ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
28 januari 2016 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne — Bevriezing van tegoeden — Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren — Opname van verzoekers naam op die lijst — Bewijs van de gegrondheid van de opname op de lijst”
In zaak T‑341/14,
Sergiy Klyuyev, wonende te Donetsk (Oekraïne), vertegenwoordigd door R. Gherson, T. Garner, solicitors, en B. Kennelly, barrister,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Á. de Elera-San Miguel Hurtado en J.‑P. Hix als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Gauci en T. Scharf als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26), verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 1), besluit (GBVB) 2015/876 van de Raad van 5 juni 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB L 142, blz. 30), en uitvoeringverordening (EU) 2015/869 van de Raad van 5 juni 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB L 142, blz. 1), voor zover verzoekers naam is opgenomen op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, O. Czúcz en A. Popescu, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 september 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoeker, Sergiy Klyuyev, is de broer van Andrii Klyuyev, voormalig kabinetschef van de president van Oekraïne.
2
Op 5 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 26) vastgesteld.
3
Artikel 1, leden 1 en 2, van besluit 2014/119 luidt:
„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.
2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”
4
In de volgende leden van dat artikel is bepaald hoe die beperkende maatregelen moeten worden toegepast.
5
Ook op 5 maart 2014 heeft de Raad op grond van artikel 215, lid 2, VWEU verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB L 66, blz. 1) vastgesteld.
6
Overeenkomstig besluit 2014/119 legt verordening nr. 208/2014 de vaststelling van de aan de orde zijnde maatregelen op en stelt zij voor die beperkende maatregelen uitvoeringsbepalingen vast die in wezen overeenkomen met die van dat besluit.
7
De namen van de personen op wie besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 van toepassing zijn, zijn vermeld op de lijst in de bijlage bij dat besluit en in bijlage I bij die verordening (hierna: „lijst”) met onder meer de redenen voor hun opname op die lijst.
8
Verzoekers naam was op de lijst opgenomen met als nadere gegevens „zakenman, broer van Andrii Kliuiev” en als motivering: „Persoon tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.”
9
Op 6 maart 2014 heeft de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving gepubliceerd aan de personen op wie de beperkende maatregelen van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Oekraïne van toepassing zijn (PB C 66, blz. 1). Volgens die kennisgeving „[kunnen] [d]e betrokken personen [...], onder overlegging van bewijsstukken, [...] een verzoek bij de Raad indienen tot heroverweging van het besluit om hen op de [...] lijst te plaatsen”. In de kennisgeving worden de betrokken personen er tevens op geattendeerd „dat zij tegen het besluit van de Raad beroep kunnen instellen bij het Gerecht [...], overeenkomstig de voorwaarden die neergelegd zijn in artikel 275, tweede alinea, en in artikel 263, vierde en zesde alinea, [VWEU]”.
10
Besluit 2014/119 is gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 (PB L 24, blz. 16), dat op 31 januari 2015 in werking is getreden. Wat de criteria betreft voor de aanwijzing van de personen op wie de aan de orde zijnde beperkende maatregelen van toepassing zijn, volgt uit artikel 1 van laatstgenoemd besluit dat artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119 wordt vervangen door:
„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren.
Voor de toepassing van dit besluit worden onder meer beschouwd als personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen alle personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld wegens:
a)
het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan, of
b)
machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan.”
11
Verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 tot wijziging van verordening nr. 208/2014 (PB L 24, blz. 1) heeft die verordening gewijzigd overeenkomstig besluit 2015/143.
12
Besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 zijn laatstelijk gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB L 62, blz. 25) en bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB L 62, blz. 1). Besluit 2015/364 heeft artikel 5 van besluit 2014/119 gewijzigd door de beperkende maatregelen te verlengen, wat verzoeker betreft, tot en met 6 juni 2015. Uitvoeringsverordening 2015/357 heeft dientengevolge bijlage I bij verordening nr. 208/2014 vervangen.
13
Bij besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357 is verzoekers naam gehandhaafd op de lijst, met als nadere gegevens „broer van Andrii Kliuiev, zakenman” en als nieuwe motivering:
14
Op 5 juni 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/876 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB L 142, blz. 30) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/869 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB L 142, blz. 1) vastgesteld. Besluit 2015/876 heeft artikel 5 van besluit 2014/119 vervangen door de beperkende maatregelen te verlengen, wat verzoeker betreft, tot en met 6 oktober 2015 en heeft voorts de bijlage bij laatstgenoemd besluit gewijzigd. Uitvoeringsverordening 2015/869 heeft dientengevolge bijlage I bij verordening nr. 208/2014 gewijzigd.
15
Bij besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 is verzoekers naam gehandhaafd op de lijst, met als vermelding „broer van Andrii Kliuiev, zakenman” en als nieuwe motivering:
Procedure en conclusies van partijen
16
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 2014, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
17
Op 12 augustus 2014 en op 18 december 2014 heeft de Raad in overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de Instructies voor de griffier van het Gerecht ingediende met redenen omklede verzoeken erom verzocht dat de inhoud van bepaalde bijlagen bij het verweerschrift en bij de dupliek wordt weggelaten in de documenten betreffende die zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.
18
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2014, heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 6 november 2014 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 december 2014, heeft de Commissie ervan afgezien een memorie in interventie in te dienen.
19
In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht op 14 augustus 2015 partijen uitgenodigd om opmerkingen in te dienen over de vraag of verzoeker nog steeds een procesbelang had nadat de motivering van de plaatsing van diens naam op de lijst was gewijzigd en de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoeker bij besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357 tot en met 6 juni 2015 waren verlengd, en zo ja, met betrekking tot welke middelen hij nog steeds een dergelijk belang had. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dat verzoek voldaan. Partijen hebben tevens binnen de gestelde termijn hun opmerkingen bij de antwoorden op de vragen ingediend.
20
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 augustus 2015, heeft verzoeker zijn conclusies aangepast en tevens verzocht om de nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869. Op 14 september 2015 heeft de Raad in een overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering ingediend met redenen omkleed verzoek erom verzocht dat de inhoud van bepaalde bijlagen bij de opmerkingen over de memorie tot aanpassing van de conclusies wordt weggelaten in de documenten betreffende die zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.
21
Partijen zijn ter terechtzitting van 24 september 2015 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
22
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
—
besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 nietig te verklaren, voor zover zij op hem betrekking hebben;
—
besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 nietig te verklaren, voor zover zij op hem betrekking hebben;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
23
De Raad, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Gerecht:
—
het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
—
de memorie tot aanpassing van de conclusies niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
—
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Vordering tot nietigverklaring van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, voor zover zij op verzoeker betrekking hebben
Voortbestaan van het procesbelang van verzoeker
24
Zoals in de punten 12 en 13 hierboven is uiteengezet, hebben besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357 de motivering van de opname van verzoekers naam op de lijst gewijzigd en de toepassing van de beperkende maatregelen verlengd, wat verzoeker betreft, tot en met 6 juni 2015. Vervolgens hebben besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 de motivering van die opname op de lijst gewijzigd en de toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoeker verlengd tot en met 6 oktober 2015.
25
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357, die dus ten aanzien van hem definitief zijn geworden. Hij heeft in de onderhavige zaak echter wel zijn conclusies in die zin aangepast dat deze tevens strekken tot nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869.
26
De Raad, ondersteund door de Commissie, voert aan dat verzoeker, door geen beroep in te stellen tegen besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357, die in de plaats zijn gekomen van de beperkende maatregelen die waren opgelegd bij besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, impliciet heeft aanvaard dat die maatregelen op hem van toepassing waren en bijgevolg geen procesbelang meer heeft. Daarenboven kan de door verzoeker voorgestelde aanpassing van de conclusies in die zin dat deze tevens strekken tot nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 niet worden aangevoerd ter ondersteuning van het voortbestaan van zijn procesbelang, aangezien die aanpassing niet ter zake dienend en niet-ontvankelijk is.
27
Volgens vaste rechtspraak moet het voorwerp van het geding, evenals het procesbelang van een verzoekende partij, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 juni 2013, Ayadi/Commissie,C‑183/12 P, EU:C:2013:369, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
Voorts volgt uit de rechtspraak dat de erkenning van de onrechtmatigheid van de aangevochten handeling weliswaar als zodanig niet de materiële schade of een inbreuk op het privéleven kan goedmaken, maar wel de eer en goede naam van de betrokken persoon kan herstellen of een vorm van vergoeding kan zijn voor de immateriële schade die hij vanwege die onrechtmatigheid heeft geleden, en aldus het voortbestaan van zijn procesbelang kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, Jurispr., EU:C:2013:331, punten 70‑72).
29
In de onderhavige zaak voert verzoeker in zijn opmerkingen bij de antwoorden van de Raad en de Commissie op de schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 19 hierboven) aan dat hij, ook al zijn de beperkende maatregelen ten aanzien van hem door nieuwe maatregelen vervangen, zijn recht behoudt om eventueel een aansprakelijkheidsberoep in te stellen wat betreft de periode tijdens welke de onrechtmatige maatregel van kracht was en hij voorts zijn belang behoudt om tot op zekere hoogte herstel van zijn reputatie te verkrijgen.
30
Wat meer in het bijzonder het feit betreft dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357, voert hij aan dat het, aangezien die twee handelingen de hem betreffende beperkende maatregelen slechts voor drie maanden, te weten tot 6 juni 2015, hadden verlengd, onwaarschijnlijk was dat een zaak kon worden beslecht voordat de maatregelen opnieuw werden gewijzigd. Hij voegt daaraan toe dat hij niettemin zijn conclusies heeft aangepast met het oog op de nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, die vervolgens de hem betreffende beperkende maatregelen hebben verlengd, en dat hij dus een procesbelang behoudt in de onderhavige zaak.
31
Verzoeker behoudt een procesbelang omdat de erkenning van de onrechtmatigheid van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 een grond kan opleveren om later een vordering in te stellen tot vergoeding van de materiële en morele schade die door die handelingen is veroorzaakt tijdens hun geldingsduur, te weten van 6 maart 2014 tot en met 6 maart 2015 (zie in die zin en naar analogie arrest Abdulrahim/Raad en Commissie, punt 28 hierboven, EU:C:2013:331, punt 82).
32
In dat verband moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 niet langer van kracht zijn omdat zij gewijzigd zijn – wat verzoeker betreft bij besluit 2015/364 en bij uitvoeringsverordening 2015/357 –, niet kan worden gelijkgesteld met de eventuele nietigverklaring door het Gerecht van de aanvankelijk vastgestelde handelingen, aangezien die wijziging geen erkenning inhoudt van de onrechtmatigheid van de betrokken handelingen (zie in die zin en naar analogie arrest van 11 juni 2014, Syria International Islamic Bank/Raad,T‑293/12, EU:T:2014:439, punten 36‑41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
De slotsom dient dus te luiden dat verzoeker een procesbelang behoudt, ook al zijn de hem betreffende beperkende maatregelen gewijzigd en heeft hij geen beroep ingesteld tegen besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357.
Gegrondheid van de vordering tot nietigverklaring van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014
34
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag. Het tweede middel betreft de niet-nakoming van de criteria voor plaatsing op de lijst. Het derde middel is ontleend aan schending van de rechten van verdediging en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Het vierde middel betreft een ontoereikende motivering. Het vijfde middel is ontleend aan schending van het eigendomsrecht en het recht op goede naam. Het zesde middel betreft een feitelijke onjuistheid en een kennelijk onjuiste beoordeling en het zevende middel is ontleend aan een onjuiste beoordeling van de bewijselementen.
35
Met het tweede, het zesde en het zevende middel, die samen moeten worden behandeld, voert verzoeker in wezen aan dat de maatregel jegens hem is vastgesteld zonder dat daarvoor een voldoende solide feitelijke grondslag bestond. Meer in het bijzonder voert hij aan dat niet vaststaat dat hij verantwoordelijk is voor het verduisteren van overheidsmiddelen of voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, of dat hij banden had met een persoon die als zodanig was geïdentificeerd of dat er tegen hem een onderzoek liep.
36
De Raad voert aan dat de brief die de waarnemende procureur-generaal van Oekraïne op 3 maart 2014 aan de Hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft gezonden (hierna: „brief van 3 maart 2014”), voldoende feitelijke gegevens bevatte om de vaststelling van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 ten aanzien van verzoeker te rechtvaardigen, en dat bewijzen die dateren van na de vaststelling van die handelingen bevestigen dat in Oekraïne in het kader van strafvervolging wegens verduistering van overheidsmiddelen tegen hem een vooronderzoek was ingeleid, zodat ervan kan worden uitgegaan dat aan het algemene criterium voor plaatsing op een lijst is voldaan, los van de uitkomst van dat vooronderzoek.
37
De Raad benadrukt voorts dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de in Oekraïne lopende strafprocedures, waarbij verzoeker zich zal kunnen verdedigen volgens de Oekraïense strafvorderingsbepalingen, en de tijdelijke en omkeerbare maatregelen tot bevriezing van zijn tegoeden op het vlak van de Europese Unie, die de Raad kan vaststellen zonder bewijzen aan te brengen van de strafbare feiten op grond waarvan tegen verzoeker een onderzoek is ingesteld.
38
In herinnering moet worden gebracht dat, hoewel de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wat de algemene criteria betreft die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van beperkende maatregelen, de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vereist dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een bepaalde persoon op een lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor die persoon, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, voldoende nauwkeurig en concreet zijn gestaafd (zie arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad,C‑605/13 P, Jurispr., EU:C:2015:248, punten 41 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In de onderhavige zaak worden volgens het in artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119 gestelde criterium beperkende maatregelen vastgesteld ten aanzien van de personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van overheidsmiddelen. Voorts volgt uit overweging 2 van dat besluit dat de Raad die maatregelen heeft vastgesteld „met het oog op het versterken en het ondersteunen van de rechtsstaat [...] in Oekraïne”.
40
Verzoekers naam is op de lijst geplaatst omdat hij een „[p]ersoon [was] tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne”. Daaruit volgt dat de Raad van mening is dat tegen verzoeker wegens zijn gestelde betrokkenheid bij verduistering van overheidsmiddelen ten minste een onderzoek of vooronderzoek liep, dat niet (of nog niet) tot een formele inbeschuldigingstelling had geleid.
41
Ter onderbouwing van de reden voor de plaatsing van verzoeker op de lijst, beroept de Raad zich op de brief van 3 maart 2014 en op andere bewijzen die dateren van na besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014.
42
In het eerste deel van de brief van 3 maart 2014 staat dat de „Oekraïense wetshandhavingsdiensten” een aantal strafprocedures hebben ingeleid om misdrijven te onderzoeken die zijn begaan door voormalige hooggeplaatste ambtenaren, die onmiddellijk daarna met naam worden genoemd. Tegen de achtergrond van die strafprocedures is op basis van het onderzoek inzake voornoemde misdrijven komen vast te staan dat aanzienlijke bedragen overheidsmiddelen zijn verduisterd en die middelen nadien op illegale wijze buiten Oekraïne zijn overgebracht.
43
In het tweede deel van de brief van 3 maart 2014 wordt daaraan toegevoegd dat „in dat onderzoek wordt nagegaan of andere hoge ambtenaren die de voormalige autoriteiten vertegenwoordigden bij dat soort misdrijven waren betrokken” en dat dat zij spoedig van het instellen van dat onderzoek in kennis zullen worden gesteld. Ook de namen van die andere hoge ambtenaren, waaronder verzoekers naam, zijn onmiddellijk daarna genoemd.
44
Blijkens het dossier in de zaak is de brief van 3 maart 2014 van alle bewijzen die de Raad in de loop van de onderhavige procedure heeft overgelegd, het enige dat dateert van vóór besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014. Alleen dat bewijs mag dus in aanmerking worden genomen om te beoordelen of die handelingen rechtmatig zijn.
45
Bijgevolg moet worden nagegaan of de brief van 3 maart 2014 volstaat als bewijs voor de conclusie dat verzoeker „als verantwoordelijk geïdentificeerd [is] voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen” in de zin van artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119.
46
De brief van 3 maart 2014 is, zoals de Raad benadrukt, afkomstig van een hoge rechterlijke instantie van een derde land, namelijk de procureur-generaal van Oekraïne, doch hij bevat slechts een algemene en generieke verklaring die verzoekers naam, net als de naam van andere voormalige hoge ambtenaren, in verband brengt met een onderzoek dat in wezen tot doel heeft na te gaan of die personen betrokken waren bij verduistering van overheidsmiddelen. De brief bevat namelijk geen nadere details over de vaststelling van de feiten waarop het door de Oekraïense autoriteiten gevoerde onderzoek betrekking heeft en al helemaal niet over het aandeel dat verzoeker daarin zou hebben.
47
Het is juist dat, zoals de Raad aanvoert, de Unierechter in het kader van de vaststelling van beperkende maatregelen heeft geoordeeld dat de identificatie van een persoon als verantwoordelijke voor een strafbaar feit niet noodzakelijkerwijze vereist dat hij voor een dergelijk strafbaar feit is veroordeeld (arresten van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad,C‑220/14 P, Jurispr., EU:C:2015:147, punt 72, en 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad,T‑256/11, Jurispr., EU:T:2014:93, punten 57‑61).
48
In de context van de zaken die hebben geleid tot de in punt 47 hierboven aangehaalde rechtspraak, waren de verzoekers echter op zijn minst voorwerp geweest van een bevel van de procureur-generaal van het betrokken derde land tot inbeslagname van hun tegoeden, welk bevel was goedgekeurd door een strafrechtelijke instantie (arrest Ezz e.a./Raad, punt 47 hierboven, EU:T:2014:93, punt 132). De vaststelling van de beperkende maatregelen ten aanzien van de verzoekers in die zaken was bijgevolg gebaseerd op concrete feiten, waarvan de Raad kennis had genomen.
49
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de Raad niet over informatie beschikte betreffende de feiten of de gedragingen die specifiek aan verzoeker ten laste waren gelegd door de Oekraïense autoriteiten, en voorts dat de brief van 3 maart 2014 waarop de Raad zich beroept – zelfs al wordt hij in de desbetreffende context in aanmerking genomen – geen voldoende solide feitelijke grondslag in de zin van de in punt 38 hierboven aangehaalde rechtspraak kan vormen om verzoekers naam op de lijst te plaatsen op grond dat hij „als verantwoordelijke geïdentificeerd” was voor het verduisteren van overheidsmiddelen.
50
Ongeacht het stadium van de procedure die tegen verzoeker zou lopen, kon de Raad ten aanzien van hem geen beperkende maatregelen vaststellen zonder te weten welke feiten van verduistering van overheidsmiddelen hem specifiek door de Oekraïense autoriteiten ten laste waren gelegd. Het is immers maar met kennis van die feiten dat de Raad kon vaststellen dat zij konden worden gekwalificeerd als verduistering van overheidsmiddelen en voorts dat zij afbreuk konden doen aan de rechtsstaat in Oekraïne, waarvan het versterken en het ondersteunen de doelstelling is die door de aan de orde zijnde beperkende maatregelen wordt nagestreefd, zoals in punt 39 hierboven in herinnering is gebracht.
51
Het staat overigens aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, Jurispr., EU:C:2013:518, punten 120 en 121, en 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, Jurispr., EU:C:2013:775, punten 65 en 66).
52
Gelet op een en ander voldoet de plaatsing van verzoekers naam op de lijst niet aan de in besluit 2014/119 gestelde criteria voor de aanwijzing van de personen op wie de aan de orde zijnde beperkende maatregelen van toepassing zijn.
53
Aangezien het tweede, het zesde en het zevende middel gegrond zijn, moet het beroep worden toegewezen voor zover het strekt tot nietigverklaring van besluit 2014/119, voor zover het op verzoeker betrekking heeft, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan op de andere door verzoeker aangevoerde middelen.
54
Om diezelfde redenen moet verordening nr. 208/2014 nietig worden verklaard voor zover zij verzoeker betreft.
Vordering tot nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, voor zover zij verzoeker betreffen
55
In zijn memorie tot aanpassing van de conclusies vordert verzoeker tevens de nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, voor zover zij op hem betrekking hebben.
56
De Raad, ondersteund door de Commissie, voert om te beginnen aan dat de memorie tot aanpassing van de conclusies niet-ontvankelijk is. In de eerste plaats voert hij aan dat verzoeker de vordering tot nietigverklaring van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, voor zover zij op hem betrekking hadden, niet in die zin mocht aanpassen dat die vordering tevens strekte tot nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, omdat besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 reeds waren vervangen door besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357. Volgens de Raad waren besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 slechts een wijziging van besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357 en hadden zij geen betrekking op besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014.
57
In de tweede plaats voert de Raad aan dat de memorie tot aanpassing van de conclusies niet is gemotiveerd, terwijl dit volgens artikel 86, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering wel het geval had moeten zijn, gelet op de nieuwe feitelijke en juridische situatie die bestond ten tijde van de vaststelling van de nieuwe maatregelen, te weten de situatie die was ontstaan door de inwerkingtreding van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869.
58
De Raad betoogt voorts dat de memorie tot aanpassing van de conclusies hoe dan ook niet gegrond was.
59
In herinnering moet worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak, wanneer de aanvankelijk bestreden handeling in de loop van het geding wordt vervangen door een handeling met hetzelfde voorwerp, deze handeling als een nieuw gegeven moet worden beschouwd, zodat de verzoeker zijn conclusies en middelen mag aanpassen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad,T‑307/12 en T‑408/13, Jurispr., EU:T:2014:926, punt 47).
60
Voorts zij eraan herinnerd dat volgens artikel 86, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de memorie tot aanpassing van de vordering, zo nodig, met name de aangepaste middelen en argumenten bevat.
61
Dat is in casu niet het geval. In herinnering moet namelijk worden gebracht dat de bijlage bij besluit 2014/119 en bijlage I bij verordening nr. 208/2014 zijn „vervangen” bij respectievelijk besluit 2015/364 en uitvoeringsverordening 2015/357. Zoals in punt 13 hierboven is uiteengezet, is verzoekers naam na die wijziging gehandhaafd op de lijst, met een nieuwe motivering. Verzoeker is niet tegen die handelingen opgekomen in een afzonderlijk beroep of in het kader van een memorie tot aanpassing van de conclusies.
62
De betrokken bijlagen zijn vervolgens „gewijzigd” bij besluit 2015/876 en bij uitvoeringsverordening 2015/869. Zoals in punt 15 hierboven is uiteengezet, is verzoekers naam na die wijziging gehandhaafd op de lijst, met een nieuwe motivering. De memorie tot aanpassing van de conclusies heeft betrekking op die handelingen.
63
De plaatsing van verzoekers naam op de lijst is als hierna volgt gemotiveerd.
64
Om te beginnen is verzoekers naam opgenomen op de lijst die is opgenomen in besluit 2014/119 en in verordening nr. 208/2014 op grond dat hij een „[p]ersoon [was] tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne”.
65
Vervolgens is verzoekers naam gehandhaafd op de lijst die is opgenomen in besluit 2015/364 en in uitvoeringsverordening 2015/357 omdat hij een „[p]ersoon [was] naar wie een onderzoek is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten wegens betrokkenheid bij het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva en bij machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of overheidsactiva” en een „[p]ersoon die banden heeft met een aangewezen persoon (Andrii Petrovych Kliuiev) tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva”.
66
Ten slotte is verzoekers naam gehandhaafd op de lijst die is opgenomen in besluit 2015/876 en in uitvoeringsverordening 2015/869 op grond dat hij een „[p]ersoon [was] naar wie een onderzoek is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten wegens betrokkenheid bij het verduisteren van overheidsmiddelen” en een „[p]ersoon die banden heeft met een aangewezen persoon (Andrii Petrovych Kliuiev) tegen wie strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva”.
67
De motivering van de opname van verzoekers naam op de lijst in besluit 2015/876 en in uitvoeringsverordening 2015/869, waarop de memorie tot aanpassing van de conclusies betrekking heeft, verschilt dus wezenlijk van de motivering van die opname in besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, waarop het verzoekschrift betrekking heeft.
68
Terwijl de in besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014 vermelde motivering van de opname van verzoekers naam op de lijst een eenvoudige verwijzing bevatte naar een onderzoek in Oekraïne wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne, verstrekt de in besluit 2015/876 en in verordening 2015/869 vermelde motivering van de opname van verzoekers naam op de lijst namelijk meer uitleg over de redenen op grond waarvan ten aanzien van verzoeker beperkende maatregelen zijn vastgesteld, met name door te vermelden dat hij banden heeft met een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, te weten zijn broer, Andrii Klyuyev, tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva.
69
In dat verband moet worden opgemerkt dat verzoeker in het verzoekschrift in wezen aanvoert dat de opname van zijn naam op de lijst niet is gemotiveerd en niet op bewijzen steunt en dat hij geen specifieke informatie heeft ontvangen in verband met het onderzoek dat tegen hem zou lopen.
70
Hoewel de in punt 69 hierboven uiteengezette argumenten gegrond zijn wat het bewijs van de opname van verzoekers naam op de lijst betreft, zoals uit de punten 35 tot en met 53 hierboven volgt, moet echter worden vastgesteld dat de in besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869 vermelde reden voor opname van verzoekers naam op de lijst steunt op andere door de Raad in de loop van de onderhavige procedure verstrekte bewijzen. Hoewel die bewijzen, die dateren van na besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, niet relevant zijn om te beoordelen of voornoemde aanvankelijke opname op een lijst rechtmatig is, moeten zij niettemin in aanmerking worden genomen om te beoordelen of de handhaving van verzoekers naam op de lijst bij de latere handelingen rechtmatig is.
71
Door enkel te verklaren dat zijn aanvankelijke vordering, die strekte tot nietigverklaring van besluit 2014/119 en verordening nr. 208/2014, voor zover zij op hem betrekking hadden, ook betrekking had op besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, voor zover zij op hem betrekking hadden, zonder nadere uitleg te verstrekken, heeft verzoeker dus geen gegevens aangevoerd waarmee de gegrondheid van die handelingen wordt betwist en op grond waarvan het Gerecht de rechtmatigheid ervan kan beoordelen.
72
De slotsom dient dus te luiden dat de memorie tot aanpassing van de conclusies niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 86, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.
73
De vordering tot nietigverklaring van besluit 2015/876 en uitvoeringsverordening 2015/869, voor zover zij op verzoeker betrekking hebben, moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
Werking in de tijd van de gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2014/119
74
Volgens de Raad moeten, in het geval dat het Gerecht besluit 2014/119 nietig verklaart voor zover het verzoeker betreft, de gevolgen van dat besluit ten aanzien van verzoeker overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU in stand worden gehouden totdat de gedeeltelijke nietigverklaring van verordening nr. 208/2014 effect sorteert, teneinde de rechtszekerheid alsook de coherentie en de eenheid van de rechtsorde te waarborgen.
75
Verzoeker betwist dit betoog.
76
In herinnering moet worden gebracht dat besluit 2014/119 is gewijzigd bij besluit 2015/364, dat de lijst heeft vervangen met ingang van 7 maart 2015 en de toepassing van de beperkende maatregelen heeft verlengd, wat verzoeker betreft, tot en met 6 juni 2015. Na die wijzigingen is verzoekers naam gehandhaafd op de lijst met een nieuwe reden voor plaatsing op de lijst (zie punten 12 en 13 hierboven).
77
Besluit 2014/119 is later gewijzigd bij besluit 2015/876, dat de toepassing van de beperkende maatregelen, wat verzoeker betreft, heeft verlengd tot en met 6 oktober 2015 en de lijst heeft gewijzigd met ingang van 7 juni 2015. Na die wijzigingen is verzoekers naam opgenomen op de lijst met een nieuwe reden voor plaatsing op die lijst (zie punten 14 en 15 hierboven).
78
Bijgevolg is op verzoeker thans een nieuwe beperkende maatregel van toepassing. Daaruit volgt dat de nietigverklaring van besluit 2014/119, voor zover het op verzoeker betrekking heeft, niet tot gevolg heeft dat zijn naam van de lijst verdwijnt.
79
Derhalve hoeven de gevolgen van besluit 2014/119, voor zover het op verzoeker betrekking heeft, niet in stand te worden gehouden.
Kosten
80
Volgens artikel 134, lid 2, van het Reglement voor procesvoering bepaalt het Gerecht, indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Aangezien in de onderhavige zaak de Raad in het ongelijk is gesteld met betrekking tot het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoeker worden verwezen in de kosten betreffende dat verzoek. Aangezien verzoeker voorts in het ongelijk is gesteld met betrekking tot het in de memorie tot aanpassing van de conclusies geformuleerde verzoek tot nietigverklaring, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in de kosten betreffende dat verzoek.
81
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Commissie zal dus haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Negende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne en verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, worden nietig verklaard voor zover de naam van Sergiy Klyuyev is opgenomen op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van Sergiy Klyuyev, wat het in het verzoekschrift geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.
4)
Sergiy Klyuyev wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad, wat het in de memorie tot aanpassing van de conclusies geformuleerde verzoek tot nietigverklaring betreft.
5)
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Berardis
Czúcz
Popescu
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 januari 2016.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy