ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
16 november 2017 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Beroepstermijn – Niet-ontvankelijkheid – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Herziening van het Statuut en de RAP – Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 – Onregelmatigheden tijdens procedure voor vaststelling van handelingen – Verzuim om het comité voor het Statuut en de vakorganisaties te raadplegen – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent”
In de zaak T‑75/14,
Union syndicale fédérale des services publics européens et internationaux (USFSPEI), gevestigd te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑N. Louis en D. de Abreu Caldas, vervolgens door J.‑N. Louis, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Troupiotis en E. Taneva als gemachtigden,
en
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Bauer en A. Bisch, vervolgens door M. Bauer en M. Veiga als gemachtigden,
verweerders,
ondersteund door
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Gattinara en J. Currall, vervolgens door G. Gattinara en G. Berscheid als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende, in de eerste plaats, een verzoek op grond van artikel 263 VWEU en strekkende tot nietigverklaring van artikel 1, leden 27, 32, 46, 61, lid 64, onder b), lid 65, onder b), en lid 67, onder d), van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB 2013, L 287, blz. 15), en, in de tweede plaats, een verzoek op grond van artikel 268 VWEU en strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster zou hebben geleden als gevolg van de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 in strijd met het akkoord over de herziening van 2004, de artikelen 12 en 27 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 10 van het Statuut en de overlegprocedure zoals voorzien in het besluit van de Raad van 23 juni 1981,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva (rapporteur) en J. Passer, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 juni 2017,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
1
Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (hierna: „RAP”) zijn opgenomen in de bijlage bij verordening nr. 31 (EEG)/11 (EGA) tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1962, 45, blz. 1385).
2
Het Statuut en de RAP zijn sinds de vaststelling ervan vele malen gewijzigd, met name bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (PB 2013, L 287, blz. 15).
3
Meer bepaald, artikel 1, leden 27, 32, 46, 61, lid 64, onder b), lid 65, onder b), en lid 67, onder d), van verordening nr. 1023/2013 heeft de artikelen 45, 52 en 66 bis van het Statuut alsmede artikel 7 van bijlage V en artikel 8 van bijlage VII bij dit Statuut gewijzigd.
4
De procedure die heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 is begonnen op 7 september 2011 met de raadpleging van de vak‑ en beroepsorganisaties (hierna: „VBO’s”) over een voorstel tot herziening van het Statuut. Tussen de Europese Commissie en de VBO’s heeft dienaangaande administratief, technisch en politiek overleg plaatsgevonden op respectievelijk 6 oktober, 28 oktober en 7 november 2011.
5
Bij brief van 21 november 2011 heeft de Commissie aan het comité voor het Statuut een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het Statuut en de RAP (hierna: „voorstel voor een wijziging van het Statuut”) voorgelegd.
6
Bij schrijven van 12 december 2011 heeft het comité voor het Statuut de Commissie ervan op de hoogte gebracht dat het voorstel voor een wijziging van het Statuut wel was onderzocht, maar dat, gelet op de uitgebrachte stemmen, niet de door artikel 20 van zijn reglement van orde voorgeschreven meerderheid was behaald om een advies te kunnen uitbrengen.
7
Bij brief van 13 december 2011 heeft de Commissie het voorstel voor een wijziging van het Statuut bij het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie ingediend.
8
Op 25 april 2012 heeft de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement haar verslag met betrekking tot het voorstel voor een wijziging van het Statuut vastgesteld.
9
Bij brief van 24 januari 2013 heeft de voorzitter van het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) het Parlement verzocht om opheldering van zijn standpunt over zijn mogelijke deelneming, in zijn hoedanigheid van medewetgever, aan de overlegprocedure voorzien in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 tot instelling van een procedure voor tripartiet overleg op het gebied van de betrekkingen met het personeel.
10
Bij brief van 4 maart 2013 heeft de voorzitter van het Parlement de uitnodiging om deel te nemen aan de overlegprocedure voorzien in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 afgeslagen, op grond dat het enkel aan de Raad stond om de sociale dialoog die in voornoemd besluit wordt geregeld aan te passen aan de nieuwe situatie voortvloeiend uit de overgang – na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon – naar de gewone wetgevingsprocedure voor de herziening van het Statuut. In deze brief heeft hij gepreciseerd dat het bij voornoemd besluit opgerichte overlegcomité tot doel heeft te verzekeren dat de vertegenwoordigers van de lidstaten vóór de vaststelling van wetgeving het standpunt van de ambtenaren kennen en dat de Raad de informatie ontvangt die hem in staat stelt om met volledige kennis van de relevante feiten zijn besluiten te kunnen nemen. Volgens hem was dit besluit sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zo niet achterhaald, dan toch op zijn minst een zuiver interne kwestie geworden. Hij heeft hieraan toegevoegd geen enkel middel te zien voor deelneming van het Parlement aan het overlegcomité, en zulks om twee redenen. De eerste reden was het ontbreken van een rechtsgrondslag voor een dergelijke deelneming. De tweede reden was het ontbreken van de noodzaak van een dergelijke deelneming, aangezien het doel om kennis te nemen van het standpunt van de vertegenwoordigers van het personeel vóór de vaststelling van nieuwe wetgeving, kon worden bereikt met middelen die voor het Parlement directer en flexibeler waren. Wat dit laatste betreft heeft de voorzitter van het Parlement opgemerkt dat, binnen het Parlement, de besprekingen openbaar waren, de informatie eenvoudig te verkrijgen was en de rapporteur evenals de schaduwrapporteurs voor de herziening van het Statuut een voortdurende dialoog onderhielden en bleven onderhouden met de VBO’s en de andere betrokken partijen in alle stadia van de opstelling en de vaststelling van het verslag van de Commissie juridische zaken. Hij heeft voorts gepreciseerd dat de vicevoorzitter van het Parlement, de secretaris-generaal van het Parlement alsmede de kabinetschef van de voorzitter van het Parlement en de directeur-generaal Personeel van het Parlement gezamenlijk het woord hadden gevoerd ten overstaan van de algemene vergadering van het personeel van het Parlement over de voortgang van de herziening van het Statuut, en dat de vicevoorzitter van het Parlement in dat kader gedetailleerd was ingegaan op alle aangesneden problemen. Voorts heeft hij erop gewezen dat bij deze bijeenkomst niet alleen leden van het personeel van het Parlement maar ook leden van het personeel van andere instellingen, waaronder ook van de Raad, aanwezig waren.
11
Op 25 april 2013 heeft de Raad de VBO’s van alle instellingen op de hoogte gebracht van het antwoord van het Parlement van 4 maart 2013 alsmede van de discussies over een voorstel voor een interpreterende verklaring van zijn besluit van 23 juni 1981.
12
Op 6 mei 2013 heeft de Raad een interpreterende verklaring van zijn besluit van 23 juni 1981 vastgesteld met het oog op de toepassing ervan in het kader van de gewone wetgevingsprocedure met betrekking tot het voorstel voor een wijziging van het Statuut.
13
Op dezelfde dag heeft op verzoek van twee VBO’s een bijeenkomst van het overlegcomité plaatsgevonden. Van deze bijeenkomst zijn geen notulen gemaakt, maar de secretaris-generaal van de Raad heeft het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad middels een e‑mail van 6 mei 2013 geïnformeerd over deze bijeenkomst en de gedachtewisseling die daar had plaatsgevonden. De secretaris-generaal van de Raad heeft tevens op 8 mei 2013 in het Coreper mondeling verslag gedaan van voornoemde bijeenkomst.
14
Op 13 mei 2013 heeft de eerste trialoog tussen het Parlement, de Raad en de Commissie plaatsgevonden. Op dezelfde dag heeft de voorzitter van het Coreper een ontmoeting gehad met de vertegenwoordigers van de VBO’s van de Raad. Hij heeft hen op de hoogte gebracht van de resultaten van de vergadering van het Coreper van 8 mei 2013 en kennisgenomen van hun standpunten.
15
Op 27 mei 2013 heeft de algemene vergadering van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad de secretaris-generaal van de Raad verzocht om het overlegcomité bijeen te roepen. Dit verzoek is bevestigd door de Union syndicale fédérale op 7 juni 2013.
16
Op 28 mei, 3, 11 en 19 juni 2013 zijn verschillende andere trialogen op politiek vlak gehouden. Gedurende dit tijdvak hebben technische vergaderingen van deskundigen en informele vergaderingen tussen de voorzitter van het Coreper, de vicevoorzitter van de Commissie en de rapporteur van het Parlement plaatsgevonden. Tijdens de vergadering van 19 juni 2013 hebben het Parlement, de Raad en de Commissie een voorlopig compromis bereikt over de voornaamste onderdelen van de herziening.
17
Op 20 juni 2013 is op verzoek van de Union syndicale fédérale het overlegcomité bijeengekomen. De voorzitter van het Coreper heeft de voornaamste onderdelen van het compromis uiteengezet, waaronder de beperking van de loopbanen in de functiegroep AD tot de rangen AD 12/13, en geantwoord op vragen met betrekking tot het pakket, met name wat betreft de afschaffing van de doelstelling van de gelijkwaardigheid van loopbanen vóór en na de herziening van 2004. Op dezelfde dag heeft hij het Coreper op de hoogte gebracht van de resultaten van de trialoog van 19 juni 2013.
18
Op 21 juni 2013 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Administratie van de Raad tijdens een algemene vergadering van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad een uiteenzetting gegeven van de voornaamste onderdelen van het compromis.
19
Op 25 juni 2013 is de voorlopige tekst van het compromis tussen het Parlement, de Raad en de Commissie gelijktijdig naar de delegaties van de lidstaten en de leden van het overlegcomité alsook naar het voltallige personeel van het secretariaat-generaal van de Raad gezonden. Op dezelfde dag heeft een andere trialoog plaatsgevonden ter bestudering van deze tekst.
20
Op 26 juni 2013 heeft het Coreper het resultaat van de trialoog onderzocht en het mondelinge verslag van de secretaris-generaal van de Raad over de vergadering van het overlegcomité van 20 juni 2013 aangehoord.
21
Op 27 juni 2013 is door de Commissie juridische zaken van het Parlement over de compromistekst gestemd.
22
In de ochtend van 28 juni 2013 heeft een VBO, te weten de Union syndicale-Bruxelles, de secretaris-generaal van de Raad verzocht om een vergadering van het overlegcomité, welke dit verzoek heeft afgewezen op grond dat, in de eerste plaats, overeenkomstig de bij het besluit van de Raad van 23 juni 1981 gevoegde verklaring, het overlegcomité was geschorst vanwege aanmerkelijke verstoringen van het normale werk van de Raad die waren veroorzaakt door drie opeenvolgende dagen van stakingen en, in de tweede plaats, de Commissie juridische zaken van het Parlement de uiteindelijke compromistekst reeds had goedgekeurd.
23
Diezelfde dag heeft het Coreper zich voor de laatste keer gebogen over het compromis betreffende de wijziging van het Statuut en dit goedgekeurd, en heeft de secretaris-generaal van de Raad het voltallige personeel van het secretariaat-generaal van de Raad hiervan op de hoogte gebracht.
24
Bij brief van 28 juni 2013 heeft de voorzitter van het Coreper de voorzitter van de Commissie juridische zaken van het Parlement geïnformeerd over de goedkeuring door het Coreper van de voorlopige compromistekst. In ditzelfde schrijven heeft hij vermeld „te kunnen bevestigen dat, indien het [Parlement] zijn standpunt in eerste lezing, overeenkomstig artikel 294, lid 3, VWEU, zou vaststellen in de vorm die is neergelegd in het voorlopige compromis, opgenomen in de bijlage bij deze brief (na herziening door de juristen-vertalers van beide instellingen), de Raad, overeenkomstig artikel 294, lid 4, VWEU, het standpunt van het [Parlement] zou goedkeuren en de handeling zou worden aangenomen in de opstelling die overeenstemt met het standpunt van het Parlement, na, indien nodig, toetsing door de juridische en taalkundige deskundigen van beide instellingen”.
25
Op 2 juli 2013 heeft het Parlement in voltallige vergadering in eerste lezing zijn standpunt vastgesteld overeenkomstig de compromistekst die met de Raad en de Commissie was overeengekomen tijdens hun informele contacten.
26
Bij brief van 5 juli 2013 heeft de Commissie het standpunt in eerste lezing van het Parlement van 2 juli 2013 aan het comité voor het Statuut voorgelegd, en hierbij gepreciseerd dat volgens haar het voorstel voor een wijziging van het Statuut, dat zij op 21 november 2011 aan het comité voor het Statuut had voorgelegd, niet wezenlijk was gewijzigd in het kader van de gewone wetgevingsprocedure. Ook heeft zij in deze brief erop gewezen dat in deze fase van de gewone wetgevingsprocedure artikel 10 van het Statuut niet van toepassing was, maar dat zij niettemin kennis wenste te nemen van eventuele opmerkingen van de medevoorzitters van het comité voor het Statuut. Hiertoe verzocht zij om toezending van het advies van het comité voor het Statuut binnen een termijn van 15 werkdagen, dat wil zeggen uiterlijk op 26 juli 2013.
27
Op 17 juli 2013 hebben de vertegenwoordigers van het personeelscomité binnen het comité voor het Statuut de Commissie geantwoord middels een verklaring, waarin zij vaststelden dat het onmogelijk was om tot een akkoord te komen met de vertegenwoordigers van de administraties van de Europese Unie binnen het comité voor het Statuut over de wijziging van de agenda van de vergadering van dat comité met het oog op de vaststelling van opmerkingen als alternatief voor een advies. Zij hebben namelijk bezwaar gemaakt tegen de laattijdigheid van de inschakeling van het comité voor het Statuut en het nut, in deze omstandigheden, van een advies van dat comité over het standpunt in eerste lezing van het Parlement en hebben de schending van de beginselen van de sociale dialoog aan de orde gesteld.
28
Op 10 oktober 2013 heeft de Raad het standpunt van het Parlement goedgekeurd en, overeenkomstig artikel 294, lid 4, VWEU, verordening nr. 1023/2013 vastgesteld in de met het standpunt van het Parlement overeenkomende bewoordingen.
29
Na de ondertekening van de wetgevende handeling door de voorzitter van het Parlement en de voorzitter van de Raad op 22 oktober 2013 is verordening nr. 1023/2013 op 29 oktober 2013 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
II. Procedure en conclusies van partijen
30
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 januari 2014, heeft verzoekster, de Union syndicale fédérale des services publics européens et internationaux (USFSPEI), het onderhavige beroep ingesteld.
31
Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 6 en 10 juni 2014, hebben het Parlement en de Raad elk een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991.
32
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 juni 2014, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van het Parlement en de Raad.
33
Op 1 augustus 2014 heeft verzoekster haar opmerkingen over de door het Parlement en de Raad opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid ingediend.
34
Bij beschikking van 5 december 2014 heeft de president van de Achtste kamer (oude samenstelling) beslist om de excepties van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.
35
Op 9 december 2014 heeft het Gerecht partijen een vraag gesteld. De Raad, het Parlement en verzoekster hebben deze vraag beantwoord op, respectievelijk, 18 december 2014, 6 en 7 januari 2015.
36
Bij beschikking van 28 januari 2015 heeft de president van de Achtste kamer de Commissie toegelaten tot interventie.
37
Op 12 maart 2015 heeft de Commissie haar memorie in interventie ingediend. Verzoekster en de Raad hebben hun opmerkingen over de memorie in interventie ingediend op 1 respectievelijk 10 juni 2015.
38
Op 14 januari 2016 heeft de president van de Achtste kamer beslist om de behandeling van de zaak op grond van artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te schorsen tot de beslissing waardoor een einde komt aan het geding in de zaak die nadien heeft geleid tot het arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489).
39
Na de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Achtste kamer (nieuwe samenstelling), aan welke de onderhavige zaak dan ook is toegewezen op 6 oktober 2016.
40
Op 24 oktober 2016 heeft het Gerecht partijen verzocht om hun standpunt te bepalen over de gevolgen die zij in de onderhavige zaak verbonden aan de punten 144 tot en met 171 van het arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489). Het Parlement, de Raad en de Commissie hebben de vraag van het Gerecht op 8 november 2016 beantwoord. Verzoekster heeft deze vraag op 18 november 2016 beantwoord.
41
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
–
artikel 1, leden 27, 32, 46, 61, lid 64, onder b), lid 65, onder b), en lid 67, onder d), van verordening nr. 1023/2013 nietig te verklaren;
–
het Parlement en de Raad te veroordelen tot betaling aan haar van een symbolische vergoeding van één euro voor de geleden immateriële schade;
–
het Parlement en de Raad te verwijzen in de kosten.
42
Het Parlement en de Raad, daarin ondersteund door de Commissie, verzoeken het Gerecht:
–
primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
–
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
43
In haar beroep concludeert verzoekster, een federatie van vakbondsorganisaties van de instellingen en organen van de Unie, tot zowel nietigverklaring van verordening nr. 1023/2013 als betaling van een schadevergoeding.
44
Wat in de eerste plaats het verzoek tot nietigverklaring betreft, dit strekt tot de nietigverklaring van artikel 1, leden 27, 32, 46, 61, lid 64, onder b), lid 65, onder b), en lid 67, onder d), van verordening nr. 1023/2013 (hierna: „bestreden bepalingen”), voor zover die bepalingen een wijziging inhouden van de artikelen 45, 52 en 66 bis van het Statuut alsmede van artikel 7 van bijlage V en artikel 8 van bijlage VII bij dit Statuut. Voorts verzoekt verzoekster om de nietigverklaring van de solidariteitsheffing die voor het jaar 2014 is ingevoerd bij artikel 46 van verordening nr. 1023/2013, op grond dat deze verband hield met de toepassing van de methode van aanpassing van de bezoldigingen en dat deze methode in 2014 niet is toegepast.
45
Tot staving van haar verzoek tot nietigverklaring voert verzoekster in wezen vier middelen aan: ten eerste schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 21 van het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest, zoals gewijzigd, van artikel 10 van het Statuut en van de overlegprocedure voorzien in het besluit van de Raad van 23 juni 1981; ten tweede schending van het akkoord over de herziening van 2004 en van het beginsel van verworven rechten; ten derde schending van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en ten vierde schending van het evenredigheidsbeginsel.
46
Wat in de tweede plaats het verzoek tot schadevergoeding betreft, dit strekt tot de verkrijging van een veroordeling door het Gerecht tot vergoeding van de immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden door de dienstfouten van de instellingen in het kader van de vaststelling van verordening nr. 1023/2013. Ter terechtzitting heeft het Gerecht verzoekster verzocht om te preciseren of zij zich tot staving van haar verzoek tot schadevergoeding behalve op de schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ook wil beroepen op alle aan de onwettigheid ontleende middelen die zij heeft aangevoerd tot staving van haar verzoek tot nietigverklaring. In antwoord op deze vraag heeft verzoekster aangegeven dat zij zich tot staving van haar verzoek tot schadevergoeding ook beriep op de onwettigheid ontleend aan de schending van wezenlijke vormvoorschriften bij de vaststelling van verordening nr. 1023/2013, omdat de vertegenwoordigers van het personeel niet geïnformeerd konden worden en zijzelf de lidstaten niet op de hoogte hebben kunnen brengen van bepaalde elementen in het kader van het overleg en van de schending van het akkoord van 2004.
A. Verzoek tot nietigverklaring
47
Het Parlement, de Raad en de Commissie zijn van mening dat, gelet op het feit dat het verzoekschrift op 23 januari 2014 aan de griffie van het Gerecht is toegezonden, het verzoek tot nietigverklaring van de bestreden bepalingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de door artikel 263 VWEU voorgeschreven uiterste termijn afliep op 22 januari 2014. Zij betogen voorts dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van het rechtsreeks en individueel geraakt zijn die artikel 263, vierde alinea, VWEU stelt aan de ontvankelijkheid van door natuurlijke of rechtspersonen ingestelde beroepen tot nietigverklaring van volgens de gewone wetgevingsprocedure vastgestelde handelingen van algemene strekking.
48
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat de beroepstermijnen in het kader van artikel 263 VWEU van openbare orde zijn en niet naar believen van partijen en de rechter kunnen worden ingeroepen (zie beschikking van 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑556/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:239, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Ingevolge artikel 263, zesde alinea, VWEU moet het in dit artikel bedoelde beroep worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving ervan aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
50
In casu zij erop gewezen dat verordening nr. 1023/2013 op 29 oktober 2013 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd.
51
Met betrekking tot de regels voor de berekening van de termijnen zij eraan herinnerd dat artikel 101, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bepaalt dat een in maanden omschreven termijn afloopt bij het einde van de dag die in de laatste maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan.
52
Artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bepaalt dat de termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, aan het einde van de daaropvolgende werkdag verstrijkt; de lijst van de wettelijk erkende feestdagen, vastgesteld door het Hof en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie is van toepassing bij het Gerecht.
53
Wanneer evenwel, aldus artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, de termijn voor het instellen van beroep tegen een handeling van een instelling begint te lopen bij de bekendmaking van de handeling, wordt hij berekend, in de zin van artikel 101, lid 1, onder a), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, vanaf het einde van de 14e dag volgend op die waarop de handeling in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.
54
Voorts bepaalt artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 dat de procestermijnen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.
55
Verzoekster betoogt dat artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 niet preciseert of deze bepaling verwijst naar werkdagen dan wel kalenderdagen, en dat bijgevolg de voor verzoekster meest gunstige uitlegging moet worden gehanteerd door ervan uit te gaan dat de beroepstermijn begon te lopen vanaf het einde van de 14e werkdag volgend op die waarop verordening nr. 1023/2013 is bekendgemaakt, namelijk 18 november 2013. Volgens verzoekster liep de in artikel 263 VWEU bepaalde beroepstermijn dus af op 18 januari 2014. Aangezien 18 januari 2014 echter een zaterdag was, zou de beroepstermijn pas aflopen op maandag 20 januari 2014, welke datum zou moeten worden verlengd met de termijn wegens afstand van tien dagen. Volgens verzoekster volgt hieruit dat de beroepstermijn op 30 januari 2014 is geëindigd en dat het verzoekschrift wel degelijk vóór de afloop van deze termijn is ingediend.
56
Verzoekster is verder van mening dat, ook al zou artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 aldus moeten worden uitgelegd dat de beroepstermijn begon te lopen vanaf het einde van de 14e kalenderdag volgend op die waarop verordening nr. 1023/2013 is bekendgemaakt, namelijk 12 november 2013, het beroep wel degelijk binnen deze termijn is ingesteld. In dat geval liep de in artikel 263 VWEU voorziene termijn van twee maanden immers af op 12 januari 2014. Aangezien 12 januari 2014 echter een zondag was, zou de termijn pas aan het einde van de daaropvolgende werkdag zijn verstreken, te weten 13 januari 2014, welke datum zou moeten worden verlengd met de termijn wegens afstand van tien dagen. De beroepstermijn zou daarom uiteindelijk op 23 januari 2014 zijn verstreken.
57
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 101, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bij de procestermijnen die zijn voorzien in de Verdragen, het Statuut en dit Reglement voor de procesvoering „de wettelijk erkende feestdagen, de zondagen en de zaterdagen […] bij de termijnen inbegrepen [zijn]”. Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster betoogt, de termijn van 14 dagen „volgend op d[e dag] waarop de handeling in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt”, waarnaar artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 verwijst, zonder meer ook de wettelijk erkende feestdagen, de zondagen en de zaterdagen omvat. Ook moet in herinnering worden gebracht dat artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat uitsluitend ziet op het geval waarin de laatste dag van een termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, volgens vaste rechtspraak slechts van toepassing is ingeval de volledige termijn, de termijn wegens afstand daaronder begrepen, afloopt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke erkende feestdag (zie beschikking van 20 november 1997, Horeca-Wallonie/Commissie, T‑85/97, EU:T:1997:180, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Dit betekent dat in het onderhavige geval, gelet op het feit dat verordening nr. 1023/2013 op 29 oktober 2013 in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, de door artikel 263 VWEU voorziene beroepstermijn begon te lopen op 12 november 2013 en dat deze op 22 januari 2014 is verstreken. Aangezien het beroepschrift op 23 januari 2014 is ingediend, is het dus na het verstrijken van de beroepstermijn ter griffie van het Gerecht neergelegd.
59
Er zij aan herinnerd dat de strikte toepassing van deze procedureregels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden. Overeenkomstig artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van de Europese Unie kan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht worden afgeweken van de procestermijnen [zie arrest van 22 september 2011, Bell & Ross/ BHIM, C‑426/10 P, EU:C:2011:612, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikkingen van 30 september 2014, Faktor B. i W. Gęsina/Commissie, C‑138/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2256, punt 17 en 28 november 2014, Quanzhou Wouxun Electronics/BHIM – Locura Digital (WOUXUN), T‑345/14, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1048, punt 17].
60
In het onderhavige geval heeft verzoekster noch in het verzoekschrift noch zelfs maar in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht het bestaan van een van de bovengenoemde omstandigheden aangevoerd.
61
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de bestreden bepalingen, zonder dat het zelfs maar nodig is om in te gaan op de middelen van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan het door het Parlement en de Raad in hun excepties van niet-ontvankelijkheid aangevoerde ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekster.
B. Verzoek tot schadevergoeding
1. Ontvankelijkheid
62
Het Parlement, de Raad en de Commissie betogen dat aangezien verzoeksters verzoek tot schadevergoeding ten eerste nauw verband houdt met haar verzoek tot nietigverklaring en berust op identieke grieven, en ten tweede haar verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is, het verzoek tot schadevergoeding volgens vaste rechtspraak eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
63
Dienaangaande zij erop gewezen dat, anders dan het Parlement, de Raad en de Commissie betogen, het Gerecht in het arrest van 4 juli 2002, Arne Mathisen/Raad (T‑340/99, EU:T:2002:174), waarnaar zij verwijzen, de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot schadevergoeding niet heeft gebaseerd op het nauwe verband met het verzoek tot nietigverklaring, waarvan de niet-ontvankelijkheid eerder was vastgesteld.
64
In voornoemd arrest heeft het Gerecht het verzoek tot schadevergoeding vanwege het nauwe verband ervan met het verzoek tot nietigverklaring namelijk afgewezen, omdat uit het onderzoek van de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring aangevoerde middelen niet was gebleken dat de instelling die de handeling had verricht, onrechtmatig had gehandeld, en dus ook niet was gebleken van een onrechtmatigheid waarvoor zij aansprakelijk was (arrest van 4 juli 2002, Arne Mathisen/Raad, T‑340/99, EU:T:2002:174, punt 135).
65
Uit de oplossing waartoe het Gerecht in het arrest van 4 juli 2002, Arne Mathisen/Raad (T‑340/99, EU:T:2002:174) is gekomen, volgt dat, onder bepaalde omstandigheden, dat wil zeggen wanneer het verzoek tot schadevergoeding enkel is gebaseerd op de vaststelling van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt verzocht en de verzoekende partij tot staving van het verzoek tot schadevergoeding geen grief aanvoert die nieuw is in vergelijking met de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring naar voren gebrachte grieven, op grond van de vaststelling van het ontbreken van onrechtmatigheid na het onderzoek van de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring aangevoerde middelen, van meet af aan een van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, te weten een fout van de instelling die de handeling heeft verricht, kan worden uitgesloten.
66
In casu vindt het verzoek tot schadevergoeding weliswaar zijn oorsprong in de vaststelling van de bepalingen van verordening nr. 1023/2013, waarvan de nietigverklaring eveneens door verzoekster is verzocht, maar volgt de afwijzing van het verzoek tot nietigverklaring om te beginnen niet uit de vaststelling van het ontbreken van onrechtmatigheid, maar uit de niet-ontvankelijkheid ervan, en voert verzoekster voorts tot staving van haar verzoek tot schadevergoeding een grief aan die nieuw is in vergelijking met de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring naar voren gebrachte grieven, namelijk schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten.
67
Voorts kan de vaststelling van de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring, ongeacht of deze vaststelling is gebaseerd op het verstrijken van een vervaltermijn dan wel het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekster, volgens het beginsel van de autonomie van beroepsmogelijkheden in principe geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot schadevergoeding [zie in die zin beschikking van 4 mei 2005, Holcim (France)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punten 48 en 50].
68
Er zij namelijk aan herinnerd dat de voorwaarden van artikel 263, zesde alinea, VWEU niet van toepassing zijn op beroepen tot schadevergoeding die worden ingesteld op grond van artikel 340 VWEU en dat schadevorderingen tegen de Unie ingevolge artikel 46 van het Statuut van het Hof van de Europese Unie na vijf jaar verjaren.
69
Met betrekking tot het argument dat is ontleend aan de door het Parlement en de Raad aangehaalde rechtspraak op het gebied van de Europese openbare dienst moet erop worden gewezen dat deze rechtspraak zich beperkt tot financiële geschillen tussen ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie en de instelling waar zij werken (zie in die zin beschikking van 29 november 1994, Bernardi/Commissie, T‑479/93 en T‑559/93, EU:T:1994:277, punt 39). In het onderhavige geval gaat het evenwel om een federatie van vakbondsorganisaties, waarvan de leden vakbondsorganisaties zijn die opkomen voor de belangen van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie in het Parlement en de Raad in hun hoedanigheid van medewetgever.
70
Gelet op het voorafgaande is het verzoek tot schadevergoeding ontvankelijk. Bijgevolg moeten de door het Parlement en de Raad hiertegen aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
2. Ten gronde
71
Er zij aan herinnerd dat, krachtens artikel 340, tweede alinea, VWEU, de Unie op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid verplicht is om, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade te vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
72
Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 340, tweede alinea, VWEU dat voor het ontstaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en de uitoefening van een recht op vergoeding van de geleden schade moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden ter zake van de onwettigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (arresten van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, EU:C:1982:318, punt 16, en 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106).
73
Wanneer aan één van die voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie moeten worden onderzocht (arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C‑104/97 P, EU:C:1999:498, punt 65; zie ook in die zin arrest van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, EU:C:1994:329, punt 81). Bovendien is de rechter van de Unie niet verplicht om de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van een instelling in een bepaalde volgorde te onderzoeken (arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 42; zie ook in die zin arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 13).
74
In casu moet erop worden gewezen dat verzoekster haar verzoek tot schadevergoeding baseert op het bestaan van dienstfouten. Hoewel er geen precieze definitie bestaat van het begrip „dienstfout”, wordt er algemeen van uitgegaan dat hiermee wordt bedoeld een handelen of nalaten van een of meerdere functionarissen in de uitoefening van hun functie dat tot uiting komt als een niet-nakoming van de verplichtingen van de dienst. Anders dan in het geval van een persoonlijke fout, is deze fout niet toerekenbaar aan de functionarissen van de dienst maar aan de dienst zelf en dus aan de administratie.
75
In de onderhavige zaak moet evenwel worden vastgesteld dat de fouten waarnaar verzoekster verwijst betrekking hebben op de regelgevende activiteiten van de Unie. Dit geldt ook voor de beweerde schending van het akkoord over de herziening van 2004. Verzoekster is immers van mening dat deze voortvloeit uit de vaststelling van een aantal specifieke bepalingen van verordening nr. 1023/2013.
76
Hetzelfde geldt voor de beweerde schending van de overlegprocedure. Uit het arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 96), volgt namelijk dat de regels die afkomstig zijn van het besluit van de Raad van 23 juni 1981, die voorzien in de overlegprocedure, vallen onder de procedureregels voor de vaststelling van verordening nr. 1023/2013, waarvan de eventuele miskenning een schending van wezenlijke vormvoorschriften van deze verordening vormt. In deze omstandigheden is het wel degelijk de aansprakelijkheid van de Unie uit hoofde van haar regelgevende activiteiten waarop verzoekster doelt, en niet zozeer haar aansprakelijkheid uit hoofde van dienstfouten die zouden zijn gemaakt door de Raad en het Parlement in het kader van de procedure tot vaststelling van verordening nr. 1023/2013.
77
Voorts hoeft niet te worden stilgestaan bij de aard van de fout die voortvloeit uit de beweerde schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten, waarin de vrijheid van vergadering en vereniging is verankerd, aangezien verzoekster geen enkel argument aandraagt waaruit een dergelijke schending blijkt.
78
Wat meer in het bijzonder de aansprakelijkheid uit hoofde van wetgevende activiteiten betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat, hoewel de beginselen die in de rechtsstelsels van de lidstaten de aansprakelijkheid van de overheid beheersen voor de door normatieve handelingen aan particulieren toegebrachte schade weliswaar van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen, men toch kan vaststellen dat de normatieve handelingen, waarin keuzen van economisch beleid zijn weergegeven, slechts bij uitzondering en in bijzondere omstandigheden tot aansprakelijkheid van de overheid leiden (arrest van 25 mei 1978, Bayerische HNL Vermehrungsbetriebe e.a./Raad en Commissie, 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, EU:C:1978:113, punt 5).
79
Ook heeft het Hof met zoveel woorden verklaard dat ter zake van een normatieve handeling welke economische beleidskeuzen impliceert, de Unie als wetgeefster slechts aansprakelijk kan worden gesteld, rekening houdend met artikel 340, tweede alinea, VWEU, wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (arresten van 13 juni 1972, Compagnie d’approvisionnement, de transport et de crédit en Grands Moulins de Paris/Commissie, 9/71 en 11/71, EU:C:1972:52, punt 13; 25 mei 1978, Bayerische HNL Vermehrungsbetriebe e.a./Raad en Commissie, 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, EU:C:1978:113, punt 4, en 8 december 1987, Les Grands Moulins de Paris/EEG, 50/86, EU:C:1987:527, punt 8).
80
Voorts heeft het Hof dienaangaande ook nog gepreciseerd dat de rechtsregel waarvan de schending moet worden vastgesteld ertoe dient te strekken aan particulieren rechten toe te kennen [zie in die zin arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punten 41 en 42, en 19 april 2007, Holcim (Deutschland)/Commissie, C‑282/05 P, EU:C:2007:226, punt 47].
81
Het Hof heeft bovendien verklaard dat de restrictieve opvatting van de aansprakelijkheid van de Unie wegens de uitoefening van haar normatieve bevoegdheden haar verklaring hierin vindt, dat enerzijds de uitoefening van de wetgevende bevoegdheid, zelfs indien de wettigheid van de handelingen aan rechterlijke toetsing is onderworpen, niet mag worden belemmerd door de mogelijkheid van schadevergoedingsacties wanneer in het algemeen belang van de Unie normatieve maatregelen moeten worden vastgesteld die de rechten van particulieren kunnen aantasten, en dat anderzijds in een normatieve context die wordt gekenmerkt door het bestaan van een ruime beoordelingsbevoegdheid, die onontbeerlijk is voor de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie, laatstgenoemde slechts aansprakelijk kan worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden kennelijk en ernstig heeft miskend (arrest van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 45).
82
Bijgevolg moet in het licht van de hierboven in herinnering gebrachte beginselen van de rechtspraak worden nagegaan of in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de Unie.
a) Schending van het akkoord over de hervorming van 2004
83
Verzoekster betoogt als vertegenwoordigster van het gehele personeel met de andere VBO’s te hebben deelgenomen aan de overlegprocedure voorzien in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 in het kader van de herziening van het Statuut en de RAP die heeft geleid tot de vaststelling van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut en de RAP (PB 2004, L 124, blz. 1). In het kader van die procedure zou een akkoord zijn gesloten met de Raad over de betrokken herziening. Volgens verzoekster betrof dit akkoord de aanvaarding door de VBO’s van verschillende maatregelen voor de modernisering van de loopbaan van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie alsmede van een speciale heffing met het oog op de kosten van het sociale beleid, de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de omstandigheden van de Europese scholen en van de waarborg van de handhaving van de sociale rust door geen aanpassingen van de bezoldigingen en pensioenen na te streven die hoger zijn dan die welke voortvloeien uit het meerjarig aanpassingsmechanisme. Onder aanhaling van met name de overwegingen 11 en 12 van verordening nr. 723/2004 betoogt verzoekster dat de moderniseringsmaatregelen bestonden in de herindeling van het personeel in twee functiegroepen, te weten administrateurs (AD) en assistenten (AST), de invoering van een lineaire loopbaan, de toepassing van het beginsel van gelijkwaardigheid van loopbanen en de vergemakkelijking van de overgang van de eerste naar de tweede functiegroep door middel van een nieuw certificeringsmechanisme. Volgens verzoekster behelsden deze maatregelen tevens een versoepeling van de arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder, onder bepaalde voorwaarden, het recht om in deeltijd te werken, gebruik te maken van job-sharingregelingen en van verlengd verlof om redenen van persoonlijke aard, de invoering van nieuwe bepalingen inzake verlof om gezinsredenen en meer in het bijzonder het recht op een soepeler moederschapsverlof, vaderschapsverlof, adoptie‑ en ouderschapsverlof, alsmede verlof in geval van ernstige ziekte van een familielid. De aanvaarding van de moderniseringsmaatregelen door de VBO’s, waaronder verzoekster – vermeld in overweging 38 van verordening nr. 723/2004 –, zou de tegenprestatie hebben gevormd van de codificatie in het Statuut en de RAP van de methode van de jaarlijkse aanpassing van de bezoldigingen en de verzekering van de toepassing ervan tot en met 31 december 2012.
84
Hieruit zou voortvloeien dat met haar akkoord over de bij verordening nr. 723/2004 ingevoerde herziening van het Statuut en de RAP verzoeksters geloofwaardigheid jegens zowel het voltallige personeel als de wetgever en de andere instellingen van de Unie op het spel is gezet. Verzoekster is dan ook van mening dat het feit dat verordening nr. 1023/2013 terugkomt op de voorwaarden van het betrokken akkoord, in het bijzonder door de wijziging van artikel 45, lid 1, van het Statuut en de invoering van een nieuwe functiegroep, alsmede op de beginselen van een lineaire en gelijkwaardige loopbaan, afbreuk doet aan haar geloofwaardigheid.
85
Voorts zouden bij gebreke van overgangsmaatregelen, de wijzigingen van artikel 45, lid 1, en van artikel 52 van het Statuut alsmede van artikel 4 van bijlage IV bis bij het Statuut door artikel 1, leden 27, 32 en 64, van verordening nr. 1023/2013, het beginsel van de verworven rechten van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie hebben geschonden, dat voortvloeit uit het akkoord over de herziening van 2004.
86
Dienaangaande zij er in de eerste plaats op gewezen dat verzoeksters stelling berust op de onjuiste premisse dat het akkoord over de herziening van 2004 dat de Raad en de VBO’s hebben gesloten in het kader van de vaststelling van verordening nr. 723/2004, gelijk kan worden gesteld met een hogere rechtsregel die door de wetgever van de Unie in het kader van de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 in acht moet worden genomen.
87
Zonder dat de vraag behoeft te worden beantwoord of het tussen de VBO’s en de Raad in het kader van de overlegprocedure gesloten akkoord laatstgenoemde juridisch bond toen hij verordening nr. 723/2004 vaststelde, moet namelijk worden geconstateerd dat dit akkoord enkel betrekking had op de herziening van 2004. De werking van een dergelijk akkoord kan dus niet worden uitgebreid tot de latere wijzigingen van het Statuut door de wetgever van de Unie, omdat laatstgenoemde anders de mogelijkheid wordt ontnomen om de door artikel 336 VWEU aan hem toegekende bevoegdheid uit te oefenen.
88
Voorts moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de ambtenaren en de administratie statutair en niet contractueel van aard is, hetgeen betekent dat de rechten en de verplichtingen van de ambtenaar op elk moment door de wetgever kunnen worden gewijzigd (arrest van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punt 60).
89
Hieruit volgt dat, gelet op het voorwerp van het akkoord van 2004, de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 hieraan geen afbreuk kon doen.
90
In de tweede plaats moet, wat de beweerde schending van het beginsel van verworven rechten betreft, om te beginnen worden opgemerkt dat, voor zover van een dergelijke onrechtmatigheid sprake blijkt te zijn, zij strikt genomen geen schending zou vormen van het akkoord van 2004, zoals omschreven door verzoekster. De beweerde schending van het akkoord van 2004 die het gevolg zou zijn van de wijziging van een bepaald aantal bepalingen van het Statuut bij verordening nr. 1023/2013 moet namelijk worden onderscheiden van de schending van het beginsel van verworven rechten waarop ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie zich kunnen beroepen.
91
Voorts zij erop gewezen dat de betrokken bepalingen in casu geen afbreuk doen aan het beginsel van verworven rechten. In beginsel zijn namelijk de wetten waarbij een wettelijke bepaling wordt gewijzigd, zoals de verordeningen tot wijziging van het Statuut, behoudens uitzondering, van toepassing op de toekomstige gevolgen van onder de oude regeling ontstane situaties. Dit is alleen anders voor situaties die onder de vroegere regel zijn ontstaan en definitief tot stand zijn gekomen en die verworven rechten in het leven roepen. Een recht wordt als verworven beschouwd wanneer het rechtscheppende feit ervan zich vóór de wetswijziging heeft voorgedaan. Dit geldt echter niet voor een recht waarvan het rechtscheppende feit niet is ontstaan onder de wettelijke regeling die is gewijzigd (zie arrest van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punten 61‑63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
Wat ten eerste verzoeksters betoog betreft dat aan de ambtenaren van de rangen AD 12 en AD 13, die over voldoende verdiensten beschikten om in 2011 of in 2012 naar een hogere rang te worden bevorderd maar bij wie dit om begrotingsredenen niet is gebeurd, thans deze mogelijkheid is ontnomen door artikel 45, lid 1, van het Statuut, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 27, van verordening nr. 1023/2013, op de enkele grond dat zij niet een van de ambten bekleden die worden vermeld in bijlage I, afdeling A, bij dat Statuut, moet erop worden gewezen dat dit neerkomt op de overweging dat de betrokken ambtenaren niet het recht om te worden bevorderd, maar het recht om in aanmerking te komen voor bevordering hebben verloren. Zoals het Parlement echter terecht opmerkt, beschikten de betrokken ambtenaren evenwel niet over een verworven recht op de handhaving van het stelsel van bevordering dat bestond vóór de bij verordening nr. 1023/2013 doorgevoerde herziening.
93
Ten tweede faalt ook verzoeksters betoog dat artikel 1, lid 32, van verordening nr. 1023/2013 en artikel 1, lid 64, onder b), van dezelfde verordening, die respectievelijk artikel 52 van het Statuut, tot regeling van de voorwaarden waaronder een ambtenaar met pensioen kan gaan, en artikel 4 van bijlage IV bis bij het Statuut, betreffende de berekening van het salaris van de ambtenaar die ouder is dan 55 jaar en toestemming heeft gekregen om bij wijze van voorbereiding op zijn pensioen halftijds te werken, hebben gewijzigd, de ambtenaren van 55 jaar of ouder, die vóór 1 januari 2014, zijnde de datum van de inwerkingtreding van deze bepalingen, konden verzoeken om voor deze maatregelen in aanmerking te komen, deze rechten hebben ontnomen tot de dag waarop zij 58 jaar worden.
94
Anders dan verzoekster betoogt, is het namelijk artikel 1, lid 34, van verordening nr. 1023/2013, tot wijziging van artikel 55 bis, lid 2, van het Statuut, waarnaar artikel 4 van bijlage IV bis bij het Statuut verwijst, dat de leeftijd vanaf welke een ambtenaar kan verzoeken om bij wijze van voorbereiding op zijn pensioen halftijds te werken naar 58 jaar heeft verhoogd. Verder moet erop worden gewezen dat onder vigeur van het Statuut in de tot en met 31 december 2014 toepasselijke versie, het recht van een ambtenaar op vervroegde pensionering en het recht om bij wijze van voorbereiding op zijn pensioen halftijds te werken, onderworpen was aan de vervulling van een reeks voorwaarden, welke vervulling moest worden beoordeeld door het tot aanstelling bevoegde gezag, alsmede aan een hiertoe strekkend verzoek van de ambtenaar. Enkel door een gunstig besluit van voornoemd gezag kon een verworven recht van de ambtenaren in het leven worden geroepen. De wijziging van deze bepalingen heeft dus op zichzelf geen afbreuk gedaan aan de verworven rechten van de betrokken ambtenaren.
95
Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de aansprakelijkheid van de Unie niet kan voortvloeien uit de beweerde schending van het akkoord over de herziening van 2004.
b) Schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten, artikel 10 van het Statuut en de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure
96
Verzoekster is van mening dat verordening nr. 1023/2013 is vastgesteld in strijd met artikel 27 van het Handvest van de grondrechten, waarin het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming is verankerd. Deze schending zou voortvloeien uit de miskenning van de verplichtingen in artikel 10 van het Statuut alsmede van de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure.
1) Schending van artikel 10 van het Statuut
97
Verzoekster betoogt met name dat, gelet op de wezenlijke aard van de wijzigingen die door het Parlement en de Raad zijn aangebracht in het voorstel voor de herziening van het Statuut dat aanvankelijk, tijdens de trialoog, aan het comité voor het Statuut is voorgelegd, de Commissie krachtens artikel 10 van het Statuut het aldus gewijzigde voorstel opnieuw had moeten voorleggen aan het comité voor het Statuut onder zodanige voorwaarden dat laatstgenoemde op adequate wijze en op tijd zijn advies had kunnen uitbrengen. De Commissie zou evenwel de gewijzigde versie van haar aanvankelijke voorstel voor de herziening van het Statuut enkel ter informatie aan het comité voor het Statuut hebben voorgelegd zonder laatstgenoemde de mogelijkheid te hebben geboden om tijdig een standpunt in te nemen.
98
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 10 van het Statuut de Commissie het comité voor het Statuut raadpleegt over elk voorstel tot herziening van het Statuut.
99
Ingevolge artikel 10 van het Statuut is de Commissie niet alleen voor formele voorstellen tot raadpleging gehouden, maar ook voor substantiële wijzigingen van reeds onderzochte voorstellen, tenzij de wijzigingen in dat laatste geval in wezen overeenstemmen met die welke het comité voor het Statuut had voorgesteld (arresten van 11 juli 2007, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, T‑58/05, EU:T:2007:218, punt 35, en 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 129).
100
Een dergelijke uitlegging is geboden zowel wegens de bewoordingen van artikel 10 van het Statuut als wegens de rol van het comité voor het Statuut. Enerzijds geeft die bepaling, door zonder enig voorbehoud of uitzondering voor te schrijven dat het comité voor het Statuut moet worden geraadpleegd over elk voorstel tot herziening van het Statuut, immers een ruime omvang aan de daarin omschreven verplichting. De bewoordingen van die bepaling zijn dus duidelijk onverenigbaar met een enge uitlegging van de strekking ervan. Anderzijds moet het comité voor het Statuut, als paritair orgaan samengesteld uit vertegenwoordigers van de administraties en van het personeel – de vertegenwoordigers van het personeel zijn zelfs democratisch verkozen – de belangen van de openbare dienst van de Unie in zijn geheel in aanmerking nemen en vertolken (arresten van 11 juli 2007, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, T‑58/05, EU:T:2007:218, punt 36, en 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 130).
101
Hieruit volgt dat wanneer de Commissie haar voorstel voor herziening van het Statuut gedurende de gewone wetgevingsprocedure wijzigt, zij de verplichting heeft om het comité voor het Statuut vóór de vaststelling door de Raad van de betrokken wettelijke bepalingen opnieuw te raadplegen, wanneer deze wijziging op substantiële wijze de opzet van het voorstel raakt (arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 135).
102
In casu moet worden geconstateerd dat de Commissie weliswaar gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om wetgevingsinitiatieven in te dienen door op 13 december 2011 het voorstel voor een wijziging van het Statuut bij het Parlement en de Raad in te dienen, maar dat zij geen gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid om dit voorstel te wijzigen (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 136).
103
De Commissie heeft weliswaar deelgenomen aan de trialoog die tijdens de betrokken gewone wetgevingsprocedure heeft plaatsgevonden. Volgens punt 13 van de Gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure (artikel 251 van het EG‑Verdrag) (PB 2007, C 145, blz. 5), die op 13 juni 2007 door het Parlement, de Raad en de Commissie is afgelegd en die ziet op deze informele bijeenkomsten, is de rol van de Commissie in het stadium van de eerste lezing evenwel beperkt tot het bevorderen van contacten „om het voeren van de procedure tijdens de eerste lezing te vergemakkelijken” en oefent zij „haar recht van initiatief op constructieve wijze uit, teneinde de standpunten van het […] Parlement en de Raad tot elkaar te brengen, met inachtneming van het interinstitutionele evenwicht en de rol die het Verdrag haar toekent” (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 137).
104
Aldus kan het feit dat de trialoog die in casu in het stadium van de eerste lezing door het Parlement heeft plaatsgevonden, met de deelneming van de Commissie waarvan de rol in punt 103 hiervoor in herinnering is gebracht, heeft geleid tot een compromis tussen het Parlement en de Raad strekkende tot amendering van het voorstel voor een wijziging van het Statuut, niet worden beschouwd als een wijziging van dit voorstel door de Commissie zelf (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 138).
105
Voorts kan de vaststelling in eerste lezing, door het Parlement, van een tekst waarmee het voorstel voor een wijziging van het Statuut is geamendeerd evenmin gelijk worden gesteld met een wijziging door de Commissie zelf van haar aanvankelijke voorstel (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 139).
106
Uit het voorafgaande volgt dat de Commissie niet gehouden was om, overeenkomstig artikel 10 van het Statuut, het comité voor het Statuut opnieuw te raadplegen, en zulks noch na de uitkomst van de trialoog die is gehouden in het stadium van de eerste lezing door het Parlement, noch na de aanvaarding, door laatstgenoemde, van haar voorstel in eerste lezing (zie in die zin arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 140).
107
Ongeacht de substantiële aard van de door het Parlement in eerste lezing aangenomen amendementen, kunnen verzoeksters argumenten ontleend aan de schending van artikel 10 van het Statuut bijgevolg niet slagen.
2) Schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten en van de overlegprocedure
108
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de overlegprocedure in het onderhavige geval onwettig was aangezien zij na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet is aangepast, teneinde te voorzien in de deelneming van het Parlement, voortaan medewetgever, wat betreft de aanpassing van het Statuut van de ambtenaren van de Unie.
109
Verzoekster stelt ook dat, anders dan volgt uit punt 170 van het arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad (T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489), op 28 juni 2013, vóór de laatste beoordeling van de definitieve compromistekst door het Coreper, een VBO, te weten de Union syndicale-Bruxelles, heeft verzocht om een vergadering van het overlegcomité, maar dat dit verzoek is afgewezen door de secretaris-generaal van de Raad op grond dat, om te beginnen, overeenkomstig de bij het besluit van de Raad van 23 juni 1981 gevoegde verklaring, het overlegcomité was geschorst vanwege aanmerkelijke verstoringen van het normale werk van de Raad die waren veroorzaakt door drie opeenvolgende dagen van stakingen en, voorts, de Commissie juridische zaken van het Parlement de laatste compromistekst reeds had goedgekeurd. Verzoekster voegt hieraan toe dat de voorzitter van de Union syndicale-Bruxelles bij de secretaris-generaal van de Raad is opgekomen tegen de beslissing van laatstgenoemde om het overlegcomité niet bijeen te roepen, op grond dat punt 4 van het „akkoord van 24 mei 2004 tussen de plaatsvervangend secretaris-generaal en de VBO’s over de toe te passen maatregelen in geval van een gecoördineerde werkonderbreking van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad”, hetwelk bepaalt dat de stakingsoproep door de twee partijen wordt gebruikt om tot een oplossing van het conflict te komen, eventueel door de aanwijzing van een bemiddelaar, in casu nooit is aangewend en dus de staking niet heeft kunnen voorkomen. Verzoekster benadrukt eveneens dat, overeenkomstig het betrokken akkoord, „de staking niet in de weg kan staan aan het houden van vergaderingen van de Raad” en „de plaatsvervangend secretaris-generaal de lijst opstelt van personeelsleden die hun werkzaamheden moeten blijven uitoefenen op basis van een lijst van activiteiten die onmisbaar zijn voor het besluitvormingsproces van de instelling”. Volgens verzoekster volgt hieruit dat de secretaris-generaal van de Raad ten onrechte heeft geweigerd om het overlegcomité bijeen te roepen op grond dat de normale werkzaamheden van de Raad verstoord waren.
110
Verzoekster betoogt voorts dat het besluit van de Raad van 23 juni 1981 is vastgesteld op basis van een akkoord met de VBO’s, hetgeen zou blijken uit het feit dat de Raad reeds eerder wijzigingen van dit besluit heeft voorgelegd aan de VBO’s, en hij dit dus niet eenzijdig kon wijzigen zoals hij heeft gedaan middels het interpretatief besluit van 6 mei 2013. Verzoekster onderstreept voorts dat de VBO’s pas op 26 mei 2013 op de hoogte zijn gebracht van de tekst van de interpretatieve verklaring, dat wil zeggen drie weken na de vergadering van het overlegcomité van 6 mei 2013.
111
Verzoekster stelt bovendien dat, ondanks het ontbreken van een beschikbare tekst tijdens de twee vergaderingen van het overlegcomité op 6 mei en 20 juni 2013, deze vergaderingen toch nog nuttig hadden kunnen zijn, mits artikel 8 van het besluit van de Raad van 23 juni 1981, hetwelk bepaalt dat „[d]e leden van het overlegcomité […] zich bij hun werkzaamheden [moeten] inspannen om hun standpunten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, om aldus de Raad een rapport met gemeenschappelijke standpunten te kunnen aanbieden” en dat „indien dat niet mogelijk is, […] in het verslag de verschillende standpunten [worden] weergegeven”, in acht was genomen. Volgens verzoekster heeft de voorzitter van het overlegcomité tijdens deze twee vergaderingen slechts de voorzitter van het Coreper in staat gesteld om op 6 mei 2013 summier de bedoelingen van de Raad en op 20 juni 2013 die van het Parlement uiteen te zetten, en daarna de vertegenwoordigers van de VBO’s de gelegenheid geboden hun standpunten weer te geven. Zodoende zou geen enkele poging zijn ondernomen om de standpunten dichter bij elkaar te brengen en zou er geen schriftelijk verslag van deze vergaderingen bestaan.
112
Dienaangaande moet in de eerste plaats, wat betreft het ontbreken van deelneming van het Parlement aan de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure, erop worden gewezen dat, anders dan verzoekster betoogt, dit geen schending vormt van het in artikel 27 van het Handvest van de grondrechten bedoelde recht op informatie en raadpleging van de werknemers.
113
De in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure moet namelijk worden bezien in de juridische context waarin zij in het leven is geroepen. Dit besluit is immers door de Raad aangenomen in een tijd waarin deze bij uitsluiting bevoegd was om het Statuut van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Unie vast te stellen. Een dergelijke procedure voldeed dus, uit de aard van de zaak, niet in het kader van de herziening van het Statuut volgens de gewone wetgevingsprocedure. Dat is de reden waarom de Raad, zoals is uiteengezet in punt 12 hierboven, een interpreterende verklaring van zijn besluit van 23 juni 1981 heeft vastgesteld na de weigering van het Parlement om als medewetgever deel te nemen aan de in dit besluit voorziene overlegprocedure (arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punten 145 en 146).
114
De weigering van het Parlement om mee te werken aan de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure zou enkel een schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten vormen wanneer, om te beginnen, deze bepaling de instellingen van de Unie zou verplichten om de VBO’s te raadplegen over de voorstellen voor de herziening van het Statuut en, voorts, het Parlement, in het onderhavige geval, een dergelijke raadpleging niet zou hebben gehouden (arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 147).
115
Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 27 van het Handvest van de grondrechten de uitoefening van de hierin verankerde rechten is beperkt tot de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie voorziet. In casu volgt uit artikel 10 ter van het Statuut dat de voorstellen tot herziening van het Statuut ter raadpleging aan de vertegenwoordigers van de VBO’s kunnen worden voorgelegd. De instellingen die zich niet eenzijdig hiertoe hebben verbonden, zijn dus niet gehouden om een dergelijke raadpleging te houden (arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 148).
116
Ook al zouden, anders dan kon worden opgemaakt uit de brief van 4 maart 2013 die door de voorzitter van het Parlement is gericht aan de Raad in antwoord op zijn uitnodiging aan het Parlement om deel te nemen aan de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure, de VBO’s niet door het Parlement zijn geraadpleegd over de bij de bestreden bepalingen ingevoerde wijzigingen van het Statuut, dan nog zou deze omstandigheid dus geen schending vormen van het in artikel 27 van het Handvest van de grondrechten bedoelde recht op informatie en raadpleging van de werknemers (arrest van 15 september 2016, U4U e.a./Parlement en Raad, T‑17/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:489, punt 149).
117
In de tweede plaats moet er, wat betreft de wijziging van het besluit van de Raad van 23 juni 1981, om te beginnen op worden gewezen dat, anders dan verzoekster betoogt, de Raad het recht had om dit besluit eenzijdig middels de interpreterende verklaring van 6 mei 2013 te wijzigen. Uit de clausule tot herziening van het besluit van 23 juni 1981 volgt namelijk dat „[d]e Raad […] op ieder gewenst moment, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de leden van het overlegcomité die het personeel vertegenwoordigen of de diensthoofden bedoeld in afdeling I, lid 2, punt a), derde streepje, de resultaten [kan] onderzoeken van de toepassing van onderhavige bepalingen met het oog op het besluit of wijzigingen moeten worden doorgevoerd”. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters bewering dat de Raad eerder voorstellen tot wijziging van het besluit van 23 juni 1981 aan de VBO’s heeft voorgelegd ter verkrijging van hun akkoord. Uit het document dat verzoekster tot staving van deze bewering heeft overgelegd volgt namelijk niet dat de Raad het akkoord van de VBO’s vroeg over de wijzigingen van het besluit van 23 juni 1981 die hij op het oog had, maar enkel dat hij hun opmerkingen dienaangaande wenste te verkrijgen. Hieruit volgt dat uit dit document niet blijkt dat de Raad zich gebonden achtte aan dergelijke opmerkingen, maar dat hij kennis wenst te nemen van het standpunt van de VBO’s over de beoogde wijzigingen.
118
Voorts blijkt uit de door de Raad overgelegde bewijselementen dat, anders dan verzoekster beweert, de administratie van het secretariaat-generaal van de Raad de VBO’s de mogelijkheid heeft gegeven om hun advies te geven over de beoogde wijziging van het besluit van 23 juni 1981, en wel tijdens een op 23 april 2013 gehouden vergadering, en dat de tekst van het voorstel voor de interpreterende verklaring op 30 april 2013 was toegezonden aan de in het overlegcomité zitting hebbende VBO’s, alvorens op 2 mei 2013 te zijn voorgelegd aan het Coreper en op 6 mei 2013 te zijn aangenomen door de Raad.
119
In de derde plaats moet, wat betreft verzoeksters argument dat de secretaris-generaal van de Raad ten onrechte heeft geweigerd om instemmend te reageren op het verzoek van de Union syndicale-Bruxelles van 28 juni 2013 om een vergadering van het overlegcomité te beleggen, ten eerste worden opgemerkt dat, overeenkomstig richtsnoer 7 van de interpreterende verklaring van het besluit van de Raad van 23 juni 1981, de bij dit besluit gevoegde verklaring, volgens welke „ingeval de gewone werkzaamheden van de Raad verstoord zijn, de overlegprocedure automatisch wordt geschorst”, volledig van toepassing bleef. Uit talrijke door de Raad overgelegde bewijselementen blijkt dat na de door de drie VBO’s van de Raad op 20 juni 2013 gedane stakingsoproep voor 26, 27 en 28 juni 2013, gedurende deze drie dagen daadwerkelijk stakingsacties hebben plaatsgevonden. Deze acties – waaraan een aanzienlijk aantal ambtenaren, namelijk een derde van het personeel heeft deelgenomen – hebben geleid tot de afgelasting van 19 vergaderingen van de werkgroep van de Raad. Ook moet erop worden gewezen dat, zoals de Raad opmerkt, het secretariaat-generaal van de Raad op 27 en 28 juni 2013 tevens zorg moest dragen voor de organisatie van de Europese Raad. Uit de door de Raad overgelegde bewijselementen blijkt echter dat de drie VBO’s van de Raad op 25 juni 2013 op niet mis te verstane wijze hadden opgeroepen tot een staking met betrekking tot de vergoedingen voor het weekend, de feestdagen en de overuren voor de periode van 25 juni tot en met 11 juli 2013.
120
Gelet op deze omstandigheden moet worden geconstateerd dat op het tijdstip waarop de Union syndicale-Bruxelles heeft verzocht om het beleggen van een vergadering van het overlegcomité, de gewone werkzaamheden van de Raad verstoord waren door stakingsacties en dat dientengevolge de overlegprocedure automatisch geschorst was. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat de Raad geen gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheden van het akkoord van 24 mei 2004 tussen de plaatsvervangend secretaris-generaal en de VBO’s over de aan te wenden maatregelen in geval van een gecoördineerde werkonderbreking van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad, ter voorkoming van stakingsacties of ter beperking van de gevolgen ervan. Dit akkoord houdt namelijk geen verband met de bepalingen van het besluit van de Raad van 23 juni 1981 die de voorwaarden vastleggen waaronder de overlegprocedure is georganiseerd.
121
Ten tweede zij erop gewezen dat volgens punt d) van de interpreterende verklaring van het besluit van de Raad van 23 juni 1981, de toepassing van dat besluit „de bepalingen van de Verdragen, in het bijzonder wat de termijnen en het verloop van de in artikel 294 VWEU bedoelde gewone wetgevingsprocedure betreft, onverlet laat”. Er moet aan worden herinnerd dat, hoewel de voorlopige compromistekst op de avond van 24 juni 2013 ter kennis is gebracht van de VBO’s die hebben deelgenomen aan het overlegcomité, de Union syndicale-Bruxelles tot 28 juni om 12.39 uur heeft gewacht met het verzoek voor het beleggen van een vergadering van het overlegcomité, terwijl de laatste beoordeling van de compromistekst door het Coreper op dezelfde dag om 15.00 uur moest aanvangen. Het bijeenroepen van een vergadering van het overlegcomité vóór de beoordeling van de compromistekst door het Coreper zou de opschorting van deze beoordeling noodzakelijk hebben gemaakt. Zoals de Raad opmerkt, was het Ierse voorzitterschap erin geslaagd om een politiek compromis te bereiken met het Parlement in bijzonder moeilijke politieke omstandigheden en onder de toegenomen druk van het bereiken van een politiek akkoord vóór het einde van zijn voorzitterschap eind juni 2013. De vergadering van het Coreper in de middag van 28 juni 2013 vond plaats in de laatste uren van het Ierse voorzitterschap en was dus de laatste mogelijkheid voor deze voorzitter om het Coreper ervan te overtuigen het door hem onderhandelde compromis te aanvaarden. Bovendien was, zoals de Raad ook opmerkt, het verloop van de wetgevingsprocedure gekenmerkt door een politieke samenhang tussen, om te beginnen, het politieke akkoord tussen het Parlement en de Raad over de herziening van het Statuut en, voorts, het politieke akkoord met het Parlement over het meerjarige financiële kader, een ander bijzonder lastig politiek dossier waarover was onderhandeld in het kader van het Ierse voorzitterschap. Deze politieke samenhang stelde het Coreper in staat om, direct na het politieke akkoord over het meerjarige financiële kader, het compromis over de herziening van het Statuut te aanvaarden. Een vertraging in de beraadslagingen van het Coreper had het gevaar van een afwijzing van het compromis over de herziening van het Statuut met zich kunnen brengen.
122
Er moet van worden uitgegaan dat dergelijke omstandigheden ook van dien aard zijn dat zij de weigering van de secretaris-generaal van de Raad om op 28 juni 2013 een vergadering van het overlegcomité te beleggen kunnen rechtvaardigen.
123
In de vierde plaats zij met betrekking tot verzoeksters argument dat de vergaderingen van het overlegcomité van 6 mei en 20 juni 2013 niet in lijn waren met het besluit van de Raad van 23 juni 1981 op grond dat, ofschoon de partijen geen pogingen hadden gedaan om hun standpunten bij elkaar te brengen, geen schriftelijke samenvatting van hun uiteenlopende standpunten was gemaakt, erop gewezen dat de Raad niet kan worden verweten geen schriftelijke samenvatting te hebben gemaakt van de uiteenlopende standpunten van de partijen, in het bijzonder die van de VBO’s, terwijl deze, waaronder verzoekster, tegelijkertijd betogen niet in staat te zijn geweest om tijdens deze vergaderingen op nuttige wijze hun standpunt weer te geven door de veel te algemene presentatie van de herziening.
124
Uit het voorafgaande volgt dat de aansprakelijkheid van de Unie evenmin kan voortvloeien uit de beweerde schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten, van artikel 10 van het Statuut of van het besluit van de Raad van 23 juni 1981.
c) Schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten
125
Verzoekster betoogt in het gedeelte van haar verzoekschrift dat is gewijd aan het verzoek tot schadevergoeding dat de aansprakelijkheid van de Unie wegens de vaststelling van verordening nr. 1023/2013 voortvloeit uit, met name, de schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten, waarin de vrijheid van vergadering en vereniging is verankerd. Zoals reeds is uiteengezet in punt 77 hierboven, voert verzoekster dienaangaande evenwel geen enkel specifiek argument aan, zodat een dergelijk argument overeenkomstig de rechtspraak met betrekking tot artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, dat van toepassing was op de dag van neerlegging van het verzoekschrift, enkel niet-ontvankelijk kan worden verklaard [arrest van 7 november 2013, Budziewska/BHIM – Puma (Weergave van een opspringende katachtige), T‑666/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:584, punt 34].
126
Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet erin is geslaagd aan te tonen dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich in casu schuldig hebben gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen in de zin van de in punt 79 hierboven aangehaalde rechtspraak.
127
Aangezien de eerste voorwaarde voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in casu dus niet is vervuld, dient het verzoek tot schadevergoeding te worden afgewezen zonder dat behoeft te worden nagegaan of voldaan is aan de andere twee voorwaarden voor deze aansprakelijkheid.
128
Bijgevolg moet het onderhavige beroep ten dele, voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de bestreden bepalingen, niet-ontvankelijk en ten dele, voor zover het strekt tot vergoeding van de door verzoekster geleden schade, ongegrond worden verklaard.
IV. Kosten
129
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij naast haar eigen kosten overeenkomstig hun vorderingen ook te worden verwezen in de kosten van het Parlement en de Raad. Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar kosten dragen.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
De Union syndicale fédérale des services publics européens et internationaux (USFSPEI) wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie.
3)
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Collins
Kancheva
Passer
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 november 2017.
ondertekeningen
Inhoudsopgave
Inhoud
I. Voorgeschiedenis van het geding
II. Procedure en conclusies van partijen
III. In rechte
A. Verzoek tot nietigverklaring
B. Verzoek tot schadevergoeding
1. Ontvankelijkheid
2. Ten gronde
a) Schending van het akkoord over de hervorming van 2004
b) Schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten, artikel 10 van het Statuut en de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 voorziene overlegprocedure
1) Schending van artikel 10 van het Statuut
2) Schending van artikel 27 van het Handvest van de grondrechten en van de overlegprocedure
c) Schending van artikel 12 van het Handvest van de grondrechten
IV. Kosten
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy