ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
16 december 2015 ( *1 )
„Niet-contractuele aansprakelijkheid — Plaatselijk functionaris, tewerkgesteld bij de delegatie van de Unie in Egypte — Einde van de overeenkomst — Verzuim van de delegatie om aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan het certificaat van uitdiensttreding van de functionaris te verstrekken en om nadien de situatie van die functionaris in dit verband te regulariseren — Verjaring — Aanhoudende schade — Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid — Beginsel van behoorlijk bestuur — Redelijke termijn — Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten — Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent — Zekere schade — Causaal verband”
In zaak T‑138/14,
Randa Chart, wonende te Sint-Lambrechts-Woluwe (België), vertegenwoordigd door T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door S. Marquardt en M. Silva als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van het verzuim van de delegatie van de Europese Unie in Caïro (Egypte) om, na haar ontslag, haar certificaat van uitdiensttreding aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan te verstrekken en nadien haar situatie in dit verband te regulariseren,
wijst HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, F. Dehousse en A. M. Collins (rapporteur), rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juli 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
In mei 1990 werd verzoekster, Randa Chart, die destijds de Egyptische nationaliteit had, door de delegatie van de Europese Commissie in Caïro (Egypte) (hierna: „delegatie”) aangesteld als lokaal functionaris voor het uitoefenen van de functie van assistente. Zij was onderworpen aan het Egyptische socialezekerheidsstelsel.
2
Later werd de delegatie een van de onderdelen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO).
3
Op 8 oktober 2001 diende verzoekster, nadat zij vanaf 20 oktober 2000 verlof om redenen van persoonlijke aard had genoten, haar ontslag in en vestigde zij zich in België, teneinde aldaar een nieuwe betrekking uit te oefenen.
4
Op een niet nader gespecificeerde datum in 2004 werd aan verzoekster een appartement in Caïro geleverd, dat zij in 1998 op tekening had gekocht.
5
Op 3 februari 2005 heeft verzoekster aan een van haar voormalige collega’s van de delegatie een e-mail gestuurd, die luidde als volgt:
„[N]a mijn boeiende ervaring in Europa, denk ik erover terug naar huis te keren! Zo heb ik onlangs verschillende gesprekken gehad met buitenlandse ondernemingen/instellingen in Egypte, en een aanbod voor een baan ontvangen van het UNDP. Tot mijn verbazing kan ik mijn formulier van uitdiensttreding, dat door de delegatie (laatste werkgever) was opgesteld, niet vinden.
Dit document zou zich moeten bevinden in mijn dossier bij de delegatie. Kunt u mij alstublieft per e-mail een ‚snelle’ scan toezenden [van dit document] en daarna het origineel naar mijn adres in Brussel zenden [...]?”
6
Volgens de door verzoekster in haar stukken verstrekte toelichting, die door de EDEO niet wordt betwist, is het formulier dat wordt bedoeld in de in punt 5 hierboven aangehaalde e-mail een certificaat dat „estemara 6” wordt genoemd en dat de werkgever verplicht is binnen zeven dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van zijn werknemer op te stellen in drievoud – waarbij het origineel voor het Egyptische socialezekerheidsorgaan, één kopie voor de werknemer en één kopie voor de werkgever is bestemd – en af te geven aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan. De afgifte van dit formulier is noodzakelijk om het socialezekerheidsdossier dat deze werknemer verbindt met die werkgever te kunnen afsluiten, om een nieuw socialezekerheidsdossier te kunnen openen met een nieuwe werkgever en om de werknemer in het genot te kunnen stellen van zijn pensioenrechten aan het einde van zijn loopbaan.
7
Op 1 april 2005 ontving verzoekster van een Egyptische onderneming waarbij zij naar een baan had gesolliciteerd, een e-mail waarin werd aangegeven dat „er nog steeds een administratief document van haar nodig was teneinde de aanwervingsprocedure af te ronden”. De opsteller van de e-mail benadrukte dat hij hoopte dat verzoekster zo spoedig mogelijk dit document kon verstrekken en de arbeidsovereenkomst kon ondertekenen.
8
Bij e-mail van 11 augustus 2005 verzocht verzoekster wederom bij de delegatie om een „estemara 6”-formulier op haar naam, aangezien haar e-mail van 3 februari 2005 onbeantwoord was gebleven. Zij wees er met name op dat zij een succesvol sollicitatiegesprek had gehad in Caïro en niet het risico wilde lopen het haar gedane aanbod te „verliezen”, zoals reeds het geval was geweest met het UNDP toen zij het voornoemde formulier niet kon overleggen.
9
Bij een haar op 13 september 2005 door een potentiële Egyptische werkgever toegezonden brief nam verzoekster kennis van het feit dat de delegatie feitelijk had verzuimd het „estemara 6”-formulier toe te zenden aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan, zodat dit orgaan ervan uitging dat zij nog steeds in dienst was bij de delegatie. Deze potentiële werkgever preciseerde dat, indien dit formulier niet binnen een week aan hem werd overgelegd, hij verplicht zou zijn verzoeksters aanwervingsprocedure te annuleren.
10
Op 10 januari 2006 deed een andere Egyptische onderneming verzoekster een aanbod voor een baan, met de precisering dat zij kon beginnen te werken zodra de aanwervingsprocedure was afgerond.
11
Op 14 maart en op 12 september 2006 herhaalde verzoekster haar verzoek aan de delegatie om haar een „estemara 6”-formulier op haar naam te verstrekken.
12
Op 6 maart 2007 zond een andere in Egypte gevestigde onderneming verzoekster een brief, waarin zij haar meedeelde dat zij haar een baan van persoonlijk assistent wilde aanbieden, maar dit niet kon doen omdat het „estemara 6”-formulier op haar naam ontbrak.
13
Op 7 maart 2007, 3 december 2007 en 20 februari 2008 verzocht verzoekster de delegatie opnieuw om haar een „estemara 6”-formulier op haar naam te doen toekomen.
14
In augustus 2008 verkreeg verzoekster de Belgische nationaliteit.
15
Op 5 februari 2009 zond verzoekster de delegatie een e-mail, waarin zij aangaf dat zij in 2007 had besloten „haar sociale verzekering in Egypte af te wikkelen” en dat zij bij die gelegenheid van het Egyptische socialezekerheidsorgaan had vernomen dat haar socialezekerheidsdossier nog steeds geopend was, aangezien de delegatie aan dat orgaan niet het „estemara 6”-formulier had doen toekomen. Zij wees er voorts op dat zij in november 2007 contact had opgenomen met de delegatie, die haar had bevestigd dat dit formulier zich niet in haar persoonlijk dossier bevond. Ten slotte verzocht zij de delegatie opnieuw om de nodige maatregelen te treffen zodat haar socialezekerheidsdossier kon worden gesloten.
16
Diezelfde dag antwoordde de delegatie aan verzoekster dat zij haar best zou doen om het probleem op te lossen, maar dat zij wat tijd nodig had.
17
Bij e-mail van 21 maart 2009 verzocht verzoekster de delegatie haar op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de situatie. Aangezien zij op deze mail geen antwoord ontving, richtte zij zich bij e-mail van 20 april 2009 andermaal tot de delegatie.
18
Bij e-mail van 23 april 2009 deelde de delegatie verzoekster mee dat zij nog steeds werkte aan een oplossing voor haar probleem en contact met haar zou opnemen wanneer zij meer informatie zou hebben.
19
Op 30 september 2009 verzocht verzoekster, daar zij niets meer had vernomen van de delegatie, deze opnieuw om haar op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de situatie. Zij herhaalde dit verzoek bij e-mail van 27 oktober 2009, welke eveneens onbeantwoord bleef.
20
Op 15 februari 2010 zond verzoekster een brief naar het hoofd van de eenheid K5 „Lokale functionarissen” van het directoraat-generaal „Externe betrekkingen” van de Commissie (hierna: „DG Relex”), waarin zij de in haar e-mail van 5 februari 2009 uiteengezette feiten opnieuw onder de aandacht bracht (zie punt 15 hierboven) en melding maakte van de diverse daaropvolgende mailwisselingen met de delegatie. Ook beklaagde zij zich over het stilzitten en het gebrek aan transparantie en communicatie van de delegatie.
21
Bij brief van 4 maart 2010 deelde het hoofd van de eenheid K5 verzoekster mee dat het hem speet dat de delegatie niet had geantwoord op haar verzoeken en dat hij wat tijd nodig had om de relevante informatie van de delegatie te verkrijgen.
22
Bij brief van 18 maart 2010 verzocht de delegatie aan de Egyptische immigratie- en paspoortdienst om afgifte van een „movement certificate” (certificaat van vertrek) op naam van verzoekster, ten bewijze dat deze in 2001 het Egyptisch grondgebied had verlaten. Dit certificaat was bestemd voor het Egyptische socialezekerheidsorgaan.
23
Bij brief van 25 maart 2010 antwoordden voornoemde autoriteiten aan de delegatie dat dat document enkel kon worden verstrekt aan de gerechtelijke autoriteiten en aan de betrokkene en, in het laatste geval, enkel op haar verzoek.
24
Bij e-mail van 26 maart 2010 wees een ambtenaar van de eenheid K5 „Lokale functionarissen” van het DG Relex verzoekster er met name op dat, nadat contact was opgenomen met de delegatie, was gebleken dat door de Egyptische immigratie- en paspoortdienst een „movement certificate” moest worden afgegeven, ten bewijze dat zij in 2001 het Egyptisch grondgebied had verlaten, en dat de delegatie daartoe reeds alle nodige stappen had ondernomen.
25
In mei 2010 had de echtgenoot van verzoekster een ontmoeting in Caïro met het hoofd van de delegatie, dat hem uitlegde dat, om het socialezekerheidsdossier van zijn vrouw te kunnen afsluiten, deze bij de Egyptische immigratie- en paspoortdienst een „movement certificate” moest aanvragen.
26
Bij e-mail van 14 juni 2010 liet verzoekster de delegatie weten dat de aanvraag van een „movement certificate” haar door een jurist en een „administratief adviseur” was afgeraden. Zij gaf aan het eens te zijn met hun standpunt dat het aan de delegatie stond om een oplossing te vinden voor het probleem, en dat een dergelijk verzoek haar ernstige schade zou kunnen toebrengen, daar een dergelijk type document ook werd aangevraagd door verdachten van strafbare feiten, met name om hun alibi te bewijzen.
27
Op 13 oktober 2010 zond verzoekster een e-mail naar de delegatie teneinde te informeren naar de maatregelen die laatstgenoemde had genomen om haar socialezekerheidsdossier af te sluiten. In die mail herhaalde zij dat zij de door de delegatie voorgestelde oplossing – het verkrijgen van een „movement certificate” – ongepast en onaanvaardbaar vond. Zij verzocht de delegatie haar uiterlijk half november 2010 een „duidelijk en concreet antwoord” te geven.
28
Op 17 oktober 2010, na een ontmoeting tussen een vertegenwoordiger van de delegatie en een verantwoordelijke van het Egyptische socialezekerheidsorgaan, heeft dat orgaan zelf aan de Egyptische immigratie- en paspoortdienst verzocht om toezending van een „movement certificate” voor verzoekster. Aan dit verzoek werd geen gehoor gegeven.
29
Op 8 maart 2011 zond verzoeksters Egyptische raadsman een e-mail aan het hoofd van de delegatie met het verzoek om binnen een maand met een financieel voorstel te komen teneinde te komen tot een minnelijke schikking inzake het socialezekerheidsdossier van zijn cliënte.
30
Bij brief van 7 april 2011 deelde het hoofd van de delegatie de Egyptische raadsman van verzoekster mee dat het onderzoek van de zaak nog niet was afgerond en dat haar verzoek vóór 18 april 2011 zou worden beantwoord.
31
Op 17 mei 2011 richtte de Egyptische raadsman van verzoekster opnieuw een schrijven aan het hoofd van de delegatie, waarin hij klaagde geen antwoord te hebben ontvangen op zijn verzoek en de geadresseerde aanmaande hierop vóór 3 juni 2011 te reageren.
32
Bij brief van 19 mei 2011 deelde het hoofd van de delegatie verzoeksters Egyptische raadsman mee dat de delegatie niet kon aanvaarden dat haar een termijn werd gesteld om op diens verzoek te antwoorden en dat het onderzoek van de zaak nog altijd niet was afgerond.
33
Op 13 juni 2011 diende verzoekster bij de Europese Ombudsman een klacht in tegen de EDEO, waarin zij opkwam tegen de wijze waarop de delegatie het probleem van haar socialezekerheidsdossier in Egypte had behandeld.
34
In november 2011 zond verzoekster het „estemara 6”-formulier – dat de delegatie haar uiteindelijk toch in oktober 2011 had doen toekomen – aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan. Het orgaan wees dit formulier af, aangezien het was geantedateerd met een datum in oktober 2001.
35
Op 8 maart 2013 nam de Ombudsman zijn beslissing inzake de door verzoekster ingediende klacht. Hij was van oordeel dat de delegatie verantwoordelijk was voor het verzuim om tijdig het „estemara 6”-formulier te verstrekken, en dat alle vóór mei 2010 door verzoekster geleden schade in verband met de onregelmatigheid van haar socialezekerheidssituatie het gevolg was van dat verzuim en van het aanhoudende verzuim van de delegatie om die situatie na 2001 te regulariseren. Daarentegen was hij van mening dat de schade die verzoekster na mei 2010 had geleden uitsluitend aan haar moest worden aangerekend, gelet op haar weigering om de bevoegde Egyptische autoriteiten te verzoeken om een „movement certificate”.
36
Uit die beslissing volgt ook dat de Ombudsman de EDEO een voorstel had gedaan voor een minnelijke schikking, erin bestaande dat de nodige stappen zouden worden gezet om verzoeksters socialezekerheidsdossier af te sluiten wanneer zij eenmaal het „movement certificate” had verstrekt, dat elk resterend bedrag dat voor verzoekster nog verschuldigd was, inclusief eventueel opgelegde boetes, zou worden overgemaakt aan de sociale zekerheid, en dat elk onderbouwd verzoek om vergoeding van de schade die verzoekster vóór mei 2010 stelt te hebben geleden, zorgvuldig zou worden onderzocht.
37
Na te hebben vastgesteld dat de EDEO had toegezegd de eerste twee onderdelen van het schikkingsvoorstel uit te voeren, heeft de Ombudsman de zaak met betrekking tot die aspecten van de klacht afgesloten. Wat de schade betreft die verzoekster vóór mei 2010 stelt te hebben geleden, merkte de Ombudsman op dat verzoekster geen enkel bewijs voor het bestaan daarvan had verstrekt. Bijgevolg was hij van mening dat dienaangaande geen aanvullend onderzoek nodig was en heeft hij dit aspect van de klacht als afgedaan beschouwd.
38
Bij e-mail van 10 juli 2013 verzocht de echtgenoot van verzoekster, onder verwijzing naar het feit dat laatstgenoemde recentelijk het „movement certificate” had ontvangen, de EDEO om een bijeenkomst te organiseren teneinde „[het] dossier definitief te kunnen afsluiten”. Op 16 juli 2013 heeft de EDEO, in antwoord op die mail, verzoekster verzocht dat certificaat aan de delegatie te doen toekomen. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de echtgenoot van verzoekster de EDEO laten weten dat verzoekster voor de overlegging van het „movement certificate” als voorwaarde stelde dat er een bijeenkomst zou worden georganiseerd waarop ook het vraagstuk van de door haar geleden schade zou worden opgelost. Bij e-mail van 17 september 2013 heeft de EDEO verzoekster met name te kennen gegeven dat de Ombudsman in zijn beslissing van 8 maart 2013 had opgemerkt dat verzoekster geen bewijs had geleverd van de gestelde schade en dat hij de klacht, wat dit aspect betreft, had afgesloten. De EDEO voegde hieraan toe dat verzoekster het recht had om dergelijke bewijselementen aan haar te verstrekken, indien zij dat wenste.
39
Bij brief van 30 oktober 2013 zond verzoekster de EDEO een verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden vanwege de vermeende onrechtmatige gedragingen van de delegatie sinds oktober 2001, welke schade zij begroot op een totaal van 452339,18 EUR. In die brief preciseerde zij met name dat zij bereid was het „movement certificate” aan de EDEO te verstrekken „zodra deze de tussen 2001 en nu gemaakte fouten, die leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, [zou hebben] erkend [...] en de daaruit voortvloeiende schade [zou hebben] vergoed”.
40
Bij brief van 8 januari 2014 heeft de EDEO dat verzoek afgewezen met het betoog dat dit verjaard was, aangezien verzoekster reeds vanaf 13 september 2005 op de hoogte was van het feit dat de aansprakelijkheid heeft doen ontstaan (zie punt 9 hierboven).
41
In antwoord op een vraag op dit punt ter terechtzitting, heeft de EDEO aangegeven dat op de datum van die zitting het socialezekerheidsdossier van verzoekster ongetwijfeld nog steeds open stond.
Procedure en conclusies van partijen
42
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 februari 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
43
Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zesde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991, heeft het Gerecht partijen verzocht schriftelijk enkele vragen te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen, aan welk verzoek partijen binnen de gestelde termijn hebben voldaan.
44
Partijen zijn ter terechtzitting van 2 juli 2015 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
45
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
de niet-contractuele aansprakelijkheid van de EDEO vast te stellen;
—
primair, de EDEO te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, die wordt begroot op een bedrag van 509283,88 EUR, onder voorbehoud van verhoging in de loop van het geding;
—
subsidiair, de EDEO te veroordelen tot vergoeding van de na 30 oktober 2008 geleden schade, die wordt begroot op een bedrag van 380063,81 EUR, onder voorbehoud van verhoging in de loop van het geding;
—
de EDEO te verwijzen in de kosten.
46
De EDEO verzoekt het Gerecht:
—
primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
47
Voorts vraagt verzoekster het Gerecht om de EDEO bij maatregel tot organisatie van de procesgang te bevelen de documenten over te leggen ten bewijze van de door de delegatie en de EDEO ondernomen stappen om het onderhavige geschil op te lossen.
In rechte
Opmerkingen vooraf
48
Volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU moet de Unie, inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
49
Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, in de zin van bovengenoemde bepaling, wegens een onrechtmatige gedraging van haar instellingen of organen, aan een aantal voorwaarden zijn voldaan: onrechtmatigheid van de aan de instelling of het orgaan van de Unie verweten gedraging, het bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arresten van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, Jurispr., EU:C:1982:318, punt 16, en 14 december 2005, Beamglow/Parlement e.a., T‑383/00, Jurispr., EU:T:2005:453, punt 95).
50
Deze drie voorwaarden zijn cumulatief. Derhalve volstaat het voor afwijzing van een schadevordering dat aan een van die voorwaarden niet is voldaan (zie in die zin arresten van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, Jurispr., EU:C:1994:329, punt 81, en 20 februari 2002, Förde-Reederei/Raad en Commissie, T‑170/00, Jurispr., EU:T:2002:34, punt 37).
51
Wat de voorwaarde met betrekking tot de aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie verweten onrechtmatige gedraging betreft, moet volgens de rechtspraak worden aangetoond dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr., EU:C:2000:361, punt 42). Beslissend voor de vaststelling dat een schending voldoende gekwalificeerd is, is het criterium van de kennelijke en ernstige overschrijding door de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie van de aan de beoordelingsbevoegdheid ervan gestelde grenzen. Heeft deze instelling of dit orgaan slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge, dan kan de loutere inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen (arrest Hof van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr., EU:C:2002:736, punt 54, en arrest Gerecht van 12 juli 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T‑198/95, T‑171/96, T‑230/97, T‑174/98 en T‑225/99, Jurispr., EU:T:2001:184, punt 134).
52
Wat de voorwaarde inzake het bestaan van schade betreft, is de Unie slechts aansprakelijk wanneer verzoekster daadwerkelijk schade heeft geleden die reëel en zeker is (arrest Gerecht van 16 januari 1996, Candiotte/Raad, T‑108/94, Jurispr., EU:T:1996:5, punt 54). Het staat aan verzoekster om aan de Unierechter overtuigende bewijzen over te leggen van het bestaan en de omvang van een dergelijke schade (zie arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, Jurispr., EU:C:1997:401, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aan de voorwaarde dat sprake is van zekere schade is voldaan wanneer de schade met voldoende zekerheid imminent en voorzienbaar is, ook al kan zij nog niet nauwkeurig worden becijferd (arrest van 14 januari 1987, Zuckerfabrik Bedburg e.a./Raad en Commissie, 281/84, Jurispr., EU:C:1987:3, punt 14, en beschikking van 14 december 2005, Arizona Chemical e.a./Commissie, T‑369/03, Jurispr., EU:T:2005:458, punt 106).
53
Wat de voorwaarde inzake het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde gedraging en de aangevoerde schade betreft, zij opgemerkt dat deze schade een voldoende rechtstreeks gevolg moet zijn van de verweten gedraging, dat wil zeggen dat die gedraging de belangrijkste oorzaak van de schade dient te zijn, aangezien er geen verplichting bestaat om alle nadelige gevolgen van een onrechtmatige situatie, hoe verwijderd ook, te vergoeden (arrest van 4 oktober 1979, Dumortier e.a./Raad, 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Jurispr., EU:C:1979:223, punt 21; zie ook arrest van 10 mei 2006, Galileo International Technology e.a./Commissie, T‑279/03, Jurispr., EU:T:2006:121, punt 130en aldaar aangehaalde rechtspraak). De verzoekende partij moet bewijzen dat er tussen de verweten gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat (zie arrest van 30 september 1998, Coldiretti e.a./Raad en Commissie, T‑149/96, Jurispr., EU:T:1998:228, punt 101en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Bovendien bepaalt artikel 46, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht:
„De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie. In het laatste geval moet het beroep worden ingesteld binnen de termijn van twee maanden, bepaald in artikel 263 [VWEU]; artikel 265, tweede alinea, [VWEU] is van overeenkomstige toepassing.”
55
De verjaring heeft tot doel, de bescherming van de rechten van de benadeelde en het rechtszekerheidsbeginsel met elkaar te verenigen. Zo is de duur van de verjaringstermijn vastgesteld met inachtneming van met name de tijd die de mogelijk benadeelde nodig heeft om de voor een eventueel beroep nodige inlichtingen te verzamelen en de feiten na te trekken die hij aan dit beroep ten grondslag kan leggen (zie beschikking van 14 september 2005, Ehcon/Commissie, T‑140/04, Jurispr., EU:T:2005:321, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
De verjaringstermijn van vijf jaar gaat in wanneer is voldaan aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht en met name wanneer de te vergoeden schade zich heeft geconcretiseerd (arrest van 17 juli 2008, Commissie/Cantina sociale di Dolianova e.a., C‑51/05 P, Jurispr., EU:C:2008:409, punt 54). Wat meer in het bijzonder geschillen betreft die ontstaan uit individuele handelingen, gaat de verjaringstermijn in wanneer deze handelingen gevolgen teweeg hebben gebracht voor de personen tot wie zij zijn gericht [arrest van 19 april 2007, Holcim (Duitsland)/Commissie, C‑282/05 P, Jurispr., EU:C:2007:226, punten 29 en 30, en beschikking van 1 april 2009, Perry/Commissie, T‑280/08, EU:T:2009:98, punt 36].
57
Wanneer het slachtoffer niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de schade heeft doen ontstaan, kan de termijn voor hem niet ingaan zolang hij daarvan geen kennis kan nemen (zie arrest van 13 december 2006, É.R. e.a./Raad en Commissie, T‑138/03, Jurispr., EU:T:2006:390, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
In een geval van voortdurende schade strekt de in artikel 46 van het Statuut van het Hof bedoelde verjaring zich op basis van de datum van de stuitingshandeling uit over de periode die meer dan vijf jaar voor deze datum ligt, zonder de tijdens de latere periodes ontstane rechten te beïnvloeden (beschikkingen van 14 december 2005, Arizona Chemical e.a./Commissie, T‑369/03, Jurispr., EU:T:2005:458, punt 116, en 10 april 2008, 2K-Teint e.a./Commissie en EIB, T‑336/06, EU:T:2008:104, punt 106).
Ontvankelijkheid
59
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 op te werpen, stelt de EDEO dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is omdat het ingevolge artikel 46 van het Statuut van het Hof is verjaard. De EDEO betoogt dat verzoekster ten minste reeds op 1 april 2005 en uiterlijk op 6 maart 2007, dus meer dan vijf jaar vóór de indiening van het prealabel verzoek om schadevergoeding van 30 oktober 2013, kennis heeft genomen van het feit dat de gestelde schade heeft doen ontstaan. Ter terechtzitting heeft de EDEO, in antwoord op een vraag van het Gerecht, aangegeven van mening te zijn dat aan de drie cumulatieve voorwaarden op basis waarvan verzoekster vergoeding van de gestelde schade kon vorderen, in elk geval pas uiterlijk in februari 2008 was voldaan.
60
De EDEO meent dat verzoekster geen argument kan ontlenen aan het feit dat de beweerdelijk onrechtmatige gedraging tot op heden is blijven bestaan en heeft geleid tot een voor haar voortdurende, dagelijks hernieuwde schade. De EDEO beklemtoont dat volgens de rechtspraak de vereisten voor het ontstaan van de verplichting tot vergoeding van de in artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde schade en dus ook de verjaringsregeling voor de desbetreffende schadevorderingen, niet mogen zijn gebaseerd op andere dan strikt objectieve criteria. Verzoeksters betoog berust evenwel op haar „subjectieve perceptie” dat alle gebeurtenissen in verband met haar beroeps- en privéleven die hebben plaatsgevonden na 2001, het gevolg zijn van het aanvankelijke verzuim van de delegatie om een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven. De EDEO concludeert dat de verjaringstermijn is aangevangen op het moment waarop „het feit dat verzoeksters dossier bij het socialezekerheidsorgaan niet afgesloten was, daadwerkelijk en objectief schade heeft veroorzaakt door eraan in de weg te staan dat [zij] aanbiedingen van potentiële werkgevers kon aanvaarden”.
61
Verzoekster verwerpt het door de EDEO opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid.
62
Verzoekster betoogt, primair, dat de beweerdelijk onrechtmatige gedraging van de delegatie na oktober 2001 niet is opgehouden te bestaan en haar sinds die datum een voortdurende en toenemende schade heeft toegebracht. Het is vaste rechtspraak dat wanneer de schade een dergelijk voortdurend karakter heeft, de verjaringstermijn pas begint te lopen op de datum waarop die schade „volledig geconcretiseerd” is. Bijgevolg kan haar geen verjaringstermijn worden tegengeworpen.
63
Subsidiair betoogt verzoekster – die wederom wijst op het voortdurend karakter van de gestelde schade en opmerkt dat zij op 30 oktober 2013 bij de EDEO een prealabel verzoek om schadevergoeding heeft ingediend, welke handeling de verjaring heeft gestuit – dat het onderhavige beroep niet verjaard is met betrekking tot de schade die is ontstaan na 30 oktober 2008.
64
Verzoekster verwijt de delegatie en de EDEO hoofdzakelijk, allereerst, niet binnen zeven dagen na haar ontslag, in oktober 2001, het „estemara 6”-formulier te hebben afgeven, en, vervolgens, haar situatie ten opzichte van het Egyptische socialezekerheidsorgaan nadien niet te hebben geregulariseerd en haar verzoeken niet te hebben beantwoord. In deze context beroept zij zich op schending van, ten eerste, het beginsel van behoorlijk bestuur, ten tweede, het beginsel van de redelijke termijn, en, ten derde, het toepasselijke Egyptische recht.
65
Verzoekster verwijt de delegatie en de EDEO voorts, zonder haar toestemming en zelfs zonder haar daarover vooraf te hebben geïnformeerd, een „movement certificate” voor haar te hebben aangevraagd. In dit verband beroept zij zich op schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
66
Verzoekster betoogt dat zij zowel materiële als immateriële schade heeft geleden ten gevolge van deze beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO.
67
De eerste materiële schadepost die verzoekster aanvoert, wordt gevormd door de administratieve en advocatenkosten die zij heeft gemaakt voor de verschillende, met name administratieve, stappen die zij in België en Egypte heeft ondernomen, welke kosten worden begroot op een totaalbedrag van 5200 EUR. Zij brengt met name naar voren dat, aangezien het voor haar, vanwege de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO, onmogelijk was om weer in Egypte te gaan wonen en werken, zij in België jaarlijks een „lange administratieve marathon” heeft moeten afleggen bij de autoriteiten, teneinde werk- en verblijfsvergunningen en, uiteindelijk, de Belgische nationaliteit te verkrijgen.
68
De tweede door verzoekster gestelde materiële schadepost wordt gevormd door de woonkosten waaraan zij sinds 1 januari 2004 in België is blootgesteld. Zij vordert terugbetaling van de huurbedragen die zij heeft betaald voor de huur van twee appartementen waarin zij vanaf die datum tot en met 31 januari 2008 achtereenvolgens heeft gewoond, van de kosten in verband met de aankoop van meubels voor het tweede appartement, en van de rente voor de lening die zij had afgesloten voor de aankoop van een appartement in België in juli 2007, waarin zij op 1 februari 2008 haar intrek heeft genomen.
69
De derde door verzoekster aangevoerde materiële schadepost betreft het door haar geleden verlies van de kans om vanaf 1 januari 2004 terug te keren naar Egypte om daar te werken en een prestigieuzere, dynamischere en financieel interessantere beroepscarrière te hebben dan zij in België heeft.
70
De vierde materiële schadepost die verzoekster aanvoert, wordt gevormd door het verminderde pensioenbedrag waarop zij in België aanspraak zal kunnen maken. Zij verklaart dat zij als gevolg van de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO niet het minimaal vereiste aantal jaren zal kunnen bereiken om in aanmerking te komen voor een ouderdomspensioen in Egypte, en dat de periodes van bijdragebetaling die zij in België zal kunnen vergaren te kort zijn om aldaar tot betaling van een volledig ouderdomspensioen te kunnen leiden.
71
De vijfde door verzoekster aangevoerde materiële schadepost wordt gevormd door de reiskosten die zij heeft moeten maken om zich naar Egypte te begeven teneinde aldaar, terwijl zij op zoek was naar werk, potentiële werkgevers te ontmoeten en op bezoek te gaan bij haar familie en vrienden. Zij begroot deze kosten op 8000 EUR, op basis van twee reizen per jaar en een gemiddelde prijs voor een retourvliegticket van 400 EUR.
72
Wat de immateriële schade betreft, stelt verzoekster in de eerste plaats dat de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO haar in een staat van stress en angst hebben gebracht, die bij haar heeft geleid tot spijsverteringsproblemen, huidaandoeningen en een diepe depressie. In de tweede plaats beroept zij zich op het feit dat zij lijdt onder de verwijdering van haar familie en vrienden.
73
Verzoekster betoogt dat de diverse in de punten 67 tot en met 72 hierboven genoemde schadeposten het directe gevolg zijn van het verzuim van de delegatie en de EDEO om een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven en om nadien haar situatie in dit verband te regulariseren. Wat de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze betreft die werd gevormd door de pogingen van de delegatie om, zonder haar toestemming, voor haar een „movement certificate” te verkrijgen, heeft verzoekster in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aangegeven dat deze bij haar heeft geleid tot „stress en een toestand van bijzondere spanning, die hebben bijgedragen aan de vermeerdering van de sinds 2004 geleden materiële schade”.
74
Onverminderd de vraag of de aan de delegatie verweten handelwijze van dien aard is dat zij kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, en of aan de voorwaarde van het bestaan van een rechtstreeks causaal verband in alle gevallen is voldaan, dient het exacte moment te worden bepaald waarop de gestelde schadelijke gevolgen zich daadwerkelijk voor verzoekster hebben voorgedaan. Hiertoe dienen achtereenvolgens de verschillende materiële en immateriële schadeposten te worden onderzocht waarvan verzoekster vergoeding vordert.
75
Op voorhand dient te worden opgemerkt dat partijen het erover eens zijn dat volgens het toepasselijke Egyptische recht op de delegatie na oktober 2001 de verplichting rustte om het „estemara 6”-formulier voor verzoekster in te vullen en af te geven, maar dat zij heeft verzuimd dit te doen. Uit het dossier volgt dat verzoekster, die in die tijd in België woonachtig was, dit verzuim echter pas op 13 september 2005, en dan nog louter bij toeval (zie punt 9 hierboven), heeft ontdekt. Verzoekster had weliswaar reeds bij e-mails van 3 februari 2005 (zie punt 5 hierboven) en 11 augustus 2005 (zie punt 8 hierboven) aan de delegatie verzocht om haar in België haar exemplaar van dit formulier te doen toekomen, doch op die data geloofde zij nog, geheel te goeder trouw, dat dit exemplaar zich in haar persoonlijke dossier op de delegatie bevond. Zij was er niet van op de hoogte dat de delegatie dit formulier feitelijk niet eens had opgesteld. Bijgevolg moet er vanuit worden gegaan dat, op grond van de in punt 57 hierboven genoemde rechtspraak, de verjaringstermijn in elk geval niet vóór 13 september 2005, en inzonderheid niet al vanaf oktober 2001, kan zijn ingegaan.
76
Vastgesteld moet worden dat de door verzoekster gestelde materiële en immateriële schadeposten alle zijn terug te voeren op dezelfde omstandigheid, te weten het feit dat zij, doordat de delegatie had verzuimd een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven, geen nieuwe baan kon vinden in Egypte en, bijgevolg, zich niet opnieuw in dat land kon vestigen.
77
Volgens verzoekster heeft dit er immers toe geleid dat:
—
zij, voordat zij verzocht om de Belgische nationaliteit, haar werk- en verblijfsvergunningen in België heeft moeten verlengen, en gebruik heeft moeten maken van de diensten van een Belgische en een Egyptische advocaat (eerste gestelde materiële schadepost);
—
zij woonkosten in België moest blijven maken (tweede gestelde materiële schadepost);
—
zij geen beroepsloopbaan in Egypte heeft kunnen ontwikkelen (derde gestelde materiële schadepost);
—
zij geen pensioenrechten geldend zal kunnen maken in Egypte, noch een volledig ouderdomspensioen zal kunnen ontvangen in België (vierde gestelde materiële schadepost);
—
zij tweemaal per jaar reiskosten moet maken, met name om haar familie en vrienden in Egypte te bezoeken (vijfde gestelde materiële schadepost);
—
zij zich bevindt in een toestand van stress en spanning en lijdt onder de verwijdering van haar familie en vrienden.
78
In haar stukken stelt verzoekster meermaals dat de gestelde schadeposten vanaf oktober 2001 een voortdurend karakter hebben, aangezien het verzuim van de delegatie om een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven sinds die datum heeft voortgeduurd. Wanneer zij de voornoemde schadeposten meer in detail beschrijft, doet zij deze schadeposten evenwel ontstaan op 1 januari 2004.
79
Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat de stukken in het dossier aantonen dat verzoekster pas in het begin van 2005 is begonnen met het houden van sollicitatiegesprekken met het oog op het vinden van een baan in Egypte, en pas toen voor het eerst een baanmogelijkheid in dat land verloren heeft zien gaan vanwege het ontbreken van het „estemara 6”-formulier op haar naam in haar socialezekerheidsdossier (zie punten 5 en 8 hierboven). Derhalve kan verzoekster in elk geval niet vorderen dat haar schade vanaf 1 januari 2004 wordt vergoed.
80
Vervolgens moet, zonder in dit stadium vooruit te lopen op de vraag of de door verzoekster gestelde schadeposten vergoedbaar zijn, worden geconstateerd dat slechts enkele daarvan een voortdurend karakter kunnen hebben.
81
Dienaangaande zij opgemerkt dat uit de rechtspraak volgt dat schade die zich in de loop van achtereenvolgende periodes steeds opnieuw voordoet en groter wordt naarmate de tijd verstrijkt, geacht wordt een dergelijk karakter te hebben (zie in die zin beschikking van 4 september 2009, Inalca en Cremonini/Commissie, T‑174/06, EU:T:2009:306, punt 57).
82
De materiële schade die wordt gevormd door de administratieve en advocatenkosten die verzoekster in België heeft gemaakt voor de verlenging van haar verblijfs- en werkvergunningen en de verkrijging van de Belgische nationaliteit, kan evenwel niet onder deze definitie vallen. Deze kosten hebben immers, ook al hebben zij zich tussen 2005 en augustus 2008 enkele malen herhaald, een kortstondig karakter, aangezien zij feitelijk zijn ontstaan op de data van inleiding van elk van de betrokken administratieve procedures en de bedragen ervan niet groter zijn geworden naarmate de tijd is verstreken.
83
Dit onderdeel van de gestelde materiële schade heeft zich dus voor verzoekster voor de laatste maal geconcretiseerd in augustus 2008, dus meer dan vijf jaar vóór haar prealabele verzoek om schadevergoeding van 30 oktober 2013 en de instelling van het onderhavige beroep tot schadevergoeding. Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat het beroep, wat dit onderdeel betreft, verjaard is.
84
Aangaande de administratieve en advocatenkosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in Egypte, die ook onder het eerste aangevoerde middel vallen en eveneens een kortstondig karakter hebben, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet precies aangeeft op welke datum deze zich hebben geconcretiseerd. Zij heeft zelfs geen enkel bewijselement overgelegd waarmee het bestaan en de omvang ervan kan worden aangetoond.
85
Hieruit volgt dat het verzoek om vergoeding van de gestelde eerste materiële schadepost in zijn geheel moet worden afgewezen.
86
De schade die wordt gevormd door de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt om naar Egypte te reizen, kan evenmin als voortdurend worden aangemerkt. Dergelijke kosten concretiseren zich immers, naar hun aard, feitelijk op de datum van elk van de betrokken reizen en worden niet groter naarmate de tijd verstrijkt.
87
In casu preciseert verzoekster niet op welke datum deze reiskosten zich voor haar hebben geconcretiseerd. Hoogstens kan worden aangenomen dat zij betrekking hebben op de jaren 2004 tot en met 2013, hetgeen tot de conclusie zou voeren dat het onderhavige beroep verjaard is met betrekking tot de kosten die zij vóór 2009 heeft gemaakt. Bovendien levert zij in elk geval geen enkel bewijs voor het bestaan en de omvang van de gestelde reiskosten.
88
Bijgevolg dient het verzoek om vergoeding van de gestelde vijfde materiële schadepost in zijn geheel te worden afgewezen.
89
De gestelde overige drie materiële schadeposten kunnen daarentegen wél een voortdurend karakter hebben.
90
In dit verband zij opgemerkt dat uit het dossier rechtens genoegzaam blijkt dat verzoekster sinds het begin van 2005 weer in Egypte wilde gaan wonen en werken, maar er nooit in slaagde in dat land weer een baan te vinden wegens het aanhoudende verzuim van de delegatie om een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven, en dat zij als gevolg daarvan gedwongen was in België te blijven wonen en werken. Wat het laatste punt betreft, moet meteen al worden beklemtoond dat, anders dan de EDEO op verschillende plaatsen in haar stukken stelt, het besluit van verzoekster om vanaf 2005 in België te blijven wonen niet voortvloeit uit een persoonlijke en vrije keuze van haar kant, maar terug is te voeren op, om verzoeksters woorden te gebruiken, „de blokkering van haar administratieve situatie in Egypte”. Het feit dat zij enkele jaren later besloot om zich definitief in België te vestigen, kan vooral worden verklaard door het feit dat zij inmiddels had berust in het uitblijven van een reactie van de delegatie op haar veelvuldige verzoeken om afgifte van een „estemara 6”-formulier op haar naam en door haar wens om de omvang van de schade die zij meende te lijden zoveel mogelijk te beperken.
91
Bijgevolg kunnen in elk geval als kosten met een voortdurend karakter worden aangemerkt de woonkosten die in België vanaf begin 2005 zijn gemaakt door verzoekster, die, als zij vanaf dat moment weer had kunnen gaan wonen en werken in Egypte, haar intrek had kunnen nemen in het appartement dat zij had gekocht in Caïro (zie punt 4 hierboven).
92
Ook ten aanzien van het verlies, door verzoekster, van de kans om in Egypte een interessantere en lucratievere beroepscarrière te hebben dan zij in België heeft, en de gestelde gevolgen van die verloren kans in termen van pensioenrechten, zij opgemerkt dat het hierbij gaat om schadeposten die, indien zij worden aangetoond, een voortdurend en progressief karakter hebben, aangezien zij verbonden zijn met het feit dat het vanaf 2005 voor verzoekster onmogelijk was om terug te keren naar Egypte om daar te werken.
93
Ten slotte moet worden vastgesteld dat de door verzoekster aangevoerde immateriële schade zich, gesteld dat deze genoegzaam is aangetoond, naar haar aard niet kortstondig heeft geconcretiseerd, maar dagelijks is vernieuwd gedurende de gehele periode waarin het haar werd verhinderd weer in Egypte te gaan werken en wonen.
94
De EDEO kan niet stellen dat verzoeksters betoog met betrekking tot het voortdurend karakter van de gestelde schade berust op haar „subjectieve perceptie” dat alle gebeurtenissen in verband met haar beroeps- en privéleven die hebben plaatsgevonden na 2001, het gevolg zijn van het aanvankelijke verzuim van de delegatie om het „estemara 6”-formulier af te geven. Dit betoogt berust immers niet op een eenvoudige subjectieve beoordeling van de zijde van verzoekster, maar op talloze objectieve en concrete gegevens in het dossier, waaruit met name blijkt dat laatstgenoemde vast van plan was om in het begin van 2005 weer in haar geboorteland – waar zij een appartement bezit en waar haar familie en vrienden wonen – te gaan wonen en werken, en dat zij in 2005, 2006 en 2007 reële baanmogelijkheden in Egypte verloren heeft zien gaan als gevolg van het ontbreken van het „estemara 6”-formulier op haar naam in haar socialezekerheidsdossier. Uit het dossier blijkt ook dat, niettegenstaande de veelvuldige verzoeken om regularisering die verzoekster vanaf februari 2005 had ingediend, de delegatie pas na meer dan vijf jaar, en vooral in het belang van de delegatie zelf (zie punt 119 hierna), in casu een eerste concrete maatregel heeft genomen door te trachten een „movement certificate” voor verzoekster te verkrijgen, en dat verzoekster als gevolg van deze onontwarbare situatie terecht is gekomen in een toestand van stress en spanning, die bij haar heeft geleid tot zowel fysieke als psychische klachten, waarvan sommige ten tijde van de indiening van het onderhavige beroep nog steeds voortduurden.
95
Bovendien heeft de EDEO niet de exacte inhoud van de door verzoekster aangevoerde grief in aanmerking genomen. Verzoekster verwijt de delegatie niet zozeer dat deze haar in oktober 2001 geen „estemara 6”-formulier op haar naam heeft verstrekt, als wel dat deze nadien opzettelijk in gebreke is gebleven haar situatie te regulariseren, niettegenstaande haar sinds februari 2005 voortdurend herhaalde verzoeken daartoe. Zij is van mening dat, gelet op de voortzetting van deze beweerdelijk onrechtmatige handelwijze, de gestelde schadelijke gevolgen zich met regelmatige tussenpozen zijn blijven voordoen en zijn blijven toenemen.
96
Aangaande de conclusies die moeten worden getrokken uit de vaststelling dat de gestelde tweede, derde en vierde materiële schadepost, alsook de gestelde immateriële schadeposten een voortdurend karakter hebben, dient te worden opgemerkt dat verzoeksters primaire stelling, volgens welke haar in casu geen enkele verjaringstermijn kan worden tegengeworpen aangezien de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO alsmede de schadelijke gevolgen daarvan tot op heden voortduren, niet in overeenstemming is met de in punt 58 hierboven aangehaalde rechtspraak. Bovendien heeft verzoekster, in antwoord op een haar door het Gerecht toegezonden vraag alsook ter terechtzitting, uitdrukkelijk erkend dat haar primaire stelling berustte op een onjuiste uitlegging van die rechtspraak, waarbij zij aangaf deze stelling in te trekken en alleen haar subsidiair aangevoerde stelling te handhaven.
97
Overeenkomstig laatstgenoemde stelling en gelet op het feit dat verzoekster op 30 oktober 2013 bij de EDEO een prealabel verzoek om schadevergoeding heeft ingediend, moet worden geoordeeld dat het onderhavige beroep, wat de hiermee gevraagde vergoeding van de gestelde tweede, derde en vierde materiële schadepost en van de gestelde immateriële schadeposten betreft, ontvankelijk is, voor zover deze diverse schades zijn geleden na 30 oktober 2008. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard voor het overige.
Ten gronde
Beweerdelijk onrechtmatige handelwijze
98
In de eerste plaats verwijt verzoekster de EDEO en de delegatie, kort samengevat, dat deze heeft verzuimd om binnen zeven dagen na haar ontslag, in oktober 2001, een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven, en dat deze nadien evenmin, ondanks haar herhaalde verzoeken daartoe, haar situatie ten opzichte van het Egyptische socialezekerheidsorgaan heeft geregulariseerd. In de tweede plaats verwijt zij hun te hebben getracht om zonder haar toestemming en zelfs zonder haar daarover vooraf te hebben geïnformeerd, voor haar een „movement certificate” te verkrijgen.
– Verzuim om het „estemara 6”-formulier op verzoeksters naam af te geven en om haar situatie nadien te regulariseren
99
Aangaande het eerste onderdeel van deze beweerdelijk onrechtmatige handelwijze voert verzoekster schending aan van, ten eerste, het beginsel van behoorlijk bestuur, ten tweede, het beginsel van de redelijke termijn en, ten derde, het toepasselijke Egyptische recht.
100
Wat, in de eerste plaats, de gestelde schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betreft, betoogt verzoekster dat haar situatie door de delegatie en de EDEO op geen enkel moment op onpartijdige en evenwichtige wijze is behandeld, hetgeen in strijd is met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij wijst erop dat zij op haar veelvuldige verzoeken geen enkel concreet antwoord heeft ontvangen van de delegatie, die aldus haar geval opzettelijk en op onrechtvaardige wijze heeft genegeerd. Zij betoogt voorts dat de EDEO niet met spoed de beslissing van de Ombudsman van 8 maart 2013 heeft uitgevoerd.
101
De EDEO betwist dat hij volledig inactief zou zijn gebleven en jegens verzoekster blijk zou hebben gegeven van een gebrek aan respect en billijkheid, aangezien hij talloze malen op de verzoeken van verzoekster heeft geantwoord en stappen heeft ondernomen om het betrokken probleem op te lossen. Hij betwist ook dat hij niet zou hebben gereageerd naar aanleiding van de beslissing van de Ombudsman van 8 maart 2013 en merkt in dit verband met name op dat hij verzoekster meermaals heeft verzocht hem een „movement certificate” te doen toekomen, hetgeen verzoekster weigerde te doen.
102
In de tweede plaats overweegt verzoekster dat de delegatie en de EDEO het beginsel van de redelijke termijn hebben geschonden doordat zij, tot op heden, haar situatie ten opzichte van het Egyptische socialezekerheidsorgaan nog niet hebben geregulariseerd, terwijl zij de EDEO reeds vanaf het begin van 2005 had verzocht om haar zo snel mogelijk het „estemara 6”-formulier toe te zenden (hetgeen zij later diverse malen per telefoon, brief en e-mail heeft herhaald), dat zij vervolgens in 2010 contact had opgenomen met het DG Relex, en dat de Ombudsman een beslissing had genomen waarin de onrechtmatige handelwijze van de EDEO en de daaruit voortvloeiende schadeposten werden vastgesteld.
103
De EDEO voert aan dat verzoekster pas in februari 2005 voor het eerst contact heeft opgenomen met de delegatie en dat de correspondentie tussen verzoekster en de delegatie pas vanaf 2007 frequenter is geworden. Hij betoogt dat de reden waarom verzoeksters situatie nog steeds niet is geregulariseerd, is gelegen in het feit dat laatstgenoemde sinds 2010 weigert hem een „movement certificate” te verstrekken. De lange duur van de situatie die ten grondslag ligt aan het onderhavige beroep, is dus tenminste gedeeltelijk toe te rekenen aan verzoekster zelf. Inzonderheid is, zoals blijkt uit de beslissing van de Ombudsman van 8 maart 2013, de door verzoekster na mei 2010 geleden schade uitsluitend en alleen te wijten aan verzoekster, die weigerde met de delegatie samen te werken.
104
In de derde plaats betoogt verzoekster dat de delegatie het toepasselijke Egyptische recht heeft geschonden door te verzuimen om binnen zeven dagen na het einde van haar arbeidsovereenkomst een „estemara 6”-formulier op haar naam af te geven. Volgens haar is enkel de delegatie in staat om deze schending te herstellen. Laatstgenoemde weigert evenwel sinds 2005, uitsluitend om financiële redenen, haar situatie te regulariseren, aangezien een dergelijke regularisatie niet met terugwerkende kracht kan worden uitgevoerd, maar enkel vanaf de datum van afgifte van voornoemd formulier, hetgeen de betaling impliceert van socialezekerheidspremies tot aan laatstgenoemde datum.
105
De EDEO erkent het „estemara 6”-formulier niet binnen de gestelde termijn te hebben afgegeven, maar herhaalt dat hij bij zijn pogingen om het probleem op te lossen geen medewerking heeft kunnen krijgen van verzoekster, die weigerde een „movement certificate” aan te vragen. Hij is van mening dat het niet juist zou zijn om het socialezekerheidsdossier van verzoekster af te sluiten alsof zij tot op heden voor de delegatie heeft gewerkt. Hij voegt hieraan toe dat de delegatie uiteindelijk de hulp heeft ingeroepen van een advocaat, die voornoemd formulier naar het laatste adres van verzoekster in Egypte heeft gezonden, alsmede een brief heeft gestuurd naar het Egyptische socialezekerheidsorgaan, dat hierop evenwel nooit heeft geantwoord.
106
In de eerste plaats dient de gestelde schending van het Egyptische recht te worden onderzocht.
107
In dit verband zij erop gewezen dat partijen het erover eens zijn dat, naar Egyptisch recht, de delegatie verplicht was om binnen zeven dagen na het einde van haar arbeidsovereenkomst met verzoekster het „estemara 6”-formulier op naam van verzoekster op te stellen en af te geven aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan, maar dat de delegatie heeft verzuimd dit te doen. Zoals de EDEO ter terechtzitting heeft aangegeven, lijkt het erop dat verzoeksters situatie zelfs op de datum van die terechtzitting nog steeds niet was geregulariseerd (zie punt 41 hierboven).
108
Desalniettemin moet worden vastgesteld dat, zoals verzoekster overigens ter terechtzitting heeft toegegeven, een dergelijke miskenning van een nationale regeling van een derde land als zodanig op zichzelf geen schending van het Unierecht kan opleveren die kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Zo is geoordeeld dat verzuimen van Unie-instellingen slechts tot aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden voor zover de instellingen een uit een Unierechtelijke bepaling voortvloeiende wettelijke verplichting tot handelen niet zijn nagekomen (arresten KYDEP/Raad en Commissie, punt 50 supra, EU:C:1994:329, punt 58, en 13 november 2008, SPM/Raad en Commissie, T‑128/05, EU:T:2008:494, punt 128).
109
Daar staat tegenover dat wanneer de miskenning van een nationale regeling van een derde land tegelijkertijd een schending vormt van een regel van Unierecht, en met name van een algemeen beginsel van Unierecht, dit kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Derhalve dient in casu de, door de EDEO erkende, schending van het toepasselijke Egyptische recht niet autonoom te worden beoordeeld, maar binnen de context van de middelen die zijn ontleend aan schending van, enerzijds, het beginsel van behoorlijk bestuur en, anderzijds, het beginsel van de redelijke termijn.
110
In de tweede plaats dienen de middelen die zijn ontleend aan schending van, enerzijds, het beginsel van behoorlijk bestuur en, anderzijds, het beginsel van de redelijke termijn gezamenlijk te worden behandeld.
111
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, met als opschrift „Recht op behoorlijk bestuur”, in lid 1 ervan bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld. Artikel 41, lid 3, van dat Handvest herinnert aan het in artikel 340, tweede alinea, VWEU neergelegde beginsel dat eenieder recht heeft op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.
112
De toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten preciseren dat artikel 41 ervan is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel.
113
Het beginsel van behoorlijk bestuur, wanneer het de uitdrukking vormt van specifieke rechten als het recht van eenieder op een onpartijdige en billijke behandeling van zijn zaken binnen een redelijke termijn, in de zin van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, moet worden aangemerkt als een regel van Unierecht die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen [zie, met betrekking tot de zorgvuldigheidsplicht, die samenhangt met het beginsel van behoorlijk bestuur en de bevoegde instelling verplicht alle relevante gegevens van de zaak zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, Jurispr., EU:C:2008:726, punt 91en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arresten van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T‑193/04, Jurispr., EU:T:2006:292, punt 127, en SPM/Raad en Commissie, punt 108 supra, EU:T:2008:494, punt 127].
114
Bovendien beschikken de instellingen, organen en instanties van de Unie niet over een beoordelingsmarge met betrekking tot de eerbiediging, in een concreet geval, van het beginsel van behoorlijk bestuur, zoals dit in casu wordt ingeroepen. Bijgevolg volstaat de vaststelling dat er sprake is van schending van dit beginsel door de delegatie en de EDEO op zich om het bestaan aan te tonen van een voldoende gekarakteriseerde schending in de zin van de in punt 51 hierboven aangehaalde rechtspraak.
115
Vastgesteld moet worden dat de EDEO ter terechtzitting heeft toegegeven dat in casu sprake is geweest van schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, in de zin van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, en, met name, van het beginsel van de redelijke termijn.
116
De gegevens in het dossier en de volgorde van de gebeurtenissen zoals die zijn beschreven in de punten 1 tot en met 41 hierboven, tonen in elk geval het bestaan van een dergelijke schending aan. De delegatie, opgevolgd door de EDEO, heeft zich totaal niet inschikkelijk getoond jegens verzoekster, die nochtans meer dan tien jaar haar werkneemster was geweest, door, kort samengevat, niet alleen te verzuimen om in oktober 2001 het „estemara 6”-formulier op verzoeksters naam op te stellen en af te geven aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan, maar ook door pas op 18 maart 2010 voor het eerst een concrete maatregel te nemen in antwoord op het verzoek van 3 februari 2005 (zie punt 5 hierboven), dat nadien meerdere malen is herhaald (zie punten 8, 11, 13, 15, 17, 19 en 20 hierboven). Zij heeft vervolgens getracht een „movement certificate” op verzoeksters naam te verkrijgen (zie punt 22 hierboven). Tot 18 maart 2010 heeft de delegatie niets ondernomen en niet gereageerd op de verzoeken van verzoekster, dan wel enkel ontwijkende antwoorden verstrekt, waarin zij stelde meer tijd nodig te hebben om een oplossing voor het probleem te vinden. Naar aanleiding van een vraag hierover ter terechtzitting, was de EDEO niet in staat ook maar enige uitleg te verschaffen voor dit uitblijven van reacties van de delegatie op verzoeksters volstrekt gerechtvaardigde verzoeken.
117
De EDEO kan de latere niet-regularisatie van de situatie van verzoekster niet rechtvaardigen met het feit dat laatstgenoemde heeft geweigerd om een „movement certificate” aan te vragen, zoals de delegatie haar vanaf midden 2010 verscheidene malen had verzocht.
118
Zoals verzoekster heeft beklemtoond in haar stukken en ter terechtzitting, is immers geenszins aangetoond dat de overlegging van een „movement certificate”, ten bewijze dat zij in oktober 2001 het Egyptische grondgebied had verlaten, onontbeerlijk was om haar situatie op socialezekerheidsgebied te regulariseren. Bijgevolg, en gelet op de door verzoekster aangevoerde persoonlijke redenen alsook op de weigering van de EDEO om serieus de mogelijkheid te overwegen haar een schadeloosstelling toe te kennen, is het begrijpelijk dat verzoekster terughoudend stond tegenover het aanvragen van een dergelijk certificaat. Dienaangaande zij opgemerkt dat het „movement certificate” geen onschuldig document is, ook indien niet vaststaat dat dit certificaat uitsluitend, dan wel hoofdzakelijk, wordt gebruikt in het kader van strafrechtelijke procedures.
119
Zoals ter terechtzitting duidelijk is gebleken, beoogden de delegatie en de EDEO weliswaar het voornoemde „movement certificate” te verkrijgen, doch dit was in feite vooral in hun eigen belang, opdat verzoeksters socialezekerheidsdossier met terugwerkende kracht in oktober 2001 kon worden gesloten. Zoals tussen partijen vaststaat, had de delegatie op elk moment een „estemara 6”-formulier kunnen opstellen, met daarop de datum van de daadwerkelijke afgifte aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan, maar zou zij zich in dat geval bloot hebben gesteld aan de verplichting om tot aan die datum achterstallige socialezekerheidspremies te moeten betalen. In dit verband zij eraan herinnerd dat het „estemara 6”-formulier met de afgifte waarvan aan verzoekster de delegatie uiteindelijk in oktober 2011 instemde, door dat orgaan werd geweigerd op grond dat het was geantedateerd met een datum in oktober 2001 (zie punt 34 hierboven).
120
Uit het voorgaande volgt dat de delegatie en de EDEO, door niet binnen de door het toepasselijke Egyptische recht gestelde termijn het „estemara 6”-formulier op naam van verzoekster af te geven en door nadien niet de situatie van verzoekster te regulariseren, zich schuldig hebben gemaakt aan een onrechtmatige handelwijze die kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.
– Poging van de delegatie om een „movement certificate” te verkrijgen
121
Verzoekster stelt dat de delegatie haar recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer heeft geschonden door in 2010, zonder haar daarover te informeren en zelfs zonder haar toestemming, contact op te nemen met de Egyptische immigratie- en paspoortdienst teneinde een „movement certificate” te verkrijgen.
122
De EDEO betwist verzoeksters recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer te hebben geschonden. Hij wijst er met name op dat de delegatie, geheel te goeder trouw en met de bedoeling om verzoeksters situatie te regulariseren, op basis van informatie die hij had ontvangen van het Egyptische socialezekerheidsorgaan, heeft getracht om zelf het „movement certificate” te verkrijgen.
123
In dit verband kan ermee worden volstaan op te merken dat verzoekster op geen enkele wijze aantoont in welk opzicht de pogingen van de delegatie om voor haar een „movement certificate” te verkrijgen, dat enkel het bewijs is van haar vertrek van het Egyptische grondgebied in oktober 2001, afbreuk hadden kunnen doen aan haar persoonlijke levenssfeer. Zoals de EDEO heeft aangegeven, zonder op dit punt door verzoekster te zijn weersproken, was de informatie waarvan de delegatie aldus, louter voor administratieve doeleinden, de officiële bevestiging wilde verkrijgen, door verzoekster onmiddellijk na haar ontslag aan de delegatie meegedeeld, en had deze dus geen persoonlijk karakter.
124
Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de pogingen van de delegatie om voor verzoekster een „movement certificate” te verkrijgen, een onrechtmatige handelwijze vormt die kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.
Gestelde schade en causaal verband
125
Uit de punten 106 tot en met 120 hierboven blijkt dat de delegatie, en vervolgens de EDEO, een onrechtmatigheid hebben begaan die kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, door, in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur en het beginsel van de redelijke termijn, te verzuimen om binnen de door het toepasselijke Egyptische recht gestelde termijn het „estemara 6”-formulier op naam van verzoekster af te geven aan het Egyptische socialezekerheidsorgaan en door nadien niet haar situatie in dit verband te regulariseren. Bovendien volgt uit de punten 89 tot en 97 hierboven dat het onderhavige beroep, wat de hiermee gevraagde vergoeding van de gestelde tweede, derde en vierde materiële schadepost en van de gestelde immateriële schadeposten betreft, ontvankelijk is, voor zover deze diverse schades zijn geleden na 30 oktober 2008.
126
Derhalve dient te worden onderzocht of de schadeposten reëel en zeker zijn en, in voorkomend geval, of er een causaal verband bestaat tussen de geconstateerde onrechtmatigheid en die schadeposten.
– Gestelde tweede materiële schadepost
127
Verzoekster vordert primair terugbetaling van de woonkosten die zij sinds 2004 in België heeft moeten betalen en die worden begroot op een bedrag van 133493,88 EUR. Zij stelt dat indien de delegatie het „estemara 6”-formulier wél zou hebben afgegeven, zij vanaf eind 2003 weer in Egypte had kunnen gaan wonen en werken. Zij had daar gratis onderdak kunnen krijgen bij haar familie tot aan de levering van het appartement dat zij in Caïro had gekocht. Aangezien zij als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO in België moest blijven wonen, vordert zij terugbetaling van de huurbedragen die zij heeft betaald voor de twee appartementen waarin zij van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2008 achtereenvolgens heeft gewoond, te weten een bedrag van 40950 EUR, waarbij zij preciseert dat zij in juli 2007 in België een appartement had gekocht waarin zij op 1 februari 2008 haar intrek kon nemen. Zij vordert ook betaling van een bedrag van 4438 EUR in verband met de aankoop van meubels voor het tweede door haar gehuurde appartement in Brussel (België). Tot slot is zij van mening dat deze bedragen moeten worden verhoogd met het totaal van de bedragen die zij vanaf 1 juli 2007 verschuldigd was aan rente voor de lening die zij had afgesloten voor de aankoop van haar appartement in België, te weten een bedrag van 88105,88 EUR.
128
Subsidiair vordert verzoekster terugbetaling van het totaal van de rentebedragen die zij vanaf 30 oktober 2008 verschuldigd was voor de in punt 127 hierboven bedoelde lening, te weten een bedrag van 78623,81 EUR.
129
De EDEO betwist het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen de betrokken onrechtmatige handelwijze en die schade, waarbij hij, kort samengevat, betoogt dat verzoekster vrijwillig had besloten om in België te gaan wonen en dat de kosten waarvan terugbetaling wordt gevorderd, niet meer dan het normale gevolg zijn van de keuze hoe zij haar leven inricht. Bovendien is elk eventueel causaal verband verbroken door de handelwijze van verzoekster zelf, die had geweigerd een „movement certificate” aan te vragen.
130
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, aangezien het verzoek om vergoeding van de gestelde tweede materiële schadepost verjaard was voor wat betreft de periode vóór 30 oktober 2008, enkel verzoeksters subsidiaire vorderingen met betrekking tot haar woonkosten door het Gerecht in aanmerking kunnen worden genomen.
131
Vervolgens moet worden vastgesteld dat er geen voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de betrokken onrechtmatige handelwijze en de schade die wordt gevormd door de rente die verzoekster moest betalen voor de lening die zij had afgesloten voor de aankoop van een appartement in Brussel.
132
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat in gevallen waarin wordt betoogd dat de gestelde schade door een nalaten is veroorzaakt, de zekerheid moet bestaan dat de schade effectief door het gelaakte nalaten is veroorzaakt en niet kon zijn veroorzaakt door andere gedragingen dan die welke de verwerende instelling ten laste worden gelegd (zie beschikking van 17 december 2008, Portela/Commissie, T‑137/07, EU:T:2008:589, punt 80en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133
Verzoekster heeft weliswaar als gevolg van de betrokken onrechtmatige handelwijze vanaf het begin van 2005 niet kunnen terugkeren naar Egypte om daar te gaan werken en wonen, doch dit neemt niet weg dat haar persoonlijke keuze, en niet de bovengenoemde handelwijze, doorslaggevend was voor haar besluit om in juli 2007 een appartement in Brussel te kopen en daarvoor een hypothecaire lening af te sluiten. Tussen de bovengenoemde handelwijze en het besluit om tot die aankoop en lening over te gaan, bestaat hooguit een indirect causaal verband. Dienaangaande moet er met name op worden gewezen dat verzoekster in het verzoekschrift heeft verklaard dat „[zij], teneinde [zich] te verzekeren van een vastgoedkapitaal om [haar] povere toekomstige pensioen aan te vullen, uiteindelijk, in juli 2007, [had] besloten in België een lening af te sluiten om daar een appartement te kopen”.
134
Hieruit volgt dat het verzoek om vergoeding van de gestelde tweede materiële schadepost moet worden afgewezen.
– Gestelde derde materiële schadepost
135
Verzoekster betoogt dat zij als gevolg van de betrokken onrechtmatige handelwijze een kans heeft verloren om vanaf 1 januari 2004 weer in Egypte te gaan werken en een prestigieuzere, dynamischere en financieel interessantere beroepscarrière te hebben dan zij in België heeft. Zij begroot deze schade primair op 50 % van het nettosalaris dat zij vanaf 1 januari 2004 tot aan de datum van het onderhavige beroep in België heeft ontvangen, te weten een totaalbedrag van 131150 EUR. Subsidiair vordert zij, wanneer enkel het sinds 30 oktober 2008 ontvangen nettosalaris in aanmerking wordt genomen, betaling van 68800 EUR.
136
De EDEO betoogt dat verzoekster, door te weigeren een „movement certificate” aan te vragen en aan de EDEO te verstrekken, niet alleen geen „redelijke inspanning” heeft geleverd om de omvang van de gestelde derde schadepost te beperken, maar ook elk causaal verband tussen de betrokken onrechtmatige handelwijze en die schade heeft verbroken. Bovendien betwijfelt hij of de baan die verzoekster in België uitoefent wel minder prestigieus en interessant is dan de banen die zij had kunnen hebben in Egypte, en stelt hij dat verzoekster geen bewijs levert van haar verklaringen met betrekking tot de salarissen die zij in laatstgenoemd land had kunnen ontvangen. Ten slotte wijst hij erop dat het uit hoofde van die schade gevorderde bedrag elke grondslag mist.
137
Het verzoek van verzoekster om schadeloos te worden gesteld voor het verlies van de kans om in Egypte een interessantere en lucratievere beroepscarrière te kunnen hebben, moet worden afgewezen, aangezien het bestaan van die beweerdelijke schade onvoldoende is aangetoond.
138
Uit het dossier blijkt genoegzaam, en tussen partijen staat vast, dat verzoekster inderdaad, als gevolg van het onrechtmatige verzuim van de delegatie om het „estemara 6”-formulier op naam van verzoekster af te geven en haar situatie nadien te regulariseren, baanmogelijkheden in Egypte heeft verloren in februari 2005, april 2005, september 2005, januari 2006 en maart 2007, en in België moest blijven werken en wonen.
139
Desalniettemin is verzoeksters stelling dat de carrière die zij in Egypte had kunnen hebben prestigieuzer en, zowel intellectueel als financieel, interessanter zou zijn geweest dan de carrière die zij in België heeft, louter op vermoedens gebaseerd.
140
Zo blijkt, ten eerste, terwijl verzoekster in haar stukken beweert dat zij in België slechts „een baan heeft kunnen vinden als secretaresse in een kleine [VZW] die zich bezighoudt met de handel in zink”, uit haar arbeidsovereenkomst – opgenomen in bijlage A 18 bij het verzoekschrift – en uit een brief – opgenomen in bijlage C 3 bij de repliek – dat zij in september 2001 was aangenomen als „Assistant to Market Development Coordinator and Environment and Public Affairs Manager” (assistent van de coördinator marktontwikkeling en van de directeur milieu en publieke zaken). Bovendien geven haar werkvergunningen aan dat zij is „belast met projecten” en wordt zij in een memorandum van 13 februari 2013 – opgenomen in bijlage A 18 bij het verzoekschrift – aangeduid als „Executive and Personal Assistant” (uitvoerend en persoonlijk assistent).
141
Ten tweede vergelijkt verzoekster in haar verzoekschrift haar beroepssituatie in België met de functies die zij uitoefende binnen de delegatie, „een organisatie van ongeveer zestig personen, in een diplomatieke omgeving, die een prestigieus orgaan vertegenwoordigt”. Deze vergelijking is echter irrelevant aangezien verzoekster zelf in oktober 2001 heeft besloten die functies te beëindigen en te vertrekken naar België om daar te gaan werken.
142
Ten derde moet worden vastgesteld dat verzoekster haar beweringen met betrekking tot het bedrag van de salarissen die zij in Egypte had kunnen ontvangen, met geen enkel bewijsmiddel heeft onderbouwd. De methode die zij hanteert om de gestelde onderhavige schade te kwantificeren, te weten de toepassing van een coëfficiënt van 50 % op het nettosalaris dat zij in België ontvangt, is louter willekeurig.
143
Ten vierde is de bewering van verzoekster dat haar „profiel [geen] bijzondere vooruitzichten biedt en [niet] bijzonder gewild is door werkgevers” in België, nauwelijks overtuigend. Verzoekster beschikt weliswaar slechts over een basale kennis van het Nederlands, maar zij spreekt Frans, Engels en Arabisch, en heeft voorts een goede kennis van het Spaans en Italiaans. Bovendien vormt haar ervaring van tien jaar bij de delegatie, met name gelet op de beschrijving die zij daarvan geeft in het verzoekschrift, een duidelijk voordeel op professioneel gebied.
144
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om vergoeding van de gestelde derde materiële schadepost moet worden afgewezen.
– Gestelde vierde materiële schadepost
145
De vierde materiële schadepost die verzoekster aanvoert, wordt gevormd door het verminderde pensioenbedrag waarop zij in België aanspraak zal kunnen maken. Zij verklaart dat zij als gevolg van de beweerdelijk onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO niet het minimaal vereiste aantal jaren zal kunnen bereiken om in aanmerking te komen voor een ouderdomspensioen in Egypte, en dat de periodes van bijdragebetaling die zij in België zal kunnen vergaren te kort zullen zijn om aldaar tot betaling van een volledig ouderdomspensioen te kunnen leiden. Bijgevolg vordert zij, zowel primair als subsidiair, betaling van een bedrag van 181440 EUR, dat overeenkomt met „het verschil tussen het ouderdomspensioen dat zij zal ontvangen en het bedrag dat wordt ontvangen bij een volledige loopbaan, tegen een gelijkwaardige beloning, tussen haar 65e en 83e levensjaar”.
146
De EDEO brengt hiertegen in, kort samengevat, dat de gestelde vierde materiële schadepost niet actueel, niet zeker en niet welomschreven is.
147
Vastgesteld moet worden dat de gestelde vierde materiële schadepost in het geheel niet zeker is. Verzoekster baseert haar vordering immers op de louter hypothetische premisse dat, indien zij weer in Egypte had kunnen gaan werken, zij aldaar gedurende een voldoende aantal jaren – te weten minimaal twintig – premies zou hebben betaald teneinde te kunnen genieten van een ouderdomspensioen in Egypte, waarna zij het bedrag van die schade begroot op basis van de, eveneens louter hypothetische, premisse van een volledige loopbaan, en dus een volledig pensioen, in België.
148
Bijgevolg kan het verzoek om vergoeding van de gestelde vierde materiële schadepost niet worden toegewezen.
– Gestelde immateriële schadeposten
149
Verzoekster betoogt in de eerste plaats, onder verwijzing naar de medische certificaten die zij bij het verzoekschrift heeft gevoegd, dat de onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO haar in een toestand van stress en spanning hebben gebracht, die bij haar heeft geleid tot spijsverteringsproblemen, huidaandoeningen en een diepe depressie. In de tweede plaats stelt zij dat zij lijdt onder de verwijdering van haar familie en vrienden. Zij begroot deze dubbele immateriële schade ex aequo et bono op 50000 EUR.
150
De EDEO is van mening dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige handelwijze en deze dubbele immateriële schade en dat elk eventueel causaal verband hoe dan ook is verbroken door de handelwijze van verzoekster zelf.
151
Vastgesteld moet worden dat de diverse medische certificaten en attesten die bij het verzoekschrift zijn gevoegd, aantonen dat verzoekster gedurende een periode die samenviel met die van het onderhavige geschil gezondheidsklachten heeft gehad, zowel op fysiek als op psychisch vlak, en heeft geleden onder de verwijdering van haar geboorteland, haar familie en haar vrienden.
152
Bovendien blijkt uit het dossier rechtens genoegzaam dat deze klachten en dit lijden voortvloeien uit de onrechtmatige en totaal respectloze handelwijze van de delegatie en de EDEO. Deze handelwijze heeft verzoekster in een bijzonder moeilijke situatie gebracht en bij haar geleid tot een toestand van stress en depressie, hetgeen goed te begrijpen is.
153
Om de in punt 90 hierboven reeds uiteengezette redenen kan niet serieus worden aangenomen – zoals de EDEO doet – dat het besluit van verzoekster om vanaf 2005 in België te blijven wonen, voortvloeit uit een persoonlijke en vrije keuze van haarzelf. Bovendien kan, om de in de punten 118 en 119 hierboven reeds genoemde redenen, verzoekster niet worden verweten dat zij heeft geweigerd de delegatie en de EDEO een „movement certificate” te verstrekken.
154
Het bedrag van de dubbele immateriële schade die verzoekster heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van de delegatie en de EDEO moet op de datum van het onderhavige arrest ex aequo et bono worden begroot op 25000 EUR.
155
Gelet op alle voorgaande overwegingen, dient het onderhavige beroep dus gedeeltelijk te worden toegewezen, en wel voor zover het strekt tot vergoeding van de dubbele immateriële schade die verzoekster heeft geleden. De hoogte ervan moet worden vastgesteld op het bovengenoemde bedrag van 25000 EUR. Het moet worden verworpen voor het overige.
Verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang
156
Zoals is uiteengezet in punt 47 hierboven, heeft verzoekster het Gerecht verzocht om, uit hoofde van maatregelen tot organisatie van de procesgang, de EDEO te bevelen de documenten over te leggen die de door de delegatie en de EDEO ondernomen stappen om het onderhavige geschil op te lossen kunnen bewijzen.
157
De EDEO heeft – terwijl hij beklemtoont dat het uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat of de gegevens waarover het ter zake van de aan hem voorgelegde zaken beschikt, eventueel moeten worden aangevuld – in de bijlage van de dupliek kopieën opgenomen van de verschillende e-mails die met betrekking tot deze stappen met name zijn gewisseld met een Egyptische advocaat.
158
In deze omstandigheden zijn er, gelet op de andere stukken die in het kader van de onderhavige procedure zijn neergelegd en op grond waarvan het Gerecht zich voldoende voorgelicht kan achten, geen gronden om de door verzoekster gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten.
Kosten
159
Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht draagt, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, elke partij haar eigen kosten. Het Gerecht kan evenwel, indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.
160
Aangezien in casu het beroep gedeeltelijk slaagt, eist een billijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak dat verzoekster in casu twee tiende van haar eigen kosten en twee tiende van de kosten van de EDEO draagt, en de EDEO acht tiende van haar eigen kosten en acht tiende van die van verzoekster.
HET GERECHT (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
De Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) wordt veroordeeld tot betaling aan Randa Chart van een schadevergoeding van 25000 EUR.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
Chart draagt twee tiende van haar eigen kosten en twee tiende van de kosten van de EDEO.
4)
De EDEO draagt acht tiende van zijn eigen kosten en acht tiende van de kosten van Chart.
Frimodt Nielsen
Dehousse
Collins
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 december 2015.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Procedure en conclusies van partijen
In rechte
Opmerkingen vooraf
Ontvankelijkheid
Ten gronde
Beweerdelijk onrechtmatige handelwijze
– Verzuim om het „estemara 6”-formulier op verzoeksters naam af te geven en om haar situatie nadien te regulariseren
– Poging van de delegatie om een „movement certificate” te verkrijgen
Gestelde schade en causaal verband
– Gestelde tweede materiële schadepost
– Gestelde derde materiële schadepost
– Gestelde vierde materiële schadepost
– Gestelde immateriële schadeposten
Verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang
Kosten
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy