ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
7 oktober 2015 ( *1 )
„Gemeenschapsmerk — Aanvragen voor gemeenschapswoordmerken XAΛΛOYMI en HALLOUMI — Absolute weigeringsgrond — Ontbreken van onderscheidend vermogen — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”
In de gevoegde zaken T‑292/14 en T‑293/14,
Republiek Cyprus, vertegenwoordigd door S. Malynicz, barrister, en V. Marsland, solicitor,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door P. Geroulakos als gemachtigde,
verweerder,
betreffende twee beroepen tegen twee beslissingen van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 19 februari 2014 (zaak R 1849/2013‑4 en zaak R 1503/2013‑4) inzake aanvragen tot inschrijving van respectievelijk het woordteken XAΛΛOYMI en het woordteken HALLOUMI als gemeenschapsmerk,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Prek (rapporteur), president, I. Labucka en V. Kreuschitz, rechters,
griffier: I. Dragan, administrateur,
gezien de op 28 april 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften,
gezien de op 16 september 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
gezien de beschikking van 28 augustus 2014 houdende voeging van de zaken T‑292/14 en T‑293/14 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest,
na de terechtzitting op 20 mei 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 13 en 15 februari 2013 heeft verzoekster, de Republiek Cyprus, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) twee gemeenschapsmerkaanvragen ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
2
De merken waarvan inschrijving is aangevraagd, zijn de woordtekens HALLOUMI en XAΛΛOYMI.
3
De waren waarvoor de merkaanvragen werden ingediend, behoren tot klasse 29 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Kaas; melk en melkproducten”.
4
Op 1 en 14 maart 2013 heeft de onderzoeker van het BHIM verzoekster laten weten dat hij van mening was dat de betrokken tekens niet konden worden ingeschreven wegens het bestaan van absolute weigeringsgronden als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b) en c), en lid 2, van verordening nr. 207/2009.
5
Bij brieven van 26 april en 14 mei 2013 heeft verzoekster haar argumenten ter bestrijding van het standpunt van de onderzoeker geformuleerd.
6
Bij beslissingen van 21 juni en 24 juli 2013 heeft de onderzoeker de gemeenschapsmerkaanvragen afgewezen op grond van artikel 7, lid 1, onder b) en c), en lid 2, van verordening nr. 207/2009.
7
Op 2 augustus en 20 september 2013 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het BHIM twee beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de onderzoeker.
8
Bij twee beslissingen van 19 februari 2014 (hierna: „bestreden beslissingen”) heeft de vierde kamer van beroep van het BHIM deze beroepen verworpen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevraagde merken de betrokken waren beschreven in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, en voorts dat zij elk onderscheidend vermogen misten in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening.
9
In de eerste plaats heeft zij beklemtoond dat de termen in hoofdletters „HALLOUMI” en „XAΛΛOYMI” een kaasspecialiteit van Cyprus aanduiden en dus minstens uit het oogpunt van het Cypriotische publiek rechtstreeks de soort en de geografische herkomst van de kaas, de melk en de melkproducten waarvoor de aanvragen zijn ingediend, beschrijven. Aldus was zij van oordeel dat de perceptie van het Engelstalige publiek, namelijk dat de online Oxford English Dictionary de term „halloumi” (in Latijns schrift) definieert als een ingeschreven merk (gedeponeerd handelsmerk), niet ter zake dienend was. Met betrekking tot de term in hoofdletters „XAΛΛOYMI” heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de gemiddelde Engelse consument niet in staat is het Griekse alfabet te lezen. In de tweede plaats heeft de kamer van beroep eraan herinnerd dat, aangezien verordening nr. 207/2009 niet voorziet in de inschrijving van kwaliteitsmerken, dergelijke merken dienen te worden aangevraagd als individuele merken en de inschrijving ervan enkel mogelijk is indien geen enkele van de absolute weigeringsgronden van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 207/2009 daaraan in de weg staat. In dit verband heeft zij met klem erop gewezen dat de afwijzing van de inschrijvingsaanvragen door de onderzoeker was gebaseerd op de beschrijvende betekenis van de termen in hoofdletters „HALLOUMI” en „XAΛΛOYMI”, en niet op het feit dat verzoekster onder deze woorden kwaliteitscertificering beoogde. In de derde plaats heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de tekens INTEL INSIDE en FAIRTRADE waren ingeschreven als individuele gemeenschapsmerken en thans mochten worden gebruikt om de kenmerken van de waren en diensten mee te delen, geen invloed kon hebben op de onderhavige zaak. Ten vierde was zij van mening dat, aangezien de aangevraagde merken de kenmerken beschreven van de waren waarop de merkaanvragen betrekking hadden, deze noodzakelijkerwijs elk onderscheidend vermogen misten in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
Conclusies van partijen
10
Verzoekster vraagt het Gerecht:
—
de bestreden beslissingen te vernietigen;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten.
11
Het BHIM verzoekt het Gerecht:
—
de beroepen te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
12
Tot staving van haar beroepen voert verzoekster één middel aan, te weten schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009. Het is dus passend om eerst dit middel te onderzoeken voor zover het betrekking heeft op schending van artikel 7, lid 1, onder c), van deze verordening.
13
Ingevolge artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 wordt inschrijving geweigerd van merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten. Voorts bepaalt artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009 dat lid 1 ook van toepassing is indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Europese Unie bestaan.
14
De tekens en aanduidingen waarop artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 doelt, zijn die welke in het normale gebruik uit het oogpunt van het relevante publiek kunnen dienen ter aanduiding, hetzij rechtstreeks, hetzij door vermelding van een van de essentiële kenmerken ervan, van de waar of dienst waarvoor de inschrijving is aangevraagd [arresten van 20 september 2001, Procter & Gamble/BHIM, C‑383/99 P, Jurispr., EU:C:2001:461, punt 39, en 22 juni 2005, Metso Paper Automation/BHIM (PAPERLAB), T‑19/04, Jurispr., EU:T:2005:247, punt 24].
15
Hieruit volgt dat een teken onder het in deze bepaling vervatte verbod valt wanneer het een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de betrokken waren of diensten heeft dat het betrokken publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de betrokken waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, te zien [arresten PAPERLAB, punt 14 supra, EU:T:2005:247, punt 25, en van 30 november 2011, Hartmann/BHIM (Complete), T‑123/10, EU:T:2011:706, punt 21].
16
Het beschrijvende karakter van een teken kan dus slechts worden beoordeeld met betrekking tot enerzijds de betrokken waren of diensten en anderzijds de wijze waarop het relevante publiek het teken opvat [arresten van 16 maart 2006, Telefon & Buch/BHIM – Herold Business Data (WEISSE SEITEN), T‑322/03, Jurispr., EU:T:2006:87, punt 90, en 15 januari 2015, MEM/BHIM (MONACO), T‑197/13, Jurispr., EU:T:2015:16, punt 50].
17
Tegen de achtergrond van deze beginselen dient het betoog van partijen inzake de beoordeling van de kamer van beroep in de bestreden beslissingen te worden onderzocht.
18
In de eerste plaats, zoals in punt 13 van de bestreden beslissingen is vermeld, zijn de betrokken waren bestemd voor het grote publiek, hetgeen overigens door verzoekster niet wordt betwist. Tevens dient te worden ingestemd met de – door verzoekster overigens niet betwiste – benadering van de kamer van beroep, waarbij wordt gerefereerd aan het Cypriotische publiek voor de analyse van het beschrijvende karakter van de aangevraagde merken.
19
De kamer van beroep heeft immers overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009 de absolute weigeringsgrond terecht beoordeeld louter uit het oogpunt van het Cypriotische publiek. Zoals zij in punt 11 van de bestreden beslissing in zaak T‑292/14 heeft beklemtoond, is het woord in hoofdletters „XAΛΛOYMI” in het Griekse alfabet geschreven en de vaststelling of dit woord kan worden ingeschreven, kan worden gebaseerd op het Cypriotische publiek, voor wie het Griekse alfabet wordt gebruikt als standaardalfabet. Evenzo erkent verzoekster met betrekking tot de termen in hoofdletters „HALLOUMI” en „XAΛΛOYMI” dat zij een kaasspecialiteit van Cyprus aanduiden. Dit rechtvaardigt tevens dat de kamer van beroep in zaak T‑293/14 enkel heeft gerefereerd aan het Cypriotische publiek voor de beoordeling van de absolute weigeringsgrond.
20
In de tweede plaats was de kamer van beroep van oordeel dat de termen in hoofdletters „HALLOUMI” en „XAΛΛOYMI” een kaasspecialiteit van Cyprus aanduiden en dus uit het oogpunt van het Cypriotische publiek rechtstreeks de soort en de geografische herkomst van de kaas, de melk en de melkproducten waarvoor de aanvragen zijn ingediend, beschrijven (punt 14 van de bestreden beslissingen).
21
Met deze overweging dient te worden ingestemd. Zij wordt immers door verzoekster zelf bevestigd in haar schrifturen. Verzoekster stelt dat de termen in hoofdletters „HALLOUMI” en „XAΛΛOYMI” wijzen op een bijzondere, uit Cyprus geëxporteerde kaassoort die op een bepaalde manier wordt gemaakt en waarvan de smaak, de textuur en de culinaire eigenschappen bijzonder zijn.
22
In dezelfde zin dient eraan te worden herinnerd dat het Gerecht reeds heeft geoordeeld dat het woord in hoofdletters „HALLOUMI” naar de bijzondere Cypriotische kaas verwees en dat deze term die waar beschreef [zie in die zin arrest van 13 juni 2012, Organismos Kypriakis Galaktokomikis Viomichanias/BHIM – Garmo (HELLIM), T‑534/10, Jurispr., EU:T:2012:292, punten 41 en 55].
23
Ter terechtzitting heeft verzoekster deze uitlegging van het arrest HELLIM, punt 22 supra (EU:T:2012:292), betwist door aan te voeren dat het Gerecht in punt 41 van dat arrest geen uitspraak had gedaan over het onderscheidend vermogen van het oudere merk HALLOUMI, maar louter was overgegaan tot een beoordeling van het in het Turks omgezette Griekse woord, en dat het enkel had vastgesteld dat de Turkse vertaling van de term „halloumi”„hellim” was en de consument wist dat deze twee termen verwezen naar dezelfde waar. Verzoekster heeft tevens betoogd dat het Gerecht in punt 52 van het arrest HELLIM, punt 22 supra (EU:T:2012:292), heeft erkend dat het oudere merk HALLOUMI onderscheidend vermogen had.
24
Deze argumenten zijn niet ter zake dienend. Het Gerecht wijst met name erop dat verzoekster niet in twijfel trekt dat de term in hoofdletters „HALLOUMI” de betrokken waren beschrijft, te weten dat het gaat om een bijzondere Cypriotische kaas, zoals het Gerecht heeft geoordeeld in punt 55 van het arrest HELLIM, punt 22 supra (EU:T:2012:292).
25
In herinnering dient te worden gebracht dat een teken dat de waren of diensten waarvoor inschrijving ervan als merk is aangevraagd, beschrijft in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, elk onderscheidend vermogen mist voor deze waren of diensten tenzij toepassing kan worden gemaakt van lid 3 van dat artikel [zie arresten van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, Jurispr., EU:C:2011:139, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 mei 2005, Naipes Heraclio Fournier/BHIM – France Cartes (Zwaard uit kaartspel), T‑160/02–T‑162/02, Jurispr., EU:T:2005:167, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26
Verzoekster heeft artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009 evenwel niet aangevoerd en evenmin aangetoond dat haar teken als gevolg van het gebruik dat ervan was gemaakt, voor de betrokken waren onderscheidend vermogen had verkregen in de zin van bovengenoemde bepaling.
27
Dat het Gerecht in het arrest HELLIM, punt 22 supra (EU:T:2012:292), na een betwisting inzake het gevaar voor verwarring van de merken HALLOUMI en HELLIM heeft erkend dat het oudere collectieve gemeenschapswoordmerk HALLOUMI een zwak onderscheidend vermogen had – zoals de rechtspraak van het Gerecht overigens vereist (zie arrest van 24 mei 2012, Formula One Licensing/BHIM, C‑196/11 P, Jurispr., EU:C:2012:314, punt 47) –, doet niet af aan de beoordeling in het vorige punt. In dat arrest wijst het Gerecht immers ten eerste op het ontbreken van een bijzonder onderscheidend vermogen van het merk HALLOUMI en op het beschrijvende karakter ervan (arrest HELLIM, punt 22 supra, EU:T:2012:292, punt 55). Aldus volstaat de vaststelling dat het collectieve gemeenschapswoordmerk HALLOUMI een zwak onderscheidend vermogen heeft, niet om het beschrijvende karakter van dit merk teniet te doen. Ten tweede blijkt uit het betrokken arrest niet dat het zwakke onderscheidend vermogen werd verkregen door gebruik, zoals vereist door artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009.
28
Gelet op het voorgaande dient te worden erkend dat de beschrijvende betekenis van het teken HALLOUMI, zoals vastgesteld door de kamer van beroep, vaststaat, minstens voor het Cypriotische publiek. Om dezelfde redenen geldt deze conclusie ook voor het teken XAΛΛOYMI.
29
Hieruit volgt dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de aangevraagde merken niet konden worden ingeschreven omdat de betekenis ervan de waren waarvoor de inschrijvingen zijn aangevraagd, minstens uit het oogpunt van het Cypriotische publiek beschrijft.
30
Verzoekster voert vijf grieven aan die erop zijn gericht, deze overwegingen ter discussie te stellen.
Eerste grief: verordening nr. 207/2009 sluit kwaliteitsmerken niet uit
31
Verzoekster stelt dat verordening nr. 207/2009 de inschrijving toestaat van kwaliteitsmerken die voldoen aan de criteria van gemeenschapsmerken. Zij verwijt de kamer van beroep, niet te hebben vermeld dat verordening nr. 207/2009 niet in de weg stond aan inschrijving, als gewone gemeenschapsmerken, van dergelijke kwaliteitsmerken die verenigbaar zijn met de algemene bepalingen van deze verordening.
32
Het BHIM stelt dat kwaliteitsmerken kunnen worden ingeschreven als individuele gemeenschapsmerken indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 207/2009.
33
Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat de kamer van beroep in punt 16 van de bestreden beslissingen heeft beklemtoond dat inschrijving van een merk niet kon worden geweigerd wegens het gebruik ervan als kwaliteitsmerk. Zij preciseert evenwel dat, aangezien verordening nr. 207/2009 niet voorziet in de inschrijving van kwaliteitsmerken, deze moeten worden aangevraagd als individuele merken en de inschrijving ervan enkel mogelijk is indien geen enkele van de absolute weigeringsgronden van artikel 7, lid 1, van deze verordening daaraan in de weg staat.
34
Aldus heeft de kamer van beroep uitdrukkelijk beklemtoond dat kwaliteitsmerken kunnen worden ingeschreven als gemeenschapsmerken op voorwaarde dat geen absolute weigeringsgrond in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 207/2009 bestaat die in de weg staat aan de inschrijving ervan. Verzoeksters argument, dat de kamer van beroep niet heeft vermeld dat verordening nr. 207/2009 niet in de weg stond aan de inschrijving van kwaliteitsmerken, faalt dus in elk geval.
35
Verder wijst het BHIM terecht erop dat verordening nr. 207/2009 niet voorziet in de bescherming van kwaliteitsmerken. Deze verordening ziet enkel op de bescherming van individuele of collectieve gemeenschapsmerken.
36
In casu heeft verzoekster twee aanvragen tot inschrijving van individuele merken ingediend, en aan de hand van de in verordening nr. 207/2009 vastgestelde criteria – waaronder die van artikel 7, lid 1, van deze verordening – werden deze aanvragen tot inschrijving van individuele merken onderzocht.
37
Bijgevolg moet de eerste grief worden afgewezen.
Tweede grief: toepassing van onjuiste criteria bij de beoordeling van het beschrijvende karakter van de aangevraagde merken
38
Verzoekster voert aan dat zij sinds 1992 houdster is van twee nationale kwaliteitsmerken, te weten de merken HALLOUMI en XAΛΛOYMI, en dat minstens sinds dat jaar de Cypriotische consument de betrokken tekens opvat als kwaliteitsmerken die de eerbiediging van een geheel van in een technische beschrijving vermelde precieze normen waarborgen.
39
Het BHIM repliceert dat de weigering van inschrijving van de aangevraagde merken is gebaseerd op het beschrijvende karakter van de individuele merken en niet op de criteria die verband houden met kwaliteitsmerken. Het BHIM wijst erop dat verzoekster zelf erkent dat de aangevraagde merken de soort en de herkomst van de waren beschrijven.
40
Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat verzoekster erkent dat de aangevraagde merken door de Cypriotische consument en alle consumenten binnen de Unie steeds zijn opgevat als een aanduiding van een bijzondere, uit Cyprus geëxporteerde kaassoort die op een bepaalde manier wordt gemaakt en waarvan de smaak, de textuur en de culinaire eigenschappen bijzonder zijn.
41
De kamer van beroep heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 14 van de bestreden beslissingen met klem erop te wijzen dat de tekens, minstens uit het oogpunt van het Cypriotische publiek, rechtstreeks de soort en de geografische herkomst van de kaas beschrijven.
42
Verder, zoals het BHIM stelt, is de weigering van inschrijving van de aangevraagde merken gebaseerd op het beschrijvende karakter van de individuele merken en niet op de criteria die verband houden met kwaliteitsmerken.
43
Hieruit volgt dat het feit dat verzoekster sinds 1992 houdster is van identieke kwaliteitsmerken, geen invloed heeft op het beschrijvende karakter van de betrokken tekens.
44
In deze context dient verzoeksters argument te worden onderzocht, dat in wezen erop neerkomt dat het bestaan van de kwaliteitsmerken sinds 1992 ertoe heeft geleid dat de perceptie van de betrokken tekens door de Cypriotische consument aldus is geëvolueerd dat het karakter van loutere beschrijving van de betrokken waren ruimschoots wordt overstegen. Deze consument vat de tekens voortaan op als een waarborg dat een geheel van in een technische beschrijving vermelde precieze normen is geëerbiedigd.
45
Dit argument kan niet slagen. De door verzoekster vermelde criteria, die verband houden met de geografische herkomst van de waar en met de aard en kenmerken ervan, zijn inherent aan kwaliteitsmerken. Zij kunnen niet dienen als bewijs dat de Cypriotische consument de betrokken tekens – waarvan inschrijving als individueel merk is aangevraagd – niet opvat als een beschrijving van de betrokken waren.
46
Ook al zou worden aangenomen dat bepaalde Cypriotische consumenten de betrokken tekens sinds meerdere jaren opvatten als kwaliteitsmerken die de eerbiediging van een geheel van precieze juridische vereisten waarborgen, deze perceptie doet dus niet af aan het beschrijvende karakter, in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, van de betrokken merken uit het oogpunt van deze consumenten noch, a fortiori, uit het oogpunt van de andere consumenten, die geen verband leggen met het kwaliteitsmerk.
47
Ten slotte betoogt verzoekster dat de benadering van de kamer van beroep erop neerkomt te oordelen dat inschrijving van alle kwaliteitsmerken, door de aard zelf ervan, moeten worden uitgesloten. Volgens verzoekster kan een merk enkel niet als gemeenschapsmerk worden ingeschreven indien het niets meer is dan banale informatie die rechtstreeks en uitsluitend de kenmerken van de waren en diensten aanduidt. Bij wijze van voorbeeld verwijst zij met name naar de uitdrukking „100 % rundvlees”.
48
Zoals het BHIM terecht stelt, kan de door verzoekster bepleite benadering niet worden gevolgd, op grond dat deze beantwoordt aan een restrictieve definitie van het begrip beschrijvend karakter in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009.
49
Opgemerkt dient te worden dat de criteria waarop verzoekster steunt voor haar stelling dat de betrokken tekens, anders dan de uitdrukking „100 % rundvlees”, meer zijn dan banale informatie die rechtstreeks en uitsluitend de kenmerken van de waren of diensten aanduidt, de criteria van het kwaliteitsmerk zijn, die juist beschrijvend zijn daar zij verband houden met de geografische herkomst van de waar en de aard en kenmerken ervan.
50
Bijgevolg moet de tweede grief worden afgewezen.
Derde grief: geen openbaar belang tot vrijhouding van de aangevraagde merken
51
Verzoekster stelt dat er geen openbaar belang bestaat dat rechtvaardigt dat de aangevraagde merken beschikbaar worden gehouden voor gebruik door derden. Zij herinnert eraan dat de in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 207/2009 opgesomde weigeringsgronden moeten worden uitgelegd in het licht van het algemeen belang dat aan elk van die gronden ten grondslag ligt. In dit verband beroept zij zich op het arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee (C‑108/97 en C‑109/97, Jurispr., EU:C:1999:230, punten 29 en 30), waarin volgens haar duidelijk wordt gesteld dat het openbaar belang de hoeksteen van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 is. Aldus is zij van mening dat de kamer van beroep zich had moeten afvragen of redelijkerwijs kon worden verondersteld dat derden het merk in de toekomst zouden willen gebruiken. Zij merkt op dat misleiding van het publiek de enige reden is waarom handelaars de aangevraagde merken zouden willen gebruiken zonder de door de kwaliteitsmerken opgelegde normen te eerbiedigen. Er bestaat dus geen openbaar belang dat handelaars in staat zouden worden gesteld hun waren foutief te beschrijven. Daarentegen bestaat er een zeer groot openbaar belang bij bescherming van kwaliteitsmerken. Zij voegt daaraan toe dat de inschrijving van kwaliteitsmerken niet zal leiden tot misbruiken, en evenmin de inschrijving van beschrijvende merken gemakkelijker zal maken, daar deze noch het „cachet” noch de reputatie van kwaliteitsmerken hebben.
52
Het BHIM betwist deze argumenten.
53
Het begrip algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 vereist dat tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, door eenieder vrij kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet dat die tekens of aanduidingen op grond van de inschrijving ervan als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden (arresten van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, Jurispr., EU:C:2003:579, punt 31, en 12 januari 2006, Deutsche SiSi-Werke/BHIM, C‑173/04 P, Jurispr., EU:C:2006:20, punt 62) en dat een onderneming het gebruik van een beschrijvende term monopoliseert, ten nadele van andere ondernemingen, met inbegrip van haar concurrenten, die zo over een beperktere woordenschat zouden beschikken om hun eigen waren te beschrijven [arresten van 6 maart 2007, Golf USA/BHIM (GOLF USA), T‑230/05, EU:T:2007:76, punt 32, en 30 april 2013, ABC-One/BHIM (SLIM BELLY), T‑61/12, EU:T:2013:226, punt 18].
54
In deze context voert verzoekster om te beginnen aan dat de kamer van beroep zich diende af te vragen of er een openbaar belang bestond om de aangevraagde merken beschikbaar te houden voor gebruik door derden, hetgeen zij niet heeft gedaan. Verder stelt verzoekster dat in casu het antwoord op die vraag luidt dat er geen openbaar belang bestaat om de aangevraagde merken beschikbaar te houden. Dergelijke argumenten kunnen niet slagen.
55
Uit de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt immers dat het algemeen of openbaar belang om beschrijvende merken beschikbaar te houden voor gebruik door derden, vooraf vaststaat en wordt vermoed. Hieruit volgt dat, wanneer het aangevraagde merk beschrijvend is, de kamer van beroep enkel dat beschrijvende karakter hoeft vast te stellen, zonder dat zij moet onderzoeken of, niettegenstaande dit beschrijvende karakter, er de facto sprake is van een openbaar belang om het aangevraagde merk beschikbaar te houden voor gebruik door derden. Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 hoeft dus uitsluitend te worden onderzocht, op basis van een bepaalde betekenis van het betrokken woordteken, of er voor het relevante publiek een voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen het teken en de kenmerken van de categorieën van waren of diensten waarvoor de inschrijving is gevraagd [arresten van 3 december 2003, Audi/BHIM (TDI), T‑16/02, Jurispr., EU:T:2003:327, punt 29, en 23 oktober 2007, BORCO-Marken-Import Matthiesen/BHIM (Caipi), T‑405/04, EU:T:2007:315, punt 44]. In deze context dient tevens in herinnering te worden gebracht dat de toepassing van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 niet afhangt van het bestaan van een concrete, actuele en ernstige vrijhoudingsbehoefte [zie in die zin arresten van 27 februari 2002, Streamserve/BHIM (STREAMSERVE), T‑106/00, Jurispr., EU:T:2002:43, punt 39; 9 februari 2010, PromoCell bioscience alive/BHIM (SupplementPack), T‑113/09, EU:T:2010:34, punt 27, en 8 juli 2010, Trautwein/BHIM (Afbeelding van een paard), T‑386/08, EU:T:2010:296, punt 45].
56
Zoals opgemerkt in de punten 18 tot en met 29 hierboven, is in casu het bestaan van een rechtstreeks en concreet verband tussen de aangevraagde merken en de kenmerken van de waren waarvoor de inschrijvingen zijn aangevraagd, voldoende aangetoond in de bestreden beslissingen.
57
Verder voert verzoekster vergeefs aan dat de erkenning van een openbaar belang dat de vrijhouding van de aangevraagde merken rechtvaardigt, erop neerkomt dat handelaars deze mogen gebruiken zonder de door de kwaliteitsmerken opgelegde normen te eerbiedigen en dat zij het publiek mogen misleiden.
58
Zoals het BHIM terecht opmerkt, zijn overwegingen inzake het toekomstige gebruik van de aangevraagde merken of de mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende risico’s, immers niet relevant voor de beoordeling van het beschrijvende karakter van die merken.
59
Ten slotte heeft het feit dat onderzoeksinstituten voor Europees recht hebben gepleit voor bescherming van kwaliteitsmerken, geen invloed op de oplossing van het geding. Volgens de rechtspraak moet de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep immers alleen op basis van verordening nr. 207/2009, zoals uitgelegd door de Unierechter, worden beoordeeld (arresten van 15 september 2005, BioID/BHIM, C‑37/03 P, Jurispr., EU:C:2005:547, punt 47; Deutsche SiSi-Werke/BHIM, punt 53 supra, EU:C:2006:20, punt 48, en PAPERLAB, punt 14 supra, EU:T:2005:247, punt 39). De bestaande regelgeving inzake het gemeenschapsmerk voorziet juist niet in de mogelijkheid om kwaliteitsmerken in te schrijven.
60
Gelet op het voorgaande moet de derde grief worden afgewezen.
Vierde grief: inschrijving van kwaliteitsmerken als gemeenschapsmerken
61
Verzoekster is van mening dat de kamer van beroep niet coherent is geweest door de inschrijving van kwaliteitsmerken zoals FREEDOM FOOD, ENERGY STAR, FAIRTRADE of UNDERWRITERS LABORATORIES als gewone gemeenschapsmerken te aanvaarden. Zij verwijt de kamer van beroep in wezen dat zij niet heeft uitgelegd waarom de weigeringsgrond die niet werd aangevoerd tegen deze merken, werd opgeworpen tegen de aangevraagde merken.
62
Het BHIM weerlegt deze argumenten.
63
Wat de eerdere beslissingen van het BHIM betreft, hoeft enkel eraan te worden herinnerd dat feitelijke of juridische overwegingen uit een vroegere beslissing van het BHIM weliswaar kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van een middel inzake schending van een bepaling van verordening nr. 207/2009, maar de beslissingen die de kamers van beroep krachtens deze verordening ter zake van de inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk dienen te nemen, op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten. De rechtmatigheid van die beslissingen dient derhalve alleen op basis van deze verordening, zoals uitgelegd door de Unierechter, te worden beoordeeld en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk van de kamers van beroep (arresten BioID/BHIM, punt 59 supra, EU:C:2005:547, punt 47; Deutsche SiSi-Werke/BHIM, punt 53 supra, EU:C:2006:20, punt 48, en PAPERLAB, punt 14 supra, EU:T:2005:247, punt 39). Uiteraard staat niets eraan in de weg dat de Unierechter instemt met een argument dat is ontwikkeld in de beslissingspraktijk van het BHIM en dit herneemt.
64
Er doen zich immers twee mogelijkheden voor. Indien de kamer van beroep in een eerdere zaak de inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk heeft aanvaard en daarbij de relevante bepalingen van verordening nr. 207/2009 juist heeft toegepast, maar in een latere zaak die vergelijkbaar is met de eerste, een tegenovergestelde beslissing heeft genomen, zal de Unierechter laatstgenoemde beslissing vernietigen wegens schending van de relevante bepalingen van verordening nr. 207/2009. In dit geval treft het middel inzake schending van het non-discriminatiebeginsel dus geen doel (arrest STREAMSERVE, punt 55 supra, EU:T:2002:43, punt 67).
65
Indien de kamer van beroep in een eerdere zaak de inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk echter op grond van een onjuiste rechtsopvatting heeft aanvaard en in een latere zaak die vergelijkbaar is met de eerste een tegenovergestelde beslissing heeft genomen, kan op eerstgenoemde beslissing niet met succes een beroep worden gedaan ter ondersteuning van een vordering tot vernietiging van laatstgenoemde beslissing. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat slechts een beroep kan worden gedaan op het beginsel van gelijke behandeling wanneer het legaliteitsbeginsel is geëerbiedigd (arresten van 13 juli 1972, Besnard e.a./Commissie, 55/71–76/71, 86/71, 87/71 en 95/71, Jurispr., EU:C:1972:66, punt 39, en 28 september 1993, Magdalena Fernández/Commissie, T‑90/92, Jurispr., EU:T:1993:78, punt 38), en dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (arrest van 9 oktober 1984, Witte/Parlement, 188/83, Jurispr., EU:C:1984:309, punt 15). Ook in dit tweede geval faalt dus het middel betreffende schending van het non-discriminatiebeginsel (arrest STREAMSERVE, punt 55 supra, EU:T:2002:43, punt 67).
66
Zoals blijkt uit de analyse van het onderhavige middel inzake schending van artikel 7, lid 1, onder c), en in het bijzonder uit de punten 13 tot en met 29 hierboven, heeft de kamer van beroep op goede gronden geoordeeld dat de aangevraagde merken niet konden worden ingeschreven omdat zij de betrokken waren beschrijven.
67
De vierde grief moet derhalve worden afgewezen.
Vijfde grief: ondermijning van de bescherming van nationale merken
68
Volgens verzoekster zullen de bestreden beslissingen leiden tot een verzwakking van de bescherming van nationale merken. In dit verband wijst zij met klem erop dat nationale merken, kwaliteitsmerken daaronder begrepen, kunnen worden aangevoerd in het kader van een procedure betreffende gemeenschapsmerken. De bestreden beslissingen leiden ertoe dat deze merken geen enkel onderscheidend vermogen wordt toegekend, en dus geen enkele bescherming krachtens artikel 8, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 207/2009. In deze context verwijst zij naar het arrest Formula One Licensing/BHIM, punt 27 supra (EU:C:2012:314, punten 42‑47), waarin het Hof heeft geoordeeld dat, teneinde artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 niet te schenden, een zekere mate van onderscheidend vermogen moet worden toegekend aan een nationaal merk waarop een oppositie tegen de inschrijving van een gemeenschapsmerk is gebaseerd.
69
Zoals het BHIM opmerkt, dient te worden geoordeeld dat verzoeksters betoog helemaal niet ter zake dienend is. De redenering van de kamer van beroep is immers onderdeel van een procedure van onderzoek van de absolute weigeringsgronden in de zin van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009, en niet van een procedure inter partes.
70
Dat de kamer van beroep de inschrijving van de aangevraagde merken als gemeenschapsmerken heeft geweigerd wegens het bestaan van een absolute weigeringsgrond, impliceert daarom nog niet dat deze instantie van het BHIM geen enkel onderscheidend vermogen zou toekennen aan dezelfde tekens indien zij vroeger als nationale merken zouden zijn ingeschreven en in het kader van een oppositieprocedure aangevoerd. Dienaangaande ziet het arrest Formula One Licensing/BHIM, punt 27 supra (EU:C:2012:314), op een procedure inter partes en het is dus in casu helemaal niet ter zake dienend.
71
Zoals het BHIM beklemtoont, toont verzoekster niet aan dat de kamer van beroep in het kader van de procedure tot vaststelling van een absolute weigeringsgrond beoordelingscriteria heeft gehanteerd die de bescherming van nationale kwaliteitsmerken kunnen ondermijnen.
72
Bijgevolg moet de vijfde grief worden afgewezen.
73
Gelet op een en ander is verzoeksters betoog inzake schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 ongegrond.
74
Wat de schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 betreft, zij eraan herinnerd dat, zoals uit artikel 7, lid 1, van verordening nr. 207/2009 blijkt, het bestaan van een van de absolute weigeringsgronden voldoende is om het litigieuze teken niet als gemeenschapsmerk te kunnen inschrijven (zie arrest WEISSE SEITEN, punt 16 supra, EU:T:2006:87, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Aangezien het onderzoek van verzoeksters betoog inzake schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 aan het licht heeft gebracht dat de kamer van beroep terecht had geoordeeld dat de aangevraagde merken de betrokken waren beschreven en deze grond op zich volstond om de weigering van inschrijving van de aangevraagde merken te rechtvaardigen, is derhalve in elk geval geen onderzoek vereist met betrekking tot de schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, waarvoor verzoekster bovendien geen enkel specifiek argument ontwikkelt.
76
Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep worden verworpen.
Kosten
77
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het BHIM te worden verwezen in de kosten van deze laatste.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
De Republiek Cyprus zal haar eigen kosten dragen, alsook die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM).
Prek
Labucka
Kreuschitz
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 oktober 2015.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy