ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
18 oktober 2016 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie — Bevriezing van tegoeden — Beroep tot nietigverklaring — Beroepstermijn — Aanpassing van de conclusies — Ontvankelijkheid — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Recht op een effectieve rechterlijke bescherming — Kennelijk onjuiste beoordeling — Werking in de tijd van de gevolgen van een nietigverklaring”
In zaak T‑418/14,
Sina Bank, gevestigd te Teheran (Iran), vertegenwoordigd door B. Mettetal en C. Wucher-North, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en D. Gicheva als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste het besluit van de Raad dat is vervat in de kennisgeving van 15 maart 2014 aan de personen en entiteiten op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn die worden genoemd in besluit 2010/413/GBVB van de Raad en verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2014, C 77, blz. 1), om de plaatsing te handhaven van verzoeksters naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39), zoals gewijzigd bij besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 (PB 2010, L 281, blz. 81), en in bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1), en ten tweede besluit 2014/776/GBVB van de Raad van 7 november 2014 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2014, L 325, blz. 19), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1202/2014 van de Raad van 7 november 2014 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2014, L 325, blz. 3), besluit (GBVB) 2015/1008 van de Raad van 25 juni 2015 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2015, L 161, blz. 19), en uitvoeringsverordening (EU) 2015/1001 van de Raad van 25 juni 2015 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2015, L 161, blz. 1), voor zover bij deze handelingen de plaatsing van verzoeksters naam is gehandhaafd op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová (rapporteur) en E. Buttigieg, rechters,
griffier: M. Junius, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 april 2016,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1. Beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran
1
De onderhavige zaak valt binnen de context van de beperkende maatregelen die zijn ingevoerd om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van vectoren voor kernwapens (hierna: „nucleaire proliferatie”) te staken.
2. Beperkende maatregelen tegen verzoekster
2
Verzoekster, Sina Bank, is een Iraanse bank, die is ingeschreven als openbare vennootschap op aandelen.
3
Op 26 juli 2010 is verzoeksters naam geplaatst op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39).
4
Als gevolg daarvan is verzoeksters naam ook geplaatst op de lijst in bijlage V bij verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1). Deze plaatsing is van kracht geworden op de datum van bekendmaking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 423/2007 (PB 2010, L 195, blz. 25) in het Publicatieblad van de Europese Unie, namelijk op 27 juli 2010. Zij heeft de bevriezing van verzoeksters tegoeden en economische middelen (hierna: „bevriezing van tegoeden”) tot gevolg gehad.
5
De plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en in bijlage V bij verordening nr. 423/2007 was gebaseerd op de volgende gronden:
„Deze bank heeft zeer nauwe banden met de belangen van het ‚Daftar’ (bureau van de opperste leider [van de islamitische revolutie], met een administratie van ongeveer 500 medewerkers). Op die manier draagt zij bij aan de financiering van de strategische belangen van het regime.”
6
Bij brief van 27 juli 2010 heeft de Raad van de Europese Unie verzoekster medegedeeld dat haar naam was geplaatst op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en in bijlage V bij verordening nr. 423/2007. Een afschrift van die handelingen was als bijlage bij die brief gevoegd.
7
Bij brief van 8 september 2010 heeft verzoekster haar opmerkingen over de betrokken plaatsing op de lijst ingediend en de Raad om een nieuwe evaluatie ervan verzocht.
8
Na een nieuwe evaluatie van verzoeksters situatie heeft de Raad de plaatsing van haar naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 (PB 2010, L 281, blz. 81) met ingang van dezelfde datum gehandhaafd.
9
Bij de vaststelling van verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1) is verzoeksters naam op dezelfde gronden als die welke reeds in punt 5 hierboven zijn vermeld met ingang van 27 oktober 2010 op de lijst in bijlage VIII bij die verordening geplaatst.
10
Bij brief van 28 oktober 2010, die op 5 december 2010 ter kennis van verzoekster is gebracht, heeft de Raad haar ervan op de hoogte gesteld dat zij na een nieuwe evaluatie van haar situatie in het licht van de in haar brief van 8 september 2010 vervatte opmerkingen, onderworpen moest blijven aan beperkende maatregelen.
11
Bij brieven van 6 en 20 december 2010 heeft verzoekster via haar advocaten het handhaven van de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden. Met het oog op de uitoefening van verzoeksters rechten van verdediging hebben de advocaten de Raad verzocht hun toegang te verlenen tot de stukken en hun de elementen over te leggen ter rechtvaardiging van het handhaven van de genomen maatregel.
12
Bij verzoek, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 januari 2011 heeft verzoekster een beroep ingediend tot in wezen nietigverklaring van bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en van bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010, voor zover deze haar betreffen. De zaak is ingeschreven ter griffie van het Gerecht onder nummer T‑15/11.
13
Bij brief van 22 februari 2011 heeft de Raad aan verzoeksters advocaten het document met nummer 6724/11 overgelegd, dat de elementen van het dossier bevat die de in punt 5 hierboven genoemde gronden ondersteunen.
14
Bij brief van 18 juli 2011 heeft verzoekster opnieuw de handhaving van de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden.
15
Na verzoeksters situatie opnieuw te hebben bekeken, heeft de Raad de plaatsing van haar naam gehandhaafd op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010, met ingang van respectievelijk 1 december 2011, de dag waarop besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2011, L 319, blz. 71) is vastgesteld, en 2 december 2011, de dag waarop uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 tot uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB 2011, L 319, blz. 11) in het Publicatieblad is bekendgemaakt.
16
Bij brief van 5 december 2011, waarvan verzoeksters op dezelfde dag in kennis is gesteld, heeft de Raad haar erover geïnformeerd dat zij aan beperkende maatregelen onderworpen bleef. In deze brief heeft de Raad opgemerkt dat „ofschoon circa 36 % van [verzoeksters] aandelen [waren] verkocht door middel van een openbaar bod, de [Mostazafan] Foundation, die een overheidsorgaan [was] dat verantwoording schuldig is aan de opperste leider, de belangrijkste aandeelhoudster [bleef]” en dat „[hij] bijgevolg van mening [bleef] dat [verzoekster] zeer nauwe banden [had] met de belangen van het ‚Daftar’ (bureau van de opperste leider) en op die manier [bijdroeg] aan de financiering van de strategische belangen van het regime”.
17
Bij brief van 23 januari 2012 heeft verzoekster via haar advocaten opnieuw de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden. Met het oog op de uitoefening van de rechten van de verdediging hebben de advocaten de Raad verzocht hun toegang te geven tot het dossier en hun de stukken over te leggen die het handhaven van de genomen maatregel rechtvaardigen.
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 februari 2012, heeft verzoekster een beroep ingesteld tot in wezen nietigverklaring van ten eerste besluit 2011/783 en uitvoeringsverordening nr. 1245/2011, voor zover daarbij na een nieuwe evaluatie haar naam was gehandhaafd op de lijst in respectievelijk bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010, en ten tweede artikel 16, lid 2, van verordening nr. 961/2010 alsmede artikel 19, lid 1, onder b), en artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413, voor zover die bepalingen haar betroffen. De zaak is ingeschreven ter griffie van het Gerecht onder nummer T‑67/12.
19
Bij de vaststelling van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1), is verzoeksters naam, op dezelfde gronden als die welke reeds in punt 5 hierboven zijn genoemd, met ingang van 24 maart 2012 geplaatst op de lijst in bijlage IX bij die verordening.
20
Bij arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661), heeft het Gerecht bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010 nietig verklaard voor zover deze betrekking hadden op verzoekster. Het heeft evenwel de gevolgen van bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, ten aanzien van verzoekster gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding van de nietigverklaring van bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010, voor zover die verzoekster betrof. Daar geen hogere voorziening is ingesteld tegen het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661), is het onherroepelijk geworden en heeft het kracht van gewijsde verkregen.
21
Op 15 maart 2014 heeft de Raad een kennisgeving aan de personen en entiteiten op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn die worden genoemd in besluit 2010/413 en verordening nr. 267/2012 (PB 2014, C 77, blz. 1) bekendgemaakt, waarin hij melding maakt van zijn na een nieuwe evaluatie genomen besluit om de beperkende maatregelen die worden genoemd in besluit 2010/413 en verordening nr. 267/2012 van toepassing te laten blijven op de personen en de entiteiten waarvan de namen waren geplaatst op de lijst in bijlage II bij dat besluit en in bijlage IX bij die verordening.
22
Bij brief van 14 april 2014 heeft verzoekster voor de Raad wederom de handhaving van de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden.
Feiten die hebben plaatsgehad na het instellen van onderhavig beroep
23
Bij arrest van 4 juni 2014, Sina Bank/Raad (T‑67/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:348), heeft het Gerecht het bij hem aanhangige beroep verworpen, omdat het was ingesteld bij een rechterlijke instantie die niet bevoegd was om daarvan kennis te nemen, voor zover het strekte tot nietigverklaring van artikel 19, lid 1, onder b), en artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413, en het niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het strekte tot nietigverklaring van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 961/2010, en voorts heeft het Gerecht besluit 2011/783 en uitvoeringsverordening nr. 1245/2011 nietig verklaard, voor zover bij die handelingen na een nieuwe evaluatie de plaatsing was gehandhaafd van verzoeksters naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010. Daar geen hogere voorziening is ingesteld tegen het arrest van 4 juni 2014, Sina Bank/Raad (T‑67/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:348), is het onherroepelijk geworden en heeft het kracht van gewijsde verkregen.
24
Bij e-mail van 1 september 2014 heeft de Raad aan verzoeksters advocaten meegedeeld dat hij na een nieuwe evaluatie van verzoeksters situatie had besloten om de plaatsing van haar naam te handhaven op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, en in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 (hierna: „litigieuze lijst”), om de volgende redenen:
„Sina Bank wordt gecontroleerd door de Mostazafan Foundation, een grote Iraanse semioverheidsinstelling, die rechtstreeks door de [...] leider wordt gecontroleerd en een belang heeft van 84 % in de bank. Sina Bank verleent financiële diensten aan de Mostazafan Foundation en haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven. Sina Bank verleent bijgevolg via de Mostazafan Foundation financiële steun aan de regering van Iran.”
25
In een bijlage bij dat bericht heeft de Raad de documenten met nummer MD RELEX 169/14 tot en met 174/14 overgelegd, die de elementen van het dossier bevatten waarop de hierboven in punt 24 genoemde redenen steunen.
26
Bij brief van 17 september 2014 heeft verzoekster de handhaving van de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden. Zij heeft met name het percentage bestreden van de deelneming in haar kapitaal dat in handen is van de Mostazafan Foundation van de Islamitische Republiek Iran (hierna: „Foundation”).
27
Bij besluit 2014/776/GBVB van de Raad van 7 november 2014 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2014, L 325, blz. 19), zijn de gronden voor plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, met ingang van 8 november 2014 in de in punt 24 hierboven aangegeven zin gewijzigd.
28
Naar aanleiding daarvan is bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1202/2014 van de Raad van 7 november 2014 houdende uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2014, L 325, blz. 3) met ingang van 8 november 2014 ook de motivering van de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 in de in punt 24 hierboven aangegeven zin gewijzigd.
29
Bij brief, waarvan verzoekster op 10 november 2014 kennis is gegeven, heeft de Raad haar meegedeeld dat zij om de in punt 24 hierboven genoemde redenen onderworpen bleef aan beperkende maatregelen. Hij heeft eraan toegevoegd dat verzoeksters bewering in de brief van 17 september 2014, dat het percentage van de deelneming van de Foundation in haar kapitaal na maart 2011 zou zijn gedaald van 80 % naar 63,52 %, niet werd gestaafd en bovendien werd tegengesproken door de financiële cijfers van de Foundation over het jaar 2012, volgens welke de Foundation in maart 2012 nog steeds 84 % van verzoeksters aandelenkapitaal bezat.
30
Bij brief van 15 januari 2015 heeft verzoekster de handhaving van de maatregel tot bevriezing van haar tegoeden bestreden. Zij heeft haar verzoeken herhaald om volledig toegang te krijgen tot het dossier en tot alle documenten welke die maatregelen rechtvaardigen.
31
Bij besluit (GBVB) 2015/1008 van de Raad van 25 juni 2015 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2015, L 161, blz. 19), en bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/1001 van de Raad van 25 juni 2015 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012 (PB 2015, L 161, blz. 1) heeft de Raad na een nieuwe evaluatie de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijst met ingang van 27 juni 2015 gehandhaafd om de in punt 24 hierboven genoemde redenen.
32
Bij brief en bij e-mail van 26 juni 2015 heeft de Raad verzoeksters advocaten ervan op de hoogte gesteld dat zij om de in punt 24 hierboven genoemde redenen onderworpen bleef aan beperkende maatregelen.
33
Bij brief van 31 juli 2015 heeft verzoekster via haar advocaten de handhaving van de tegen haar genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden bestreden en haar eisen herhaald om volledig toegang te krijgen tot het dossier en tot alle stukken die de genomen maatregel rechtvaardigen.
Procedure en conclusies van partijen
34
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 mei 2014, heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld, dat strekt tot nietigverklaring van het besluit van de Raad dat is vervat in de op 15 maart 2014 gepubliceerde kennisgeving, om de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst te handhaven (hierna: „litigieus besluit”), en van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover deze op haar betrekking heeft.
35
Op 2 september 2014 heeft de Raad een verweerschrift ingediend.
36
Op 22 oktober 2014 heeft verzoekster een memorie van repliek ingediend.
37
Op 4 december 2014 heeft de Raad een memorie van dupliek ingediend.
38
Op 16 januari 2015 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht een eerste memorie ingediend tot wijziging van haar conclusies, om deze ook van toepassing te laten zijn op besluit 2014/776 en uitvoeringsverordening nr. 1202/2014, voor zover bij deze handelingen de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst was gehandhaafd.
39
Op 9 februari 2015 heeft de Raad zijn opmerkingen met betrekking tot de eerste aanpassing van de conclusies van onderhavig beroep ingediend.
40
Op 20 september 2015 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht een tweede memorie tot aanpassing van haar conclusies ingediend, om deze ook van toepassing te laten zijn op besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001, voor zover bij die handelingen de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst was gehandhaafd.
41
Op 4 november 2015 heeft de Raad zijn opmerkingen ingediend met betrekking tot de tweede aanpassing van de conclusies van onderhavig beroep.
42
Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, bedoeld in artikel 89, lid 3, onder a), b) en d), van zijn Reglement voor de procesvoering partijen verzocht te antwoorden op bepaalde vragen, bepaalde informatie over te leggen of bepaalde inlichtingen te geven en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
43
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 8 april 2016.
44
In het verzoekschrift en in de memories tot aanpassing van haar conclusies verzoekt verzoekster het Gerecht in wezen:
—
het bestreden besluit en bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover deze haar betreft, nietig te verklaren;
—
besluit 2014/776 en uitvoeringsverordening nr. 1202/2014 nietig te verklaren, voor zover bij deze handelingen de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst is gehandhaafd;
—
besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001 (hierna, samen met besluit 2014/776 en uitvoeringsverordening nr. 1202/2014: „litigieuze handelingen”), voor zover bij deze handelingen de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst is gehandhaafd;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
45
De Raad verzoekt het Gerecht in wezen:
—
de eerste vordering af te wijzen, voor zover zij betrekking heeft op de nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover die verzoekster betreft, en de derde vordering niet-ontvankelijk te verklaren;
—
de rest van het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. Ontvankelijkheid
Ontvankelijkheid van de eerste vordering, voor zover deze betrekking heeft op de nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover zij verzoekster betreft
46
De Raad verzoekt de eerste vordering niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover deze betrekking heeft op de nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover zij verzoekster betreft. Verordening nr. 267/2012 zou zijn vastgesteld op 23 maart 2012. Zij zou zijn bekendgemaakt en in werking zijn getreden op 24 maart 2012. De betrokken vordering in het verzoekschrift dat is neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 mei 2014 (punt 34 hierboven), zou dus ruim na de termijn van artikel 263 VWEU zijn ingediend.
47
Verzoekster concludeert tot afwijzing van dit middel inzake niet-ontvankelijkheid. Zij meent dat zowel haar verzoek tot nietigverklaring van het litigieuze besluit als dat tot nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 ontvankelijk is voor zover de plaatsing van haar naam erbij is gehandhaafd – overeenkomstig het litigieuze besluit en ondanks het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661).
48
In dit verband dient allereerst te worden vastgesteld dat de conclusies van het onderhavige beroep die strekken tot nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover zij verzoekster betreft, in wezen identiek zijn aan die welke rechtstreeks strekken tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, namelijk het besluit van de Raad, dat vervat is in de op 15 maart 2014 bekendgemaakte kennisgeving, om de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijst te handhaven. Beide zijn namelijk in wezen gericht op dezelfde handeling, namelijk die waarbij, zoals is aangegeven in de op 15 maart gepubliceerde bekendmaking, de Raad, na een nieuwe evaluatie, heeft besloten om de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijst te handhaven.
49
Vervolgens moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, VWEU en artikel 263, vierde en zesde alinea, VWEU, verzoekster bevoegd is om nietigverklaring te vorderen van het besluit om, na een nieuwe evaluatie, de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst te handhaven, hetwelk aan de basis staat van de handhaving van de tegen haar genomen beperkende maatregelen (zie in die zin arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad, T‑15/11, EU:T:2012:661, punten 34 en 38).
50
Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring tegen handelingen waarbij individuele beperkende maatregelen zijn vastgesteld op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, voor iedere daaraan onderworpen persoon en entiteit ingaat op de datum van de kennisgeving die van die handelingen aan hen moet geschieden (zie in die zin arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 59).
51
Indien de Raad het adres kent van de in de handeling tot vaststelling van beperkende maatregelen bedoelde persoon of de entiteit, dient hij over te gaan tot een individuele kennisgeving van de betrokken handeling op dat adres (zie in die zin arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C‑548/09 P, EU:C:2011:735, punten 47‑52). Uit de rechtspraak blijkt dat, voor zover de beroepstermijn ingaat op de datum van kennisgeving van de handeling tot vaststelling van de beperkende maatregelen, deze termijn ten aanzien van de in die handeling bedoelde persoon of entiteit, van wie de Raad het adres kent, niet kan ingaan zolang van de betrokken handeling op dat adres niet rechtsgeldig kennisgeving is gedaan (zie in die zin arresten van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punten 57 en 59, en van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 66).
52
In casu volgt uit de gegevens in het procesdossier, met name uit bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, dat de Raad verzoeksters precieze adres kende. Hij moest haar derhalve individueel kennisgeving doen van het litigieuze besluit. De Raad heeft zich evenwel beperkt tot de bekendmaking van een mededeling in het Publicatieblad, zodat, aangezien de beroepstermijn ingaat op de datum waarop van die handeling is kennisgegeven, deze niet heeft kunnen ingaan.
53
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de conclusies van het onderhavige beroep die strekken tot nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover deze verzoekster betreft, niet losstaan van die welke strekken tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, waarmee zij samenvallen, en voorts dat het middel inzake niet-ontvankelijkheid dat is gegrond op het tardief instellen van het onderhavige beroep, voor zover dat strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, ongegrond is en bijgevolg moet worden verworpen.
Ontvankelijkheid van de derde vordering
54
De Raad verzoekt de derde vordering, die strekt tot nietigverklaring van besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001, voor zover bij die handelingen de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijst is gehandhaafd, niet-ontvankelijk te verklaren. Uit de brief van 31 juli 2015 (punt 33 hierboven) zou blijken dat verzoekster via haar advocaten wel degelijk van de betrokken handelingen in kennis zou zijn gesteld. Bovendien zou op grond van bepaalde formuleringen in de brief van 6 december 2010 (punt 11 hierboven) kunnen worden verondersteld dat er sprake was van een overeenkomst in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad (T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 74) met verzoekster, om de communicatie met haar via haar advocaten te laten verlopen. De kennisgeving van besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001 aan verzoeksters advocaten op 26 juni 2015 (punt 32 hierboven) zou de termijn voor het instellen van een beroep tegen die handelingen hebben doen ingaan, en die termijn zou zijn verlopen op 5 september 2015. De derde vordering, die was opgenomen in de tweede memorie tot aanpassing van de conclusies, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 september 2015 (punt 40 hierboven) zou derhalve tardief zijn ingesteld.
55
Verzoekster concludeert tot ongegrondverklaring van dit middel inzake niet-ontvankelijkheid.
56
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak het indienen van verzoeken tot aanpassing van de conclusies onderworpen is aan het vereiste dat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 263, zesde alinea, VWEU in acht wordt genomen (zie in die zin arresten van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 55, en van 16 september 2013, Bank Kargoshaei e.a./Raad, T‑8/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:470, punt 40).
57
Om deze beroepstermijn ten aanzien van verzoekster te laten ingaan, moest de Raad, voor zover hij verzoeksters adres kende, haar individueel kennisgeven van besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001 (zie punt 51 hierboven).
58
In casu is de Raad overgegaan tot kennisgeving van besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001 aan verzoekster via haar advocaten, bij brief en per e-mail van 26 juni 2015 (zie punt 32 hierboven).
59
In antwoord op een schriftelijk verzoek van het Gerecht (punt 42 hierboven) heeft de Raad een ontvangstbewijs van de posterijen overgelegd, dat aantoont dat de brief van 26 juni 2015 aan verzoeksters advocaten is toegekomen op 1 juli 2015.
60
Er dient echter aan te worden herinnerd dat artikel 263, zesde alinea, VWEU verwijst naar de „kennisgeving [van de handeling] aan de verzoeker”, en niet naar de kennisgeving aan diens vertegenwoordiger. Wanneer bijgevolg, wil de beroepstermijn ingaan, van een handeling kennis moet worden gegeven moet deze handeling in beginsel worden medegedeeld aan de adressaat ervan en niet aan de advocaten die hem vertegenwoordigen. Volgens de rechtspraak geldt de kennisgeving aan de vertegenwoordiger van een verzoeker immers slechts als kennisgeving aan de adressaat indien een dergelijke vorm van kennisgeving uitdrukkelijk is voorgeschreven of door partijen overeengekomen (zie in die zin beschikking van 8 juli 2009, Thoss/Rekenkamer, T‑545/08, niet gepubliceerd, EU:T:2009:260, punten 41 en 42; arresten van 11 juli 2013, BVGD/Commissie, T‑104/07 en T‑339/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:366, punt 146, en van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 74).
61
In casu verwijst de toepasselijke regelgeving, namelijk artikel 24, lid 3, van besluit 2010/413 en artikel 46, lid 3, van verordening nr. 267/2012, nergens uitdrukkelijk naar de mogelijkheid om van de tegen een persoon of een entiteit genomen beperkende maatregelen kennisgeving te doen aan diens vertegenwoordiger, maar bepaalt zij uitdrukkelijk dat, indien het adres van de betrokken persoon of entiteit bekend is, het besluit om op hem of haar beperkende maatregelen toe te passen, rechtstreeks aan hem of haar moet worden meegedeeld. Verzoekster, van wie de Raad het adres kende (punt 52 hierboven) moest dus rechtstreeks in kennis worden gesteld van besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001.
62
Bovendien heeft verzoekster, in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (punt 42 hierboven) en tijdens de mondelinge behandeling, bestreden dat zij en de Raad zouden zijn overeengekomen dat zij van alle besluiten waarbij haar beperkende maatregelen worden opgelegd, in kennis zou worden gesteld op het adres van haar advocaten, en bijgevolg via hen. Inderdaad kan op grond van de elementen van het procesdossier niet worden vastgesteld dat er tussen verzoekster en de Raad een dergelijke overeenkomst zou bestaan. Weliswaar blijkt uit het dossier dat, na de brief van de Raad van 28 oktober 2010 (punt 10 hierboven), die rechtstreeks aan verzoekster was geadresseerd, het haar advocaten zijn die hebben geantwoord bij de brieven van 6 en 20 december 2010 (punt 11 hierboven), waarin onderaan de pagina hun eigen kantooradres stond vermeld en de Raad werd verzocht hun toegang te verlenen tot het dossier en hun de elementen over te leggen ter ondersteuning van zijn besluit om hun cliënte beperkende maatregelen op te leggen, en dat de Raad vervolgens onder verwijzing naar die brieven de brief van 22 februari 2011 (punt 13 hierboven) rechtstreeks naar verzoeksters advocaten heeft gezonden. Al toont deze briefwisseling aan dat verzoekster zich tot de Raad heeft gericht via haar advocaten en al hebben die verzocht om toegang tot het dossier of de mededeling van bepaalde documenten, er blijkt evenwel niet uit dat verzoekster de Raad in afwijking van hetgeen is voorzien in de toepasselijke regeling (zie punt 61 hierboven) toestemming zou hebben verleend om met haar eveneens indirect te communiceren – via haar advocaten. In het bijzonder blijkt uit de brief van 18 juli 2011 (punt 14 hierboven) en de brief van 5 december 2011 (punt 16 hierboven) dat bij bepaalde gelegenheden verzoekster en de Raad rechtstreeks met elkaar zijn blijven communiceren. Bovendien blijkt uit de brieven van 15 januari en 31 juli 2015 (punten 30 en 33 hierboven) dat verzoekster wenste dat de belangrijke stukken in het dossier rechtstreeks aan haar werden overgelegd. Als gevolg hiervan moet worden vastgesteld dat verzoekster met de Raad geen enkele overeenkomst heeft gesloten om haar van de betrokken handelingen kennis te geven op het adres van haar advocaten, en bijgevolg via hen.
63
Hieruit volgt dat in de omstandigheden van het geval de daadwerkelijke mededeling van de betrokken handelingen aan verzoeksters advocaten niet gelijkstond aan een mededeling, en dus een kennisgeving van die handelingen, aan verzoekster zelf.
64
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep in zijn geheel ontvankelijk is.
2. Ten gronde
65
Ter ondersteuning van het onderhavige beroep voert verzoeksters twee middelen aan: 1) schending van de motiveringsplicht, het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, en 2) kennelijke beoordelingsfout.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht, het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming
66
Verzoekster verwijt de Raad door het vaststellen van het litigieuze besluit (punt 34 hierboven) en de litigieuze handelingen (punt 44, derde streepje, hierboven) (hierna samen: „bestreden handelingen”) de motiveringsplicht, het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, zoals uitgelegd door de Unierechter en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, te hebben geschonden, voor zover haar niet de precieze redenen zijn medegedeeld, noch haar de bewijzen en de stukken zijn overgelegd, die de handhaving, na een nieuwe evaluatie, van de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst zouden hebben gerechtvaardigd. Verzoekster betoogt dat, overeenkomstig de rechtspraak, de gebrekkige motivering een schending van wezenlijke vormvoorschriften vormt die niet kan worden goedgemaakt door louter het feit dat de belanghebbende in de loop van de procedure voor de Unierechter kennis neemt van de redenen voor het te zijnen aanzien genomen besluit. De enige redenen die haar vóór het instellen van het onderhavige beroep zouden zijn medegedeeld, zouden die zijn welke zijn genoemd in punt 5 hierboven. Zoals is bevestigd in het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661), zou die motivering onvoldoende zijn, daar zij te beknopt en te algemeen is. Daar komt nog bij dat haar geen enkel bewijs is overgelegd met betrekking tot haar vermeende banden met het „Daftar” en een eventuele bijdrage van haar aan de financiering van – overigens niet nader geïdentificeerde – „strategische belangen van het regime”. De medegedeelde motivering zou in ieder geval onjuist zijn, daar er ten eerste geen enkel bewijs zou zijn dat zij nog steeds zou worden gecontroleerd door de Foundation of door het „Daftar”, of met laatstbedoelde banden zou onderhouden, en ten tweede zij bijna uitsluitend particulieren en privébedrijven, en zeer weinig de regering of overheidsinstanties, zou financieren. De aanvullende redenen in de brief van 5 december 2011 (punt 16 hierboven) zouden geen toereikende motivering voor de litigieuze handelingen verschaffen. De Raad zou zich ertoe beperkt hebben erin aan te geven dat de Foundation haar meerderheidsaandeelhoudster zou zijn zonder te preciseren wat de „strategische belangen van het regime” zouden zijn die zij zou hebben gefinancierd en ook niet welke bepalingen van besluit 2010/413 en verordening nr. 267/2012 precies de handhaving van haar naam op de litigieuze lijst zouden hebben gerechtvaardigd. Ondanks haar verzoeken in die richting heeft de Raad haar geen enkele gedetailleerde informatie verschaft over de redenen voor het handhaven van de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijst. De enige elementen die haar zouden zijn overgelegd of waarop hij zich zou beroepen, verschaffen geen bewijs voor hetgeen hij in de bestreden handelingen zou stellen. Door het ontbreken van een concreet en specifiek element in de motivering van de bestreden handelingen zou verzoekster de strekking ervan niet kunnen begrijpen en zou zij aldus zijn aangetast in de uitoefening van haar rechten van verdediging en haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming.
67
De Raad betwist verzoeksters argumenten en stelt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Schending van de motiveringsplicht
68
De verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, dient er volgens vaste rechtspraak enerzijds toe, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds de rechter van de Unie in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
In geval van een handeling van de Raad waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, dient de motivering de specifieke en concrete redenen op te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid tot de conclusie is gekomen dat dergelijke maatregelen ten aanzien van de betrokkene moeten worden vastgesteld (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 52).
71
Artikel 24, lid 3, van besluit 2010/413 en artikel 46, lid 3, van verordening nr. 267/2012 schrijven de Raad eveneens voor, de individuele en specifieke redenen op te geven voor de beperkende maatregelen die op grond van artikel 20, lid 1, onder b), van dat besluit en artikel 23, lid 2, onder a), en lid 3, van die verordening worden vastgesteld en deze mee te delen aan de betrokken personen en entiteiten (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C‑548/09 P, EU:C:2011:735, punt 48). Volgens de rechtspraak moet de Raad in beginsel via een individuele mededeling aan zijn motiveringsverplichting voldoen en volstaat enkel een publicatie in het Publicatieblad niet (zie in die zin arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punten 47 en 48; zie in die zin en naar analogie tevens arrest van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C‑548/09 P, EU:C:2011:735, punt 52).
72
De door artikel 296 VWEU, artikel 24, lid 3, van besluit 2010/413 en artikel 46, lid 3, van verordening nr. 267/2012 vereiste motivering moet beantwoorden aan de bepalingen op grond waarvan de beperkende maatregelen zijn vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Een bezwarende handeling is in het bijzonder voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat deze de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arrest van 15 november 2012Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).
– Litigieus besluit
74
Uit de in de punten 15 en 16 hierboven genoemde elementen van het procesdossier blijkt dat het litigieuze besluit stoelt op zowel de aanvankelijke motivering, die in punt 5 hierboven is uiteengezet, als op de aanvullende motivering waarvan verzoekster bij brief van 5 december 2011 in kennis is gesteld, die in punt 16 hierboven is uiteengezet.
75
Met de gehele motivering die in de punten 5 en 16 hierboven is aangehaald, werd kennelijk beoogd om op verzoekster ten eerste het in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012 vermelde criterium toe te passen van „zeggenschap” door een persoon of een entiteit van wie is vastgesteld dat die betrokken is bij, direct verband houdt met of steun biedt aan de nucleaire proliferatie, en voorts het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie”, dat in diezelfde bepalingen is vermeld (zie in die zin arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad, T‑15/11, EU:T:2012:661, punt 70).
76
Voor zover het litigieuze besluit het criterium van „zeggenschap” op verzoekster toepast, berust dit besluit op de aanvankelijke motivering en op de aanvullende motivering die, zoals is vastgesteld in punt 70 van het arrest van 4 juni 2014, Sina Bank/Raad (T‑67/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:348), kennelijk tot doel had om de aanvankelijke motivering, ontleend aan de toepassing op verzoekster van het criterium van „zeggenschap”, te vervolledigen.
77
Aangezien in punt 82 van het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661) – dat gezag van gewijsde heeft (punt 20 hierboven) – reeds is geoordeeld dat de in punt 5 hierboven vermelde aanvankelijke motivering ontoereikend was, dient nog te worden onderzocht of de in punt 16 hierboven vermelde aanvullende motivering deze in casu zodanig kan hebben vervolledigd dat bij de vaststelling van het litigieuze besluit uiteindelijk aan de motiveringsvereisten werd voldaan. Bij het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661, punten 72‑79) heeft het Gerecht niet de gelegenheid gehad om over die laatste vraag uitspraak te doen, aangezien het zich heeft beperkt tot de vaststelling dat, voor zover de Raad zich bij de destijds bij het Gerecht bestreden handelingen had gebaseerd op die aanvullende motivering, die verzoekster na de vaststelling van die handelingen was medegedeeld, hij het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging had geschonden en in het bijzonder verzoeksters recht om vooraf te worden gehoord.
78
In casu kunnen met de aanvullende motivering de personen of de entiteiten worden geïdentificeerd die volgens de Raad over verzoekster „zeggenschap” uitoefenen in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, die niet langer zijn geïdentificeerd, zoals in de aanvankelijke motivering, als het „bureau van de opperste leider”, maar als de „Foundation” en de „leider” zelf.
79
Bovendien kan door de aanvullende motivering worden begrepen hoe volgens de Raad de leider en de Foundation direct of indirect over verzoekster „zeggenschap” uitoefenden in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012. Uit die motivering blijkt namelijk dat de Foundation werd geacht verzoekster rechtstreeks te controleren, aangezien zij haar „belangrijkste aandeelhoudster” bleef. Bovendien blijkt uit die motivering dat is aangenomen dat de opperste leider verzoekster via de Foundation indirect controleerde, aangezien „de Foundation een overheidsorgaan [was] dat verantwoording schuldig is aan de opperste leider”.
80
In de omstandigheden van de onderhavige zaak verwijst de door de Raad gebruikte uitdrukking „verantwoording schuldig zijn” op een voldoende begrijpelijke wijze naar het uitoefenen door de opperste leider van „zeggenschap” over de Foundation in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012.
81
De aanvullende motivering, waarvan verzoekster bij brief van 5 december 2011 in kennis werd gesteld, was in de omstandigheden van de onderhavige zaak derhalve toereikend om haar in staat te stellen te begrijpen dat het litigieuze besluit het criterium van „zeggenschap” op haar toepaste en inzonderheid berustte op de omstandigheid dat zij onder zeggenschap stond van de Foundation en via deze onder zeggenschap van de opperste leider. Evenzo kan het Gerecht op grond van deze aanvullende motivering de gegrondheid nagaan van het litigieuze besluit, voor zover dat op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast.
82
Bijgevolg moet, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, worden vastgesteld dat het litigieuze besluit, voor zover het op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast, dankzij de door de Raad verschafte aanvullende motivering rechtens genoegzaam is gemotiveerd.
83
Het litigieuze besluit is daarentegen niet genoegzaam gemotiveerd voor zover het op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” toepast. De in punt 5 hierboven aangehaalde aanvankelijke motivering, zoals gewijzigd bij de in punt 16 hierboven aangehaalde aanvullende motivering, stelt in wezen namelijk alleen vast dat verzoekster zou bijdragen „aan de financiering van de strategische belangen van het regime”, aangezien haar „belangrijkste aandeelhoudster de Foundation [bleef], die een overheidsorgaan [zou zijn] dat verantwoording schuldig was aan de opperste leider”.
84
Zelfs als wordt aangenomen dat de nucleaire proliferatie kan worden beschouwd als onderdeel van de „strategische belangen van het regime”, maakt de motivering van het litigieuze besluit het niet mogelijk de specifieke en concrete redenen te kennen waarom de Raad van mening was dat verzoekster bijdroeg aan de financiering van de nucleaire proliferatie.
85
Gesteld al dat uit de motivering die de kapitaalbanden tussen de Foundation en verzoekster noemt, kan worden afgeleid dat, zoals de Raad in zijn schrifturen beweert, verzoekster aanzienlijke dividenden uitkeert aan de Foundation en haar financiële diensten aanbiedt, neemt dit immers niet weg dat die motivering geen enkele uitleg verschaft over hoe die bedragen of die financiële diensten door de Foundation of door de opperste leider worden gebruikt als bijdrage aan de nucleaire proliferatie. Uit de motivering van het litigieuze besluit blijkt niet dat de Foundation direct of indirect betrokken zou zijn bij de nucleaire proliferatie, terwijl die betrokkenheid in casu niet kan worden verondersteld. Voorts bevat diezelfde motivering geen enkele aanwijzing dat de door verzoekster aan de Foundation uitgekeerde dividenden of de door haar aangeboden financiële diensten zouden zijn gebruikt of zouden kunnen worden gebruikt om direct of indirect bij te dragen aan de nucleaire proliferatie. Een dergelijk gebruik kan in casu niet worden verondersteld.
86
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit, voor zover het op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” toepast, niet rechtens genoegzaam is gemotiveerd.
87
De grief met betrekking tot de schending van de motiveringsplicht moet derhalve worden aanvaard voor zover deze strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover daarbij op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” wordt toegepast (punt 86 hierboven), en moet worden afgewezen voor zover deze strekt tot nietigverklaring van datzelfde besluit, voor zover het op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast (punt 82 hierboven).
– Litigieuze handelingen
88
Uit de in de punten 24, 27, 28, 31 en 32 hierboven aangehaalde gegevens in het dossier volgt dat de litigieuze handelingen zijn gebaseerd op een nieuwe motivering, die is uiteengezet in punt 24 hierboven.
89
In deze nieuwe motivering heeft de Raad, door ze te noemen, herinnerd aan de banden die bestaan tussen verzoekster, de Foundation en de opperste leider, namelijk dat „[verzoekster werd] gecontroleerd door de [...] Foundation, een grote Iraanse semioverheidsinstelling, die rechtstreeks door de [...] leider wordt gecontroleerd en een belang heeft van 84 % in [verzoekster]”. Bovendien heeft hij aangegeven dat „[verzoekster] financiële diensten verleen[de] aan de [...] Foundation en haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven”, waaruit hij heeft afgeleid dat „[verzoekster] via de Foundation financiële steun verleen[de] aan de regering van Iran”.
90
Met deze redenen wordt kennelijk beoogd om op verzoekster het criterium toe te passen van „zeggenschap” door een persoon of een entiteit die zich bezighoudt met, rechtstreeks betrokken is bij dan wel steun verleent aan de nucleaire proliferatie, zoals vermeld in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, en voorts het criterium van „steun aan de Iraanse regering”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012. Wat dat laatste betreft, berusten de litigieuze handelingen dus op een nieuw criterium met betrekking tot het litigieuze besluit (zie punt 75 hierboven).
91
Het eerste deel van de in punt 89 hierboven uiteengezette motivering was in de omstandigheden van de onderhavige zaak toereikend om verzoekster in staat te stellen te begrijpen dat de litigieuze handelingen op haar het criterium van „zeggenschap” toepasten en inzonderheid gebaseerd waren op de omstandigheid dat zij via de Foundation onder zeggenschap stond van de opperste leider. Bovendien kan het Gerecht op grond van die motivering de gegrondheid nagaan van de litigieuze handelingen, voor zover zij op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepassen.
92
Wat het tweede deel van de in punt 89 hierboven uiteengezette motivering betreft, was dit in de omstandigheden van de onderhavige zaak toereikend om verzoekster in staat te stellen te begrijpen dat de litigieuze handelingen op haar eveneens het criterium van „steun aan de Iraanse regering” toepasten en inzonderheid gebaseerd waren op de omstandigheid dat zij financiële diensten verleende aan de Foundation en aan haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven, hetgeen – gelet op het feit dat het een semioverheidsinstelling betreft waarop de opperste leider rechtstreekse zeggenschap uitoefent – indirect neerkwam op het verlenen van financiële steun aan de Iraanse regering. Daarenboven kan het Gerecht op grond van die motivering de gegrondheid nagaan van de litigieuze handelingen, voor zover zij op verzoekster het criterium van „steun aan de Iraanse regering” toepassen.
93
Bijgevolg moet, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, worden vastgesteld dat de litigieuze handelingen rechtens genoegzaam zijn gemotiveerd en moet bijgevolg de grief inzake schending van de motiveringsplicht worden afgewezen, voor zover deze strekt tot nietigverklaring van die handelingen.
94
Gelet op het voorgaande moet de grief inzake schending van de motiveringsplicht worden aanvaard voor zover deze strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, voor zover het op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” (punt 86 hierboven) toepast, en moet deze voor het overige worden verworpen (punten 87 en 93 hierboven).
Schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming
95
Het grondrecht op eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens een procedure die aan de vaststelling van beperkende maatregelen voorafgaat, is uitdrukkelijk neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96
Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt enerzijds dat het bewijs dat tegen de betrokken persoon of entiteit wordt aangevoerd als grond voor de voor de betrokkene bezwarende handeling, aan deze wordt meegedeeld, en anderzijds dat de betrokken persoon of entiteit in staat wordt gesteld om zijn of haar standpunt over dat bewijs naar behoren kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 93).
97
In het kader van de vaststelling van een besluit waarbij de naam van een persoon of entiteit wordt gehandhaafd op een lijst van personen of entiteiten voor wie beperkende maatregelen gelden, moet de Raad het recht van die persoon of die entiteit om voorafgaandelijk te worden gehoord, in acht nemen wanneer hij ten aanzien van die persoon of entiteit nieuwe gegevens in aanmerking neemt, dit wil zeggen gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij de betrokkene op die lijst werd geplaatst (zie in die zin arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 62, en van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punten 42 en 43).
– Litigieus besluit
98
Op 5 december 2011 heeft de Raad verzoekster individueel de in punt 16 hierboven genoemde aanvullende motivering van het litigieuze besluit medegedeeld.
99
Wat betreft de toepassing op verzoekster van het criterium van „zeggenschap”, dat is vermeld in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, volgt uit punt 82 hierboven dat de motivering van het litigieuze besluit toereikend was.
100
Bovendien geeft de Raad aan dat hij aan verzoekster alle bewijsstukken heeft overgelegd waarop die motivering berustte (punt 13 hierboven).
101
Anders dan het geval was voor de handelingen die nietig zijn verklaard bij het arrest van 11 december 2012, Sina Bank/Raad (T‑15/11, EU:T:2012:661, punten 72‑79) (punt 77 hierboven) heeft verzoekster dus naar behoren – in het geval van het litigieuze besluit – de gegrondheid kunnen betwisten van de motivering die betrekking had op de toepassing op haar van het criterium van „zeggenschap” en de elementen die daarvoor de basis vormden, en dit zelfs voordat dat besluit was vastgesteld, namelijk bij de brieven van 23 januari 2012 (punt 17 hierboven) en van 14 april 2014 (punt 22 hierboven). Zij heeft bovendien daadwerkelijk haar beroepsrecht kunnen uitoefenen met betrekking tot de gegrondheid van diezelfde motivering, waarvan het onderhavige beroep het bewijs vormt.
102
Voor zover het litigieuze besluit op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” toepast, volgt uit punt 86 hierboven daarentegen dat de motivering van het litigieuze besluit niet toereikend was. Bijgevolg kon verzoekster niet, alvorens het onderhavige beroep in te stellen of in het kader daarvan, naar behoren of daadwerkelijk de gegrondheid betwisten van de toepassing van dat criterium op haar situatie.
103
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit, voor zover het op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” toepast, haar rechten van verdediging schendt alsook haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming, maar dat het diezelfde rechten niet schendt voor zover het op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast.
104
Derhalve moet de grief inzake schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming worden aanvaard voor zover deze strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover het op verzoekster het criterium toepast van „steun aan de nucleaire proliferatie”, en moet deze voor het overige worden verworpen, namelijk voor zover deze strekt tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover het op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast.
– Litigieuze handelingen
105
Op 1 september 2014 heeft de Raad verzoekster individueel in kennis gesteld van de motivering van de litigieuze handelingen, die in punt 24 hierboven uiteen is gezet.
106
Uit punt 93 hierboven volgt dat die motivering, gelet op de eisen van de rechtspraak, als toereikend kon worden beschouwd wat betreft de toepassing op verzoekster van zowel het criterium van „zeggenschap”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, als dat van „steun aan de Iraanse regering”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012.
107
Bovendien stelt de Raad dat hij aan verzoekster alle bewijsmateriaal heeft overgelegd waarop deze motivering was gebaseerd (punt 25 hierboven).
108
Verzoekster heeft deze motivering kunnen betwisten, evenals de elementen die er de basis van vormden, zelfs voordat de litigieuze handelingen werden vastgesteld, met name bij de brieven van 17 september 2014 (punt 26 hierboven) en 15 januari 2015 (punt 30 hierboven).
109
Verzoekster heeft bovendien haar recht op een voorziening in rechte daadwerkelijk kunnen uitoefenen, door met name in het kader van het onderhavige beroep aan te voeren dat zij „de regering niet meer financiële steun verleen[de] dan andere centrale banken in de wereld”, „[l]aat staan [...] het soort steun zoals bedoeld in de bestreden handelingen, te weten steun aan activiteiten inzake nucleaire proliferatie”.
110
Bijgevolg zijn verzoeksters rechten van verdediging en haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming volledig geëerbiedigd bij het vaststellen van de litigieuze handelingen.
111
Dientengevolge moet de grief inzake schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming worden verworpen, voor zover deze strekt tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen.
112
Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel slechts moet worden aanvaard voor zover het betrekking heeft op het litigieuze besluit en voor zover dit besluit op verzoekster het criterium van „steun aan de nucleaire proliferatie” toepast. Voor het overige moet het eerste middel worden verworpen.
113
Aangezien de in de punten 87, 94 en 104 hierboven vastgestelde onrechtmatigheden geen gevolg hebben voor de toepassing op verzoekster van het criterium van „zeggenschap” in de bestreden handelingen, en evenmin voor de toepassing van het criterium van „steun aan de Iraanse regering” in de litigieuze handelingen, kunnen deze onrechtmatigheden geen grond opleveren voor de nietigverklaring van die handelingen. Met betrekking tot de toetsing van de wettigheid van een besluit houdende vaststelling van beperkende maatregelen, heeft het Hof namelijk geoordeeld dat, gelet op de preventieve aard ervan, indien de Unierechter vaststelt dat ten minste één van de genoemde redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt, de omstandigheid dat andere van die redenen dat niet zijn, niet kan leiden tot de nietigverklaring van dat besluit (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 130).
114
Bijgevolg moet worden voortgegaan met het onderzoek van het tweede middel, waarbij slechts moet worden uitgezocht of, voor zover de Raad het criterium van „zeggenschap” heeft toegepast in de bestreden handelingen en dat van „steun aan de Iraanse regering” in de litigieuze handelingen, hij bij al die handelingen blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout.
Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout
115
Verzoekster verwijt de Raad blijk te hebben gegeven van een kennelijke beoordelingsfout door na een nieuwe evaluatie te besluiten in de bestreden handelingen de plaatsing van haar naam op de lijst te handhaven. Zij merkt op dat de enige redenen die haar zijn medegedeeld om het handhaven van die plaatsing te rechtvaardigen, onjuist zijn, aangezien zij geen banden heeft met de belangen van het „Daftar” en ook niet bijdraagt aan de financiering van de „strategische belangen van het regime”, of meer in het bijzonder van de nucleaire proliferatie. De Raad zou hebben verzuimd rekening te houden met het feit dat zij zou zijn opgezet en zou functioneren als een gewone particuliere bank. De directieleden van de bank zouden zijn gekozen vanwege hun competenties en hun kwaliteiten en geen van hen zou zijn benoemd door het „Daftar” of zou daar banden mee onderhouden. Zij zou haar diensten en haar leningen eerder aan particulieren en aan ondernemingen verstrekken dan aan overheidsentiteiten. Zelfs als de Foundation haar meerderheidsaandeelhoudster blijft, zou dat niet kunnen rechtvaardigen dat haar naam op de litigieuze lijst wordt gehandhaafd, want zowel de Foundation als het Daftar zou ten opzichte van de regering of de Iraanse uitvoerende macht autonoom functioneren, hetzij om institutionele en organisatorische redenen, hetzij op grond van het grondwettelijke beginsel van de scheiding der machten, vermeld in artikel 57 van de Iraanse grondwet. De Raad zou in casu niet het enige criterium hebben toegepast op grond waarvan volgens de rechtspraak het vaststellen van een maatregel tot bevriezing van tegoeden ten aanzien van een persoon of een entiteit is toegestaan, namelijk dat van het verlenen van steun aan de Iraanse regering, welke steun bovendien niet louter indirect mag zijn, maar noodzakelijkerwijs direct moet zijn. Gelijk de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zou de Raad de conclusies moeten trekken uit het arrest van 4 juni 2014, Sina Bank/Raad (T‑7/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:348), dat zou gelasten de maatregel tot bevriezing van haar tegoeden te beëindigen.
116
De Raad betwist verzoeksters argumenten en concludeert tot ongegrondverklaring van het tweede middel.
117
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof, vereist de rechterlijke toetsing van een handeling tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen een persoon of een entiteit met name dat de Unierechter zich ervan vergewist dat de betrokken handeling berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de motivering waarop die handeling steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor die handeling, zijn gestaafd (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118
Met het oog daarop moet de Unierechter voor dat onderzoek in voorkomend geval de bevoegde autoriteit van de Unie verzoeken om overlegging van voor een dergelijk onderzoek relevante informatie en bewijzen, vertrouwelijk of niet (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 65en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119
Het staat namelijk aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het ontlastende bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120
Om te beginnen volgt uit de in de punten 117 tot en met 119 hierboven aangehaalde rechtspraak dat de toetsing van het Gerecht in casu niet is beperkt tot een toetsing van een kennelijke beoordelingsfout. Bijgevolg behoeft niet stil te worden gestaan bij het feit dat de door de Raad begane fout volgens verzoekster een kennelijke fout zou zijn.
Litigieus besluit
121
Zoals is opgemerkt in de punten 75 en 78 tot en met 81 hierboven volgt uit de in de punten 5 en 16 hierboven uiteengezette aanvankelijke en aanvullende motivering van het litigieuze besluit dat dit besluit met name berust op de toepassing op verzoekster van het criterium van „zeggenschap”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012 en met name is gebaseerd op de omstandigheid dat verzoekster werd gecontroleerd door de Foundation en via deze door de opperste leider.
122
Verzoeksters argumenten kunnen in wezen aldus worden opgevat dat de Raad wordt verweten in het litigieuze besluit blijk te hebben gegeven van een beoordelingsfout die erin bestaat dat hij van mening was dat zij werd gecontroleerd door een persoon of een entiteit van wie is vastgesteld dat die betrokken is bij, direct verband houdt met of steun biedt aan de nucleaire proliferatie in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012.
123
In dit verband berust de toepassing van het criterium van „zeggenschap” op het bestaan van een niet te verwaarlozen risico dat, wanneer de tegoeden van een persoon of een entiteit van wie is vastgesteld dat deze betrokken is bij de nucleaire proliferatie, zijn bevroren, deze de personen en de entiteiten die onder zijn of haar zeggenschap staan of van wie hij of zij de eigenaar is, onder druk zet om te ontsnappen aan de gevolgen van de tegen hem of haar genomen maatregelen door hen ertoe aan te zetten hetzij hem of haar direct of indirect hun tegoeden over te maken, hetzij transacties te verrichten die hij of zij zelf niet kan uitvoeren vanwege het feit dat zijn of haar tegoeden zijn bevroren (zie in die zin arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 58). Gelet op dit risico is het bevriezen van de tegoeden van de personen en de entiteiten die worden gecontroleerd door de persoon of de entiteit van wie de tegoeden zijn bevroren een noodzakelijke en geschikte maatregel om de doeltreffendheid van de vastgestelde maatregelen te verzekeren en te waarborgen dat die maatregelen niet zullen worden omzeild (zie in die zin artikel van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 58).
124
Artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012 schrijven de Raad aldus voor om de tegoeden te bevriezen van iedere persoon of iedere entiteit die wordt gecontroleerd door een persoon of een entiteit van is vastgesteld dat die zich bezighoudt met, rechtstreeks betrokken is bij, dan wel steun verleent aan de nucleaire proliferatie, zonder dat de op een dergelijke grondslag vastgestelde maatregel moet worden gemotiveerd door het feit dat de gecontroleerde persoon of entiteit zelf zich met die proliferatie bezighoudt (zie in die zin arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punten 39 en 40).
125
Gelet op de bewoordingen van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, dat – naar gelang de taalversie – betrekking heeft op de personen en de entiteiten van wie is „vastgesteld” dat zij bij de nucleaire proliferatie betrokken zijn, of die als zodanig zijn „geïdentificeerd”, en gelet op de rechtspraak met betrekking tot de toepassing van het in de punten 123 en 124 hierboven genoemde criterium van „zeggenschap”, mag de Raad slechts beperkende maatregelen vaststellen ten aanzien van personen en entiteiten van wie de namen zijn geplaatst op een lijst van personen en entiteiten waarop de beperkende maatregelen van toepassing zijn, omdat zij worden gecontroleerd door personen of entiteiten van wie is „vastgesteld” dat zij zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan de nucleaire proliferatie, of die als zodanig zijn „geïdentificeerd”.
126
In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (punt 42 hierboven) heeft de Raad aangegeven dat ten tijde van de vaststelling van het litigieuze besluit de naam van de Foundation noch de naam van de opperste leider was geplaatst op de lijst die de namen bevatte van de personen of de entiteiten van wie officieel was „vastgesteld” dat zij zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan de nucleaire proliferatie – of die als zodanig waren „geïdentificeerd” – in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, en die om die reden moeten worden onderworpen aan beperkende maatregelen, zoals het bevriezen van hun tegoeden. Bijgevolg is in casu geen sprake van het risico op omzeiling van maatregelen tot bevriezing van tegoeden dat, zoals in punt 123 hierboven in herinnering is gebracht, normaliter de toepassing van het criterium van „zeggenschap” rechtvaardigt.
127
Doordat de naam van de opperste leider en de naam van de Foundation op het moment waarop het litigieuze besluit werd vastgesteld, niet op de litigieuze lijst waren geplaatst, mocht de Raad dat besluit niet vaststellen, voor zover dat op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast.
128
Iedere andere oplossing zou verzoekster overigens in een uiterst ongunstige procedurele positie brengen, wat betreft de verdediging van haar rechten en haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming, aangezien zij, om de tegen haar genomen beperkende maatregelen te betwisten, er eventueel toe zou kunnen worden gebracht de verantwoordelijkheid van de opperste leider en de Foundation bij de nucleaire proliferatie te betwisten, zonder erop te kunnen rekenen dat zij in dit opzicht zou worden bijgestaan door de opperste leider en de Foundation, tegen wie geen enkele beperkende maatregel is vastgesteld.
129
De Raad heeft in het litigieuze besluit dus blijk gegeven van een beoordelingsfout door op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toe te passen.
130
Bijgevolg dient in zoverre het tweede middel te worden toegewezen en moet worden vastgesteld dat het litigieuze besluit ongegrond is, voor zover het op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepast.
131
Het litigieuze besluit moet derhalve nietig worden verklaard, aangezien het deels ontoereikend gemotiveerd is (punt 87 hierboven) en ingaat tegen het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming (punt 104 hierboven) en deels ongegrond is (punt 130 hierboven).
Litigieuze handelingen
132
Zoals in de punten 90 en 91 hierboven is opgemerkt, volgt uit de in punt 24 hierboven uiteengezette motivering van de litigieuze handelingen dat deze met name berust op de toepassing op verzoekster van het criterium van „zeggenschap”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012, en is in dit verband met name gebaseerd op de omstandigheid dat zij werd gecontroleerd door de Foundation en via deze door de opperste leider.
133
Verzoeksters argumenten kunnen in wezen aldus worden opgevat dat de Raad wordt verweten in het litigieuze besluit blijk te hebben gegeven van een beoordelingsfout die erin bestaat dat hij van mening was dat zij onder zeggenschap stond van een persoon of een entiteit van wie is vastgesteld dat deze betrokken is bij, direct verband houdt met of steun biedt aan de nucleaire proliferatie in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012.
134
Om de in de punten 123 tot en met 125 hierboven uiteengezette redenen mag de Raad slechts beperkende maatregelen vaststellen ten aanzien van personen en entiteiten die worden gecontroleerd door personen of entiteiten van wie de namen zijn geplaatst op een lijst van personen en entiteiten op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, als personen of entiteiten van wie is „vastgesteld” dat zij zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan de nucleaire proliferatie, of die als zodanig zijn „geïdentificeerd”.
135
In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (punt 42 hierboven) heeft de Raad erkend dat ten tijde van de vaststelling van de litigieuze handelingen de naam van de Foundation noch de naam van de opperste leider waren geplaatst op de litigieuze lijst, die de namen bevatte van de personen of de entiteiten van wie officieel was vastgesteld dat zij zich bezighielden met, rechtstreeks betrokken waren bij, dan wel steun verleenden aan de nucleaire proliferatie – of die als zodanig waren geïdentificeerd – in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012. Bijgevolg mocht de Raad die handelingen niet vaststellen, voor zover zij op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepasten.
136
De Raad heeft derhalve blijk gegeven van een beoordelingsfout in de litigieuze handelingen door op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toe te passen.
137
Bijgevolg zijn de litigieuze handelingen ongegrond voor zover zij op verzoekster het criterium van „zeggenschap” toepassen.
138
Aangezien de litigieuze handelingen evenwel zijn gebaseerd op de toepassing van twee verschillende criteria, volstaat louter deze inhoudelijke fout niet om de nietigverklaring van die handelingen te rechtvaardigen, overeenkomstig de in punt 113 hierboven aangehaalde rechtspraak, volgens welke het voor het rechtvaardigen van de toepassing van die maatregelen toereikend is om één enkel criterium uit de regelgeving houdende beperkende maatregelen in acht te nemen.
139
Zoals is opgemerkt in punt 90 hierboven volgt uit de in punt 24 hierboven uiteengezette motivering van de litigieuze handelingen namelijk dat zij tevens berusten op de toepassing op verzoekster van het criterium van „steun aan de Iraanse regering”, vermeld in artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en in artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, en meer in het bijzonder op de omstandigheid dat verzoekster „financiële diensten [zou verlenen] aan de Foundation [...] en haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven”.
140
Voor zover de Raad in zijn schrifturen verwijst naar de door verzoekster verrichte overmaking ten gunste van de Foundation van „dividenden en premies”, en met name naar het feit dat uit verzoeksters statuten en uit haar jaarrekening voor het boekjaar dat eindigde op 20 maart 2010 – die als bijlagen bij het verzoekschrift zijn overgelegd – blijkt dat de Foundation, in haar hoedanigheid van aandeelhoudster, aanzienlijke dividenden en premies ontvangt, kan met deze argumenten geen rekening worden gehouden, aangezien zij geen verband houden met de specifieke motivering in de litigieuze handelingen om de toepassing op verzoekster van het criterium van „steun aan de Iraanse regering” te rechtvaardigen, namelijk dat zij „financiële diensten [zou verlenen] aan de Foundation [...] en aan haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven”.
141
Het uitkeren van dividenden en premies door een vennootschap aan haar aandeelhouders kan namelijk niet worden gelijkgesteld aan het door haar aan hen verlenen van een financiële dienst. Onder het mom van die argumentatie poogt de Raad dus andere elementen aan te voeren dan die op de grondslag waarvan de litigieuze handelingen zijn vastgesteld.
142
De rechtmatigheid van bestreden handelingen kan slechts worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens op basis waarvan zij zijn vastgesteld en het Gerecht kan niet instemmen met het verzoek van de Raad om tenslotte over te gaan tot een vervanging van de redenen waarop die handelingen zijn gegrond (zie in die zin arrest van 26 oktober 2012, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑63/12, EU:T:2012:579, punt 29).
143
Bijgevolg kan geen rekening worden gehouden met de argumenten van de Raad die zijn gebaseerd op de uitkering van dividenden of premies aan de Foundation om de gegrondheid van de litigieuze handelingen te beoordelen, voor zover zij op verzoekster het criterium van „steun aan de Iraanse regering” toepassen.
144
In ieder geval beroept de Raad zich slechts op het uitkeren van dividenden en premies aan de Foundation, terwijl de motivering van de litigieuze handelingen verwijst naar financiële diensten die verzoekster niet slechts aan de Foundation zelf heeft verleend, maar ook aan haar „haar groep van ondergeschikte entiteiten en bedrijven”.
145
Bovendien verwijst de Raad in zijn schrifturen naar het feit dat uit verzoeksters statuten en uit haar jaarrekening voor het boekjaar dat eindigde op 20 maart 2010 blijkt dat de Foundation, als aandeelhoudster van verzoekster, „meewerkt aan een serie transacties waarbij [deze] betrokken is”.
146
Zelf voert verzoekster aan dat „de Raad geen enkel formeel bewijs heeft ingebracht dat aantoont dat [zij] voorrang heeft verleend aan een overheidsorgaan of aan een staatsbedrijf” en merkt zij op dat „[haar] cijfers en [haar] financiële rekeningen bevestigen dat vrijwel al [haar] leningen, kredieten en andere diensten [...] eerder worden aangeboden aan (en gebruikt door) particulieren en particulier gefinancierde bedrijven dan aan de regering en aan overheidslichamen” en dat „[haar] diensten en [haar] leningen [...] worden aangeboden aan (en gebruikt door) een traditionele klantenkring bestaande uit particulieren en bedrijven, en niet aan de regering en aan nationale instellingen en ondernemingen”, waarbij zij in dat verband verwijst naar een lijst met haar belangrijkste klanten voor de periode van maart tot en met november 2010, die als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd.
147
In dit verband zij eraan herinnerd dat het criterium van „steun aan de Iraanse regering”, waarmee de werkingssfeer van de beperkende maatregelen wordt uitgebreid om de op de Islamitische Republiek Iran uitgeoefende druk te verhogen, slechts de activiteit betreft van een persoon of entiteit die, zelfs los van enig direct of indirect verband dat met nucleaire proliferatie is vastgesteld, door het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan die proliferatie kan bevorderen, doordat daarbij aan de Iraanse regering steun in de vorm van middelen of materiële, financiële of logistieke faciliteiten wordt verleend die haar in staat stelt de proliferatie voort te zetten (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punten 118‑120, 140 en 141). Het criterium van „steun aan de Iraanse regering” betreft dus niet iedere vorm van steun die aan de Iraanse regering wordt verleend – hoe miniem of symbolisch ook – maar slechts die vormen van steun die door hun kwantitatieve of kwalitatieve belang die regering in staat kunnen stellen de nucleaire proliferatie voort te zetten. Het litigieuze criterium – onder het toezicht van de rechter van de Unie uitgelegd in samenhang met de doelstelling die erin bestaat druk uit te oefenen op de Iraanse regering teneinde haar te dwingen de nucleaire proliferatie te staken – bakent dus op objectieve wijze een beperkte categorie van personen en entiteiten af waarvan de tegoeden kunnen worden bevroren (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punt 119).
148
In casu betoogt de Raad niet dat verzoekster rechtstreeks financiële steun verleent aan de Iraanse regering, maar dat zij dergelijke steun „via de Foundation” verleent. Bijgevolg staat de Foundation, zelfs als deze wordt gekwalificeerd als „een grote Iraanse semioverheidsinstelling, die rechtstreeks door de [...] leider wordt gecontroleerd” volgens de motivering van de litigieuze handelingen niet zonder meer gelijk aan de Iraanse regering.
149
Een dergelijke indirecte toepassing van het criterium van „steun aan de Iraanse regering” is, ten aanzien van het doel dat met dat criterium wordt nagestreefd, slechts gerechtvaardigd – zoals in herinnering is gebracht in punt 147 hierboven – als is vastgesteld dat de persoon of de entiteit die optreedt als tussenpersoon hetzij zelf steun verleent aan de Iraanse regering, in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, hetzij door die regering wordt gebruikt om de nucleaire proliferatie voort te zetten.
150
In casu is niet aangetoond dat de Foundation steun verleende aan de Iraanse regering in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012.
151
Louter de door de Raad aangevoerde omstandigheid dat de Foundation „een grote Iraanse semioverheidsinstelling” is „die rechtstreeks door de [...] leider wordt gecontroleerd” volstaat niet om vast te stellen dat zij aan de Iraanse regering steun zou verlenen die door het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan die regering in staat zou kunnen stellen de nucleaire proliferatie voort te zetten, zoals vereist door de in punt 147 hierboven aangehaalde rechtspraak, of dat zij voor de Iraanse regering een instrument zou zijn voor de voortzetting van het beleid inzake nucleaire proliferatie.
152
Bovendien is de naam van de Foundation door de Raad niet op de litigieuze lijst geplaatst tussen de personen en entiteiten van wie is vastgesteld dat zij steun verlenen aan de Iraanse regering, in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, of die als zodanig zijn geïdentificeerd, of tussen de personen en entiteiten die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan de nucleaire proliferatie, in de zin van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 267/2012.
153
Ten slotte heeft de Raad in het kader van de onderhavige procedure geen enkel bewijs overgelegd waarmee zou worden aangetoond dat de Foundation steun zou verlenen aan de Iraanse regering of dat zij zich zou bezighouden met, rechtstreeks betrokken zou zijn bij, dan wel steun zou verlenen aan de nucleaire proliferatie.
154
In casu is dus niet voldaan aan de voorwaarden die een indirecte toepassing op verzoekster van het criterium van „steun aan de Iraanse regering” (punt 149 hierboven) zouden rechtvaardigen.
155
Aldus moet worden vastgesteld dat de Raad in de litigieuze handelingen blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout door op verzoekster het criterium van „steun aan de Iraanse regering” toe te passen.
156
Bijgevolg, en zelfs zonder dat het nodig is te onderzoeken of verzoekster aan de Foundation financiële diensten heeft verleend, moet het tweede middel worden aanvaard en moet worden vastgesteld dat de litigieuze handelingen ongegrond zijn, voor zover zij op verzoekster het criterium van „steun aan de Iraanse regering” toepassen.
157
De litigieuze handelingen moeten dus ongegrond worden verklaard.
158
Gelet op de conclusies die in de punten 131 en 157 hierboven zijn getrokken, dient het onderhavige beroep in zijn geheel te worden toegewezen en dienen alle bestreden handelingen nietig te worden verklaard.
Gevolgen in de tijd van de nietigverklaring van de bestreden handelingen
159
Zoals de Raad in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft aangegeven (punt 42 hierboven), zijn de gevolgen van de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijst opgeschort overeenkomstig artikel 26, lid 5, van besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/1863 van de Raad van 18 oktober 2015 (PB 2015, L274, blz. 174), van toepassing sinds 16 januari 2016, overeenkomstig artikel 1, van besluit (GBVB) 2016/37 van de Raad van 16 januari 2016 met betrekking tot de toepassingsdatum van besluit 2015/1863 (PB 2016, L 11 I, blz. 1). Het blijft evenwel een feit dat verzoekster, door de werking van besluit 2015/1008 en van uitvoeringsverordening 2015/1001 het risico loopt dat, zolang haar naam op de litigieuze lijst geplaatst blijft, de beperkende maatregelen tegen haar opnieuw worden ingevoerd ingeval de Islamitische Republiek Iran niet de verplichtingen zou nakomen waarmee zij heeft ingestemd ten aanzien van de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Volksrepubliek China, de Verenigde Staten van Amerika en de Russische Federatie, gesteund door de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, in het kader van een gezamenlijk actieplan waarin wordt geschetst hoe een alomvattende langetermijnoplossing voor de nucleaire proliferatie zou moeten worden bereikt.
160
Wat uitvoeringsverordening 2015/1001 betreft, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, en in afwijking van artikel 280 VWEU eerst effect kunnen sorteren na afloop van de termijn voor hogere voorziening als bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van dit Statuut of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat deze hogere voorziening is afgewezen.
161
In casu is uitvoeringsverordening 2015/1001 een verordening in de zin van artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van de Europese Unie, aangezien artikel 2 ervan bepaalt dat zij verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, hetgeen overeenkomt met de werking van een verordening, zoals bepaald in artikel 288 VWEU (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Raad/Bank Saderat Iran, C‑200/13 P, EU:C:2016:284, punt 121). Artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is dus van toepassing op uitvoeringsverordening 2015/1001.
162
Overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt de Raad derhalve vanaf de betekening van het onderhavige arrest over een termijn van twee maanden, vermeerderd met de termijn wegens afstand van tien dagen, om de vastgestelde schendingen met betrekking tot uitvoeringsverordening 2015/1001 ongedaan te maken door, in voorkomend geval, nieuwe beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster vast te stellen.
163
Wat betreft besluit 2015/1008, kan het Hof, volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU, zo het dit nodig oordeelt, bepalen welke gevolgen van de nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd. In casu zou het bestaan van een verschil tussen de datum waarop de beslissing tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2015/1001 effect sorteert en die waarop besluit 2015/1008 niet langer effect sorteert, een ernstige inbreuk op de rechtszekerheid met zich mee kunnen brengen, aangezien besluit 2015/1008 en uitvoeringsverordening 2015/1001 voorzien in de oplegging van identieke beperkende maatregelen aan verzoekster. De gevolgen van besluit 2015/1008 moeten derhalve worden gehandhaafd, voor zover bij dat besluit verzoeksters naam wordt gehandhaafd op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, tot op de datum waarop het onderhavige arrest effect sorteert, voor zover daarbij uitvoeringsverordening 2015/1001 nietig wordt verklaard, voor zover daarbij verzoeksters naam wordt gehandhaafd op de lijst in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 [zie in die zin arrest van 6 september 2013, Persia International Bank/Raad, T‑493/10, EU:T:2013:398, punt 129(niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
164
Aangezien de andere bestreden handelingen thans geen gevolgen meer sorteren, heeft de toepassing van artikel 264, tweede alinea, VWEU, daarop geen betrekking.
Kosten
165
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoekster in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het besluit van de Raad van de Europese Unie dat is vervat in de kennisgeving van 15 maart 2014 aan de personen en entiteiten op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn die worden genoemd in besluit 2010/413/GBVB van de Raad en verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, om de plaatsing te handhaven van de naam van Sina Bank op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010, en in bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010, wordt nietig verklaard.
2)
Besluit 2014/776/GBVB van de Raad van 7 november 2014 tot wijziging van besluit 2010/413, uitvoeringsverordening (EU) nr. 1202/2014 van de Raad van 7 november 2014 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012, besluit (GBVB) 2015/1008 van de Raad van 25 juni 2015 tot wijziging van besluit 2010/413, en uitvoeringsverordening (EU) 2015/1001 van de Raad van 25 juni 2015 tot uitvoering van verordening nr. 267/2012, worden nietig verklaard voor zover daarbij de plaatsing van de naam van Sina Bank is gehandhaafd op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, of in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012.
3)
De gevolgen van besluit 2015/1008 worden gehandhaafd, wat Sina Bank betreft, vanaf de datum van de inwerkingtreding ervan tot en met de datum waarop de in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde termijn voor hogere voorziening tegen het onderhavige arrest afloopt of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening tegen het onderhavige arrest wordt ingediend, tot de datum waarop deze hogere voorziening wordt afgewezen.
4)
De Raad wordt verwezen in de kosten.
Kanninen
Pelikánová
Buttigieg
Aldus uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 oktober 2016.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
1. Beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran
2. Beperkende maatregelen tegen verzoekster
Feiten die hebben plaatsgehad na het instellen van onderhavig beroep
Procedure en conclusies van partijen
In rechte
1. Ontvankelijkheid
Ontvankelijkheid van de eerste vordering, voor zover deze betrekking heeft op de nietigverklaring van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, voor zover zij verzoekster betreft
Ontvankelijkheid van de derde vordering
2. Ten gronde
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht, het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming
Schending van de motiveringsplicht
– Litigieus besluit
– Litigieuze handelingen
Schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming
– Litigieus besluit
– Litigieuze handelingen
Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout
Litigieus besluit
Litigieuze handelingen
Gevolgen in de tijd van de nietigverklaring van de bestreden handelingen
Kosten
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy