T‑220/1462014TJ0220EU:T:2017:26700011155T
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
6 april 2017 ( *1 )
„Staatssteun — Zeevervoer — Compensatie voor de openbare dienst — Kapitaalverhoging — Besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast — Liquidatie van verzoekster — Bekwaamheid om in rechte op te treden — Voortbestaan van procesbelang — Geen afdoening zonder beslissing — Begrip steun — Dienst van algemeen economisch belang — Criterium van de particuliere investeerder — Kennelijk onjuiste beoordeling — Onjuiste rechtsopvatting — Exceptie van onwettigheid — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Besluit 2011/21/EU — Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden — Kaderregeling van de Unie inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst — Arrest Altmark”
In zaak T‑220/14,
Saremar – Sardegna Regionale Marittima SpA, gevestigd te Cagliari (Italië), vertegenwoordigd door G. M. Roberti, G. Bellitti en I. Perego, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, D. Grespan, en A. Bouchagiar als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Compagnia Italiana di Navigazione SpA, gevestigd te Napels (Italië), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Sciaudone, R. Sciaudone, D. Fioretti en A. Neri, vervolgens door M. Merola, B. Carnevale en M. Toniolo, advocaten,
interveniënte,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2013) 9101 final van de Commissie van 22 januari 2014 inzake steunmaatregelen SA.32014 (2011/C), SA.32015 (2011/C) en SA.32016 (2011/C) die de Regione autonoma della Sardegna [autonome regio Sardinië; hierna: „RAS”] ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Saremar, voor zover bij dat besluit een compensatie voor de openbare dienst en een kapitaalverhoging als staatssteun zijn aangemerkt, die maatregelen onverenigbaar met de interne markt zijn verklaard en de terugvordering ervan is gelast,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, M. Kancheva en N. Półtorak, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juli 2016,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
In rechte
1. Bekwaamheid van Saremar om in rechte op te treden
43
Vooraf kan uit de door de partijen op 11 en 29 juli 2016 aan het Gerecht verstrekte toelichtingen en documenten worden opgemaakt dat Saremar niet in staat was om het reeds betaalde deel van de litigieuze steun terug te betalen en heeft verzocht om te worden toegelaten tot de procedure van preventief akkoord met het oog op haar liquidatie. Op 22 juli 2015 heeft de Tribunale di Cagliari (rechter in eerste aanleg Cagliari, Italië) dat verzoek ingewilligd. Saremar heeft sinds 31 maart 2016 al haar activiteiten stopgezet en bevindt zich in een vergevorderd stadium van de liquidatiefase. Alle preferente schuldeisers zijn namelijk voldaan en, volgens de vennootschap zelf, is in de komende maanden een eerste belangrijke verdeling tussen de concurrente schuldeisers gepland.
44
Afhankelijk van het toepasselijke nationale recht en de toepasselijke procedure kan een vennootschap in liquidatie de bekwaamheid verliezen om in rechte op te treden, op zijn minst in eigen naam. Overigens wijst verzoekster er zelf op dat dit naar Italiaans recht het geval kan zijn. Ter terechtzitting en in het kader van haar brief van 29 juli 2016 heeft de Commissie weliswaar alleen betoogd dat verzoeksters liquidatie afbreuk doet aan haar procesbelang, maar niet dat die liquidatie afbreuk doet aan haar bekwaamheid om in rechte op te treden. Aangezien de vraag of verzoekster een procesbelang heeft zonder voorwerp zou geraken door een eventueel verlies van haar bekwaamheid om in rechte op te treden, moet echter worden nagegaan of zij die bekwaamheid in de loop van het geding heeft behouden.
45
In dit verband heeft het begrip „rechtspersoon” in artikel 263, vierde alinea, VWEU, zoals het Hof heeft geoordeeld, weliswaar niet noodzakelijk dezelfde inhoud als in het recht van de verschillende lidstaten, maar uit de rechtspraak vloeit voort dat dit begrip in beginsel het bestaan impliceert van rechtspersoonlijkheid volgens het recht van een lidstaat of een derde land en van een door dat recht erkende bekwaamheid om in rechte op te treden (zie in die zin arresten van 20 maart 1959, Nold/Hoge Autoriteit, 18/57, EU:C:1959:6; 28 oktober 1982, Groupement des Agences de voyages/Commissie, 135/81, EU:C:1982:371, punt 10, en 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 114, en beschikking van 24 november 2009, Landtag Schleswig‑Holstein/Commissie, C‑281/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:728, punt 22). Derhalve kan een beroep van een entiteit die krachtens een specifiek nationaal recht niet bekwaam is om in rechte op te treden, slechts in uitzonderlijke omstandigheden ontvankelijk worden verklaard, met name wanneer de verplichting om een effectieve rechterlijke bescherming te verzekeren dit noodzakelijk maakt (zie in die zin arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 109‑114). Bovendien moet die bekwaamheid om in rechte op te treden in de loop van het geding worden behouden (zie in die zin arresten van 20 september 2007, Salvat père & fils e.a./Commissie, T‑136/05, EU:T:2007:295, punten 25‑27, en 21 maart 2012, Marine Harvest Norway en Alsaker Fjordbruk/Raad, T‑113/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:135, punten 27‑29). Het bestaan van rechtspersoonlijkheid en de bekwaamheid om in rechte op te treden moeten worden onderzocht aan de hand van het relevante nationale recht (arrest van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie, 50/84, EU:C:1984:365, punt 7, en beschikking van 3 april 2008, Landtag Schleswig‑Holstein/Commissie, T‑236/06, EU:T:2008:91, punt 22).
46
In casu blijkt uit de brief van Saremar van 29 juli 2016 dat volgens de rechtspraak van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechterlijke instantie, Italië) een vennootschap die het voorwerp is van een procedure van preventief akkoord het recht behoudt om in eigen naam rechtsvorderingen in te stellen en deel te nemen aan gedingen om haar vermogen te beschermen. Overigens heeft verzoekster bij die brief een brief van haar curatoren van 26 juli 2016 gevoegd waaruit blijkt dat haar raadslieden in het kader van het onderhavige beroep nog steeds over een geldige volmacht beschikken. Bijgevolg moet Saremar, ondanks haar liquidatie, worden geacht in de loop van het geding niet haar bekwaamheid om in rechte op te treden te hebben verloren.
2. Door de Commissie opgeworpen exceptie van afdoening zonder beslissing
47
De Commissie betoogt dat het procesbelang van Saremar ten gevolge van haar lopende liquidatie in de loop van het geding is verdwenen. In dit verband voert zij aan dat de liquidatie van Saremar zich in een vergevorderd stadium bevindt en vóór de uitspraak van het onderhavige arrest kan worden afgesloten. Bovendien kan verzoekster, zoals zij zelf heeft erkend, niet langer een economische activiteit opstarten, ook al zou het bestreden besluit nietig worden verklaard en zou zijzelf dientengevolge vrijgesteld zijn van de verplichting tot terugbetaling van de steun. Ten slotte is het belang van de schuldeisers van Saremar bij de uitsluiting van het bedrag van de litigieuze steun van het passief van die vennootschap onderscheiden van het belang bij de voortzetting van haar economische activiteit. De Commissie concludeert dat dit ontbreken van procesbelang het Gerecht ertoe moet brengen om de onderhavige zaak zonder beslissing af te doen.
48
In antwoord op die argumenten voert Saremar aan dat de nietigverklaring van het bestreden besluit voor haar rechtsgevolgen zou hebben, doordat het passief van het akkoord door die nietigverklaring met 11 miljoen EUR zou worden verminderd, zodat al haar schuldeisers volledig zouden kunnen worden voldaan.
49
Volgens vaste rechtspraak vormt het procesbelang de essentiële en eerste voorwaarde voor elk beroep in rechte (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
In dit verband volgt uit artikel 263 VWEU dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen het in de tweede alinea van dat artikel bedoelde recht van de instellingen van de Unie en de lidstaten om beroep tot nietigverklaring in te stellen en het in de vierde alinea van dat artikel bedoelde recht van natuurlijke en rechtspersonen om beroep tot nietigverklaring in te stellen. Zo kunnen de instellingen van de Unie en de lidstaten volgens vaste rechtspraak dat beroepsrecht uitoefenen zonder ter zake procesbevoegdheid of een procesbelang te hoeven aan te tonen (zie in die zin arrest van 24 maart 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen‑Anhalt/Commissie, T‑443/08 en T‑455/08, EU:T:2011:117, punt 64, en beschikking van 19 februari 2013, Provincie Groningen e.a./Commissie, T‑15/12 en T‑16/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:74, punten 42 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Het in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde beroepsrecht van natuurlijke en rechtspersonen is daarentegen afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat zij procesbevoegd zijn, dat wil zeggen – volgens de tekst van die bepaling – van de voorwaarde dat hun beroep is ingesteld tegen een handeling die tot hen is gericht of die hen rechtstreeks en individueel raakt of tegen een regelgevingshandeling die hen rechtstreeks raakt en die geen uitvoeringsmaatregel met zich meebrengt. Voorts is dat beroepsrecht afhankelijk gesteld van het bestaan van een procesbelang in het stadium van de instelling van het beroep, wat een ontvankelijkheidsvoorwaarde vormt die verschillend is van de voorwaarde inzake procesbevoegdheid. Net als het voorwerp van het beroep dient dat procesbelang op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 57 en 59‑62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
Het bestaan van een procesbelang vormt derhalve een vraag van openbare orde die het Gerecht ambtshalve moet onderzoeken in het stadium van de instelling van het beroep om na te gaan of dat beroep ontvankelijk is of in de loop van het geding om na te gaan of op dat beroep nog moet worden beslist (zie in die zin beschikking van 24 maart 2011, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, T‑36/10, EU:T:2011:124, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Een dergelijk procesbelang veronderstelt dat de nietigverklaring van de bestreden handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en de uitslag van het beroep de verzoeker dus een voordeel kan opleveren (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42, en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 55). Bovendien moet het procesbelang van een verzoeker een verkregen en daadwerkelijk belang zijn en mag het geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Vooraf moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep voldoet aan de in de punten 51 tot en met 53 hierboven in herinnering gebrachte ontvankelijkheidsvoorwaarden zowel wat verzoeksters procesbevoegdheid als het bestaan van haar procesbelang in het stadium van de instelling van het beroep betreft, hetgeen de Commissie overigens niet betwist.
55
Aangaande in het bijzonder het procesbelang, moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit op de datum van instelling van het beroep verzoekster nadeel berokkende, doordat de Commissie door verzoekster genoten steun onverenigbaar en onrechtmatig heeft verklaard en de terugvordering ervan heeft gelast. Door dit feit alleen heeft het bestreden besluit immers de rechtspositie van die vennootschap gewijzigd. Vanaf de vaststelling van dat besluit had die vennootschap niet meer het recht om die steun te ontvangen en moest zij erop verdacht zijn dat zij die steun in beginsel zou moeten terugbetalen (zie arrest van 21 december 2011, ACEA/Commissie, C‑319/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:857, punten 68 en 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
Vastgesteld moet worden dat de liquidatie van Saremar in de loop van het geding geen afbreuk heeft gedaan aan haar procesbelang zoals gedefinieerd in punt 55 hierboven.
57
Allereerst moet immers worden opgemerkt dat het bestreden besluit niet is ingetrokken, zodat het onderhavige beroep zijn voorwerp behoudt (zie in die zin arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 48).
58
Vervolgens zijn de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet vervallen door het enkele feit van de liquidatie van Saremar.
59
In de eerste plaats heeft de RAS ten gevolge van het bestreden besluit immers nog steeds niet het recht om Saremar het deel te betalen van de litigieuze kapitaalverhoging waartoe die autonome regio, zoals volgt uit het bij het verzoekschrift gevoegde verslag van de aandeelhoudersvergadering van Saremar van 11 juli 2012, niet was overgegaan ten gevolge van de aanmelding van die transactie bij de Commissie. Het dossier bevat geen gegevens op grond waarvan de mogelijkheid kan worden uitgesloten dat in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit dat deel van de litigieuze kapitaalverhoging, waarop Saremar dan recht zou hebben, in haar vermogen zou worden opgenomen.
60
Aangaande in de tweede plaats het deel van de litigieuze steun dat door de RAS reeds aan Saremar is betaald, volgt uit vaste rechtspraak dat het enkele feit dat de onderneming in staat van faillissement verkeert, met name wanneer de faillissementsprocedure tot de liquidatie van de onderneming leidt, niet afdoet aan het beginsel dat de steun moet worden teruggevorderd. In een dergelijk geval kunnen het herstel van de vroegere toestand en de opheffing van de concurrentieverstoring als gevolg van onrechtmatig verleende steun immers in beginsel tot stand worden gebracht door de inschrijving van een verplichting tot terugbetaling van de betrokken steun op de passiefzijde van de balans van de onderneming in liquidatie (zie arrest van 1 juli 2009, KG Holding e.a./Commissie, T‑81/07–T‑83/07, EU:T:2009:237, punten 192 en 193 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet de litigieuze steun ten gevolge van het bestreden besluit op zijn minst op de passiefzijde van de balans van Saremar blijven, zodat hij – ook al zou hij niet aan de RAS kunnen worden terugbetaald – geen deel meer uitmaakt van verzoeksters vermogen.
61
Derhalve doet de liquidatie van Saremar niet af aan de vaststelling in punt 55 hierboven dat de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoekster een voordeel kan verschaffen, aangezien verzoeksters rechtspositie met betrekking tot de litigieuze steun hierdoor noodzakelijkerwijs zou worden gewijzigd. Bovendien zou die nietigverklaring ook tot gevolg hebben dat haar economische situatie aanzienlijk wordt verbeterd, aangezien de litigieuze steun opnieuw in haar vermogen zou kunnen worden opgenomen. Overigens wordt die analyse bevestigd door het arrest van 13 september 2010, Griekenland e.a./Commissie (T‑415/05, T‑416/05 en T‑423/05, EU:T:2010:386), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat vennootschappen in liquidatie, die de in die zaken aan de orde zijnde steun hadden terugbetaald, nog steeds een procesbelang hadden, aangezien de Helleense Republiek in geval van nietigverklaring gehouden zou zijn tot restitutie van de terugbetaalde bedragen, die als activa zouden worden geboekt op hun respectievelijke liquidatiebalansen (arrest van 13 september 2010, Griekenland e.a./Commissie, T‑415/05, T‑416/05 en T‑423/05, EU:T:2010:386, punt 62).
62
Hieraan moet worden toegevoegd dat het Gerecht tot op heden niet in kennis is gesteld van de afloop van de liquidatieprocedure van Saremar.
63
Uit al het voorgaande volgt dat Saremar nog steeds een procesbelang bij het onderhavige beroep heeft en dat derhalve uitspraak moet worden gedaan.
[omissis]
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Saremar – Sardegna Regionale Marittima SpA wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie en Compagnia Italiana di Navigazione SpA.
Gratsias
Kancheva
Półtorak
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 april 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy