september 2012 vier documenten verstrekt die zijn secretariaat-generaal aan de delegaties van de lidstaten had verzonden. Die documenten bevatten voornamelijk gegevens betreffende de identiteit van de eerste drie verzoekers en Breco International. Een van die documenten, met het opschrift „Coreu CFSP/0053/09”, verwijst naar de vaststelling van beperkende maatregelen ten aanzien van eerste verzoeker door de federale autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, op grond van de financiële steun die hij zou hebben verleend aan de Zimbabwaanse regering door middel van zijn netwerk van ondernemingen. Voorts wordt vermeld dat eerste verzoeker banden heeft met een minister van die regering en met de president van Zimbabwe, Robert Mugabe.
55
Uit die elementen blijkt dat de eerste drie verzoekers en Breco International zich op zijn laatst op 9 maart 2009 tot de Commissie hebben gewend met een verzoek om toegang tot de elementen op basis waarvan hun namen op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn geplaatst. De Commissie, die zowel verordening nr. 77/2009 heeft vastgesteld, op grond waarvan de namen van verzoekers oorspronkelijk op de betrokken lijsten zijn geplaatst, als de verordeningen nr. 173/2010 en nr. 174/2011, heeft echter aan dat verzoek geen gevolg gegeven.
56
Gesteld dat kan worden aangenomen dat dit nalaten de eerste drie verzoekers kon hebben belet hun standpunt over de maatregel die deze instelling ten aanzien van hen had vastgesteld, naar behoren kenbaar te maken, dan moet nog worden onderzocht of die omstandigheid, gelet op de omstandigheden van het geval, hoe dan ook geen onregelmatigheid is die zonder gevolgen zou blijven omdat de verzoekers zich zonder deze onregelmatigheid niet beter hadden kunnen verdedigen (arrest van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 146).
57
In dat verband zij opgemerkt dat verzoekers uiteenzetten dat zij op 19 februari 2009 het Foreign & Commonwealth Office (FCO, ministerie van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, Verenigd Koninkrijk) krachtens de Freedom of Information Act 2000 (wet van 2000 op de vrijheid van informatie) hebben verzocht om toegang tot de documenten betreffende de plaatsing van de eerste drie verzoekers en Breco International op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen. In antwoord op dat verzoek heeft het FCO op 2 juni 2009 een lijst van 17 openbare documenten en kopieën van twee andere openbare documenten verstrekt. Het betrof onder meer een rapport van de deskundigengroep inzake de illegale exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen en andere vormen van rijkdom in de Democratische Republiek Congo (hierna: „deskundigengroep”) van 8 oktober 2002, dat was opgesteld onder auspiciën van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) (hierna: „rapport van 8 oktober 2002”), een reeks krantenartikelen over eerste verzoeker en een aantal hyperlinks naar informatie over de betrokken vennootschappen.
58
Daarnaast heeft eerste verzoeker op 4 november 2011, naar aanleiding van de vaststelling van besluit 2011/101 en verordening nr. 174/2011, een nieuw verzoek bij het FCO ingediend met betrekking tot de documenten betreffende zijn plaatsing op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen. In antwoord op dat verzoek heeft het FCO aan eerste verzoeker een lijst verstrekt van vijftien documenten, waaronder met name het rapport van 8 oktober 2002 en een reeks krantenartikelen.
59
Eveneens zij opgemerkt, zoals de Raad in herinnering heeft gebracht, dat de Commissie eerste verzoeker bij brief van 27 januari 2009 in kennis heeft gesteld van zijn plaatsing op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen en hem bij brief van 18 december 2009 heeft verzocht zijn opmerkingen en eventuele verzoek om schrapping in te dienen bij de Raad. Voorts heeft eerste verzoeker zich bij brieven van 26 oktober en 26 november 2009 en 21 januari en 10 februari 2010 tot alle leden van de Raad gericht met een uiteenzetting van zijn opmerkingen over de plaatsing van zijn naam en de naam van zijn vennootschappen op de betrokken lijsten. Bij brief van 16 februari 2010 heeft de Raad de argumenten van eerste verzoeker weerlegd door onder meer te verwijzen naar de gegevens die bleken uit een tweede rapport, van 15 oktober 2003, dat de deskundigengroep onder auspiciën van de VN had opgesteld. De Raad heeft eerste verzoeker meegedeeld dat de betrokken plaatsingen op de lijsten werden gehandhaafd krachtens besluit 2010/92. Eerste verzoeker heeft op deze brief geantwoord bij schrijven van 19 april 2010, waarop de Raad heeft geantwoord bij brief van 7 juni 2010. Tot slot heeft eerste verzoeker bij brief van 13 mei 2011 zijn opmerkingen ingediend bij de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, waarop hij op 29 juni 2011 een antwoord heeft ontvangen van de Europese Dienst voor extern optreden. Bovendien heeft de Raad eerste verzoeker er in antwoord op twee brieven van 11 oktober en 3 november 2011 bij brief van 9 november 2011 aan herinnerd dat hij te allen tijde bij de Raad een met bewijs gestaafd verzoek kon indienen tot heronderzoek van de beperkende maatregelen.
60
In de eerste plaats volgt uit het voorgaande dat de eerste drie verzoekers en Breco International via het FCO toegang hebben gehad tot een geheel van elementen dat de kern van het bewijs en de inlichtingen vormde op basis waarvan zij op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn geplaatst. Verzoekers stellen immers meermaals, in de punten 52.3 en 55 van hun verzoekschrift, dat de namen van de eerste drie verzoekers en Breco International op de betrokken lijsten zijn geplaatst op initiatief van het Verenigd Koninkrijk en dat het onwaarschijnlijk is dat de Raad of de Commissie over andere elementen beschikte dan die welke het FCO hun heeft meegedeeld. Daarnaast geeft de Raad te kennen dat hij voornamelijk rekening heeft gehouden met de elementen die het FCO aan verzoekers heeft verstrekt.
61
In de tweede plaats volgt daaruit dat de eerste drie verzoekers en Breco International na hun toegang tot die elementen in voortdurend contact met de Raad stonden en bleven staan, over vragen ten gronde met betrekking tot de plaatsing en handhaving van hun namen op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen.
62
Gelet op deze overwegingen zij vastgesteld dat de omstandigheid dat de Commissie de elementen op basis waarvan de namen van de eerste drie verzoekers op de lijst van de in artikel 6 van verordening nr. 314/2004 bedoelde personen zijn geplaatst, niet aan hen heeft meegedeeld, hun recht van verweer niet heeft geschonden. Dit nalaten heeft hun immers niet belet hun standpunt uiteen te zetten nadat zij kennis hadden genomen van het geheel van elementen dat zij zelf beschouwen als de voornaamste informatie waarmee de betrokken instellingen rekening hebben gehouden voor hun motivering, die overigens tijdens de hele duur van deze plaatsing dezelfde is gebleven. Daarnaast is er, gelet op de vaststellingen in punt 20 hierboven, waaruit blijkt dat vierde verzoekster niet op de betrokken lijsten is geplaatst, geen sprake van een schending van haar recht van verweer.
[omissis]
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
John Arnold Bredenkamp, Echo Delta (Holdings) PCC Ltd, Scottlee Holdings (Private) Ltd en Fodya (Private) Ltd dragen de kosten van de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie.
Gratsias
Kancheva
Wetter
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 juli 2016.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy