ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
4 mei 2017 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring — EFRO — Artikel 41, lid 3, van verordening (EG) nr. 1083/2006 — Weigering van een financiële bijdrage aan een groot project — Onderneming die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het project — Niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑512/14,
Green Source Poland sp. z o.o., gevestigd te Warschau (Polen), vertegenwoordigd door M. Merola en L. Armati, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Clausen en B.‑R. Killmann, vervolgens door B.‑R. Killmann en R. Lyal als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een beroep krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2014) 2289 final van de Commissie van 7 april 2014 waarbij deze instelling heeft geweigerd een financiële bijdrage uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) te verstrekken voor het grote project „Aankoop en tenuitvoerlegging van innovatieve productietechnologie inzake biobestanddelen, met het oog op de vervaardiging van biobrandstoffen”, dat deel uitmaakte van het operationele programma „Innovatieve economie” voor structurele bijstand in het kader van de convergentiedoelstelling in Polen,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, I. Ulloa Rubio en A. Marcoulli (rapporteur), rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 november 2016,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 1 oktober 2007 heeft de Europese Commissie bij besluit C(2007) 4562 het operationele programma „Innovatieve economie” goedgekeurd dat was voorgesteld door de Republiek Polen krachtens artikel 32 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25).
2
Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster, Green Source Poland sp. z o.o., een privaatrechtelijke Poolse vennootschap die in december 2004 is opgericht met het enkele doel om in Polen een bio-ethanolfabriek op te zetten en te bedrijven, na de vaststelling van de nationale bepalingen voor de tenuitvoerlegging van het operationele programma „Innovatieve economie”, op 12 mei 2008 een aanvraag van subsidie voor het project „Aankoop en tenuitvoerlegging van innovatieve productietechnologie inzake biobestanddelen, met het oog op de vervaardiging van biobrandstoffen” (hierna: „project”) heeft ingediend bij de Poolse autoriteiten en op 25 april 2012 een overeenkomst heeft gesloten met de Poolse autoriteiten voor de toekenning van een subsidie voor de tenuitvoerlegging van dit project in het kader van het operationele programma „Innovatieve economie” (hierna: „overeenkomst”).
3
Uit de overeenkomst blijkt dat de subsidie, die diende voor de financiering van een deel van de subsidiabele uitgaven van het betrokken grote project, door de Republiek Polen voor 85 % gefinancierd was met een bijdrage uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en voor 15 % met nationale overheidsmiddelen (zie artikel 1, lid 4, van de overeenkomst). Bovendien was bedongen dat de overeenkomst, als de Commissie overeenkomstig artikel 41, lid 3, van verordening nr. 1083/2006 zou weigeren bij te dragen aan de middelen, zou worden beëindigd op de datum waarop kennis zou worden gegeven van het besluit van de Commissie aan de begunstigde (zie artikel 5, lid 24, van de overeenkomst) en dat de begunstigde zich er in een dergelijk geval toe verbond alle of het deel van de door de Poolse autoriteiten al betaalde middelen terug te betalen (zie artikel 5, lid 26, van de overeenkomst).
4
Op 10 september 2012 heeft de Republiek Polen krachtens de artikelen 39 tot en met 41 van verordening nr. 1083/2006 bij de Commissie een aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFRO voor het project ingediend. In de aanvraag van de bijdrage, ingediend door de Republiek Polen overeenkomstig bijlage XXII van verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1083/2006 en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het EFRO (PB 2006, L 371, blz. 1), wordt de Poolse minister van Regionale Ontwikkeling aangewezen als „autoriteit verantwoordelijk voor de aanvraag” en verzoekster als „organisatie verantwoordelijk voor de verwezenlijking van het project (begunstigde)”.
5
Bij schrijven van 27 november 2012 aan de Republiek Polen heeft de Commissie twijfels geuit over de vraag of zij bijstand van het EFRO aan het project kon bevestigen, gelet op met name bepaalde problemen die betrekking hebben op de context van de herziening van het regelgevingskader voor biobrandstoffen, het gebrek aan innovativiteit van het project, het ontbreken van informatie in het haalbaarheidsonderzoek en staatssteun, en heeft zij de Republiek Polen uitgenodigd te overwegen het project terug te trekken en, in voorkomend geval, nieuwe informatie te verstrekken.
6
Bij schrijven van 25 januari 2013 heeft de Republiek Polen geantwoord op de opmerkingen van de Commissie en onder meer een document doen toekomen met de antwoorden van verzoekster op de vragen van de Commissie.
7
Bij schrijven van 6 mei 2013 aan de Republiek Polen heeft de Commissie haar standpunt gehandhaafd dat het project niet voldeed aan bepaalde voorwaarden die in artikel 40 van verordening nr. 1083/2006 zijn neergelegd, gelet op het ontbreken van innovativiteit, de twijfels over de economische levensvatbaarheid en het ontbreken van bepaalde gegevens in de milieu-effectverklaring.
8
Bij schrijven van 5 juli 2013 heeft de Republiek Polen geantwoord op de opmerkingen van de Commissie en een document doen toekomen met de antwoorden van verzoekster op de vragen van de Commissie.
9
Op 17 juli 2013 is op verzoek van verzoekster in Brussel (België) een bijeenkomst gehouden van de vertegenwoordigers van verzoekster en de diensten van de Commissie.
10
Bij schrijven van 24 juli 2013 aan de Republiek Polen heeft de Commissie haar standpunt bevestigd dat het project niet voldeed aan bepaalde voorwaarden die in artikel 40 van verordening nr. 1083/2006 zijn neergelegd, gelet op het ontbreken van innovativiteit, de twijfels over de economische levensvatbaarheid, de gevolgen voor het milieu en de samenhang met het milieubeleid van de Europese Unie, en heeft zij de Republiek Polen uitgenodigd haar opmerkingen in te dienen, waarbij zij duidelijk heeft gemaakt dat zij een afwijzend besluit zou nemen voor het project als haar evaluatie bevestigd zou worden.
11
Bij schrijven van 24 september 2013 heeft de Republiek Polen geantwoord op de opmerkingen van de Commissie en een document doen toekomen met de antwoorden van verzoekster op de vragen van de Commissie.
12
Op 7 april 2014 heeft de Commissie krachtens artikel 41, lid 3, van verordening nr. 1083/2006 besluit C(2014) 2289 final (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld, waarbij zij een financiële bijdrage aan het project heeft geweigerd (artikel 1). Bij het bestreden besluit is nader bepaald dat alle uitgaven voor het project in een uitgavenstaat die dateert van voor het besluit, moeten worden gecorrigeerd in de daaropvolgende uitgavenstaat (artikel 2). Het bestreden besluit is gericht tot de Republiek Polen (artikel 3).
Procedure en conclusies van partijen
13
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 juni 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, waarmee zij het Gerecht verzoekt:
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
14
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 oktober 2014, heeft de Commissie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarmee zij het Gerecht verzoekt:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
15
Op 21 november 2014 heeft verzoekster haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid neergelegd ter griffie van het Gerecht en het Gerecht verzocht:
—
de bezwaren van de Commissie af te wijzen en het beroep ontvankelijk te verklaren;
—
een termijn voor het antwoord van de Commissie ten gronde vast te stellen;
—
de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding in deze instantie.
16
Bij beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 25 maart 2015 is de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde gevoegd en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
17
Op 7 mei 2015 heeft de Commissie haar verweerschrift ter griffie van het Gerecht ingediend, waarmee zij het Gerecht verzoekt:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
18
Op 3 juli 2015 heeft verzoekster een repliek neergelegd ter griffie van het Gerecht en op 22 september 2015 heeft de Commissie ter griffie van het Gerecht een dupliek neergelegd.
19
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 november 2015, heeft verzoekster om een pleitzitting verzocht.
20
Bij akte, neergelegd op 14 december 2015 ter griffie van het Gerecht, heeft de Commissie verzocht de onderhavige zaak te voegen met de zaak die is ingeschreven onder nummer T‑403/15, JYSK/Commissie. Op 6 januari 2016 heeft verzoekster opmerkingen ingediend over het verzoek tot voeging. Bij beslissing van 18 maart 2016 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht beslist de twee zaken in dit stadium van de procedure niet te voegen.
21
Ter terechtzitting van 24 november 2016 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
In rechte
Opmerkingen vooraf
22
Overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van deze bepaling vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen besluiten die tot hem zijn gericht en tegen besluiten die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een besluit gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.
23
Bovendien staat beroep tot nietigverklaring volgens vaste rechtspraak van het Hof open tegen alle handelingen en besluiten van de instellingen van de Unie die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de verzoeker in zijn belangen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie in die zin arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9, en 20 september 2016, Mallis e.a./Commissie en ECB, C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
In casu staat vast dat het bestreden besluit, enerzijds, geen regelgevingshandeling is die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, en, anderzijds, van dit besluit kennis is gegeven door de Commissie aan de Republiek Polen, zodat verzoekster niet kan worden beschouwd als degene tot wie dit besluit is gericht in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
25
Onder deze omstandigheden moet worden nagegaan of verzoekster kan worden ontvangen in haar beroep tot nietigverklaring van dat besluit omdat zij daardoor rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
Rechtstreekse geraaktheid van verzoekster
26
In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie met name dat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Zij stelt in wezen dat de betrokken lidstaat de enige is waartoe een besluit tot toekenning of weigering, zoals in casu, van een financiële bijdrage uit het EFRO aan een groot project is gericht en dat dit besluit voor verzoekster geen rechtstreekse rechtsgevolgen sorteert.
27
Verzoekster betwist de argumenten van de Commissie.
28
In haar verzoekschrift stelt verzoekster dat zij rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit want dat wijst haar enerzijds aan als „aanvrager” en heeft anderzijds tot onmiddellijk en rechtstreeks gevolg dat de noodzakelijke financiële middelen voor de tenuitvoerlegging van het project haar worden ontnomen, zodat zij belemmerd wordt bij de voortzetting ervan en de verliezen moet dragen uit de al verrichte uitgaven. Verzoekster voegt toe dat zij in de aanvraag van een financiële bijdrage wordt aangewezen als „verantwoordelijke voor de tenuitvoerlegging van het project en begunstigde”.
29
In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt verzoekster ten eerste dat de Commissie zich baseert op een te formele lezing van de rechtspraak, zonder rekening te houden met de economische en feitelijke factoren van het onderhavige geval. Verzoekster voert met name aan dat uit het dossier blijkt dat het project niet levensvatbaar was zonder de middelen van de Unie en dat de Republiek Polen niet voornemens was aanvullende middelen te verstrekken. Verzoekster bestrijdt ook de stelling van de Commissie dat het besluit haar niet belet alternatieve financiering te zoeken, want dat is in strijd met de opzet van het stelsel van publieke ondersteuning voor de regionale ontwikkeling, die is gebaseerd op het stimulerende effect van de subsidie.
30
Ten tweede stelt verzoekster met een beroep op de rechtspraak op het gebied van ontwikkelingssteun waarbij rechtstreekse geraaktheid is aangenomen in gevallen waarin de mogelijkheid voor de adressaten om geen gevolg te geven aan een maatregel van de Unie zuiver theoretisch is en er geen twijfel aan bestaat dat zij voornemens zijn zich daarnaar te voegen, dat de bevoegdheid van de Republiek Polen om geen gevolg te geven aan het bestreden besluit, zuiver theoretisch is. Zij voert aan dat uit het dossier blijkt dat de Poolse autoriteiten met hun verklaringen dat zij niet voornemens waren het project verder te financieren en door het ontbindingsbeding in de subsidieovereenkomst de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op verzoekster hebben overgedragen, dat onmiddellijke gevolgen sorteert voor haar en geen enkele manoeuvreerruimte laat aan de lidstaat. Verzoekster voegt toe dat de Commissie uit hoofde van de artikelen 39 tot en met 41 van verordening nr. 1083/2006 beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid en zij dus niet aansprakelijk zou kunnen worden gesteld als het beroep van de begunstigde van de financiering niet-ontvankelijk zou zijn, want de lidstaat aanvaardt in de regel het besluit, ziet af van het project (waarin hij geen rechtstreeks belang heeft) en gebruikt de middelen voor andere projecten.
31
Ten derde voert verzoekster aan dat het onderhavige geval verschilt van de gevallen waarop de rechtspraak over de besluiten van de Commissie tot vermindering of stopzetting van de steun in geval van onregelmatigheden bij het beheer van de fondsen betrekking heeft. Volgens verzoekster zijn de lidstaten in deze gevallen namelijk verantwoordelijk voor de selectie, de tenuitvoerlegging en het toezicht op de interventies, terwijl de grote projecten onderworpen zijn aan een voorafgaande individuele goedkeuring door de Commissie, waardoor elke aansprakelijkheid van de lidstaat bij de keuze of goedkeuring van de projecten is uitgesloten; in dat geval treedt de lidstaat louter op als tussenpersoon en heeft hij geen belang bij betwisting van het besluit van de Commissie, daar hij immers geen enkel juridisch risico loopt jegens de begunstigde vennootschap. Deze laatste kan dus geen enkele klacht indienen tegen de staat, aangezien de weigering van de bijdrage buiten de controle van de lidstaat valt en een automatische consequentie is van het besluit van de Commissie, dat voor de begunstigde rechtstreeks van belang is. Verzoekster merkt tot slot op dat deze benadering is bevestigd door het Gerecht in het arrest van 19 mei 1994, Consorzio gruppo di azione locale Murgia Messapica/Commissie (T‑465/93, EU:T:1994:56), waarvan de feitelijke en juridische omstandigheden overeenkomen met haar situatie.
32
Blijkens vaste rechtspraak wordt een natuurlijke of rechtspersoon door het besluit waartegen beroep is ingesteld slechts rechtstreeks geraakt als aan twee cumulatieve criteria is voldaan, namelijk dat de bestreden Uniemaatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en voorts aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unieregeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punt 45en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 9 juli 2013, Regione Puglia/Commissie, C‑586/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:459, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aan het tweede criterium, te weten het ontbreken van beoordelingsbevoegdheid van de betrokken lidstaat, is ook voldaan wanneer de mogelijkheid dat de lidstaat aan de handeling van de Unie geen gevolg zal geven, louter theoretisch is en het buiten twijfel staat dat hij vastbesloten is daaraan consequenties te verbinden (zie arresten van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 maart 2011, Caixa Geral de Depósitos/Commissie, T‑401/07, niet gepubliceerd, EU:T:2011:72, punt 61en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Er moet dus worden nagegaan of in casu aan de twee cumulatieve criteria is voldaan.
Eerste criterium voor rechtstreekse geraaktheid
34
Met betrekking tot het eerste criterium voor rechtstreekse geraaktheid dat in punt 32 supra is genoemd, moet ten eerste worden opgemerkt dat de aan de structuurfondsen toegewezen begroting van de Unie wordt uitgevoerd onder gedeeld beheer door de lidstaten en de Commissie in de zin van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1083/2006. Artikel 59 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1) bepaalt dat uitvoeringstaken aan de lidstaten worden gedelegeerd wanneer de Commissie de begroting in gedeeld beheer uitvoert. Inzonderheid worden het beheer en de selectie van de fondsen waarvan de begroting in gedeeld beheer wordt uitgevoerd, alsmede de controle daarvan in de zin van artikel 180 van verordening nr. 966/2012 geregeld in de verordeningen over die fondsen, te weten, verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake het EFRO en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1783/1999 (PB 2006, L 210, blz. 1) (voor het EFRO) en verordening nr. 1083/2006.
35
Ten tweede moet dientengevolge, om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te bepalen, rekening worden gehouden met het juridisch kader dat met name de selectie van de door het EFRO gefinancierde projecten, waaronder de grote projecten, regelt.
36
In dat perspectief blijkt uit de relevante bepalingen van verordening nr. 1083/2006 het volgende:
—
de doelstellingen van de structuurfondsen worden nagestreefd in het kader van nauwe samenwerking, genoemd partnerschap, tussen de Commissie en de lidstaat (zie artikel 11, lid 1, van verordening nr. 1083/2006);
—
de fondsen verlenen bijstand die een aanvulling vormt op nationale acties en hun bijdragen mogen niet in de plaats komen van de structurele uitgaven van de lidstaten (zie artikel 9, lid 1, en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1083/2006);
—
elke lidstaat dient bij de Commissie een nationaal strategisch referentiekader in dat garandeert dat de bijstand uit de fondsen coherent is met de strategische richtsnoeren van de Unie inzake cohesie, en dat een referentie-instrument vormt voor de voorbereiding van de programmering van de bijstand uit de fondsen (zie artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1083/2006);
—
het optreden van de fondsen in de lidstaten verloopt via operationele programma’s die worden opgesteld door de lidstaat en ingediend bij de Commissie ter beoordeling en goedkeuring (zie artikel 32, leden 1‑5, van verordening nr. 1083/2006);
—
de lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele programma’s en wijzen daartoe onder meer een managementautoriteit, een certificeringsautoriteit, eventueel bemiddelende instanties om sommige of alle van hun taken uit te voeren, en een auditautoriteit aan (zie artikel 58, artikel 59, leden 1 en 2, en artikel 70, lid 1, van verordening nr. 1083/2006). De managementautoriteit is belast met het beheer en de tenuitvoerlegging van het operationele programma en ziet er met name op toe „dat de concrete acties voor financiering worden geselecteerd met inachtneming van de voor het operationele programma geldende criteria en gedurende de hele uitvoeringsperiode in overeenstemming zijn met de geldende [Unie-] en nationale voorschriften” [zie artikel 60, onder a), van verordening nr. 1083/2006];
—
de lidstaat richt voor elk operationeel programma een comité van toezicht op, dat zich vergewist van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het operationele programma, met name door de criteria voor de selectie van de te financieren concrete acties te onderzoeken en goed te keuren (zie de artikelen 63 en 65 van verordening nr. 1083/2006);
—
elke concrete actie, te weten een project dat, of een groep projecten die ertoe strekt de doelstellingen van het operationele programma te verwezenlijken, wordt door de managementautoriteit van het betrokken operationele programma volgens de door het comité van toezicht vastgestelde criteria gekozen (zie artikel 2, punt 3, van verordening nr. 1083/2006);
—
als de lidstaat een groot project selecteert, te weten „uitgaven […] in verband met een geheel van werkzaamheden, activiteiten of diensten dat bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare functie van nauwkeurig omschreven economische of technische aard te vervullen, dat op duidelijk omschreven doelstellingen is gericht en waarvan de totale kosten hoger zijn dan 50 miljoen EUR” (zie artikel 39 van verordening nr. 1083/2006) en het opneemt in een operationeel programma met het oog op financiering door het EFRO, moet dat worden goedgekeurd door de Commissie zodat de opzet en de impact ervan, alsmede het geplande gebruik van de Uniemiddelen, worden geëvalueerd (zie overweging 49 van verordening nr. 1083/2006):
—
daartoe wordt het grote project door de lidstaat of zijn managementautoriteit ingediend bij de Commissie, waarbij de in artikel 40 van verordening nr. 1083/2006 bedoelde gegevens worden verstrekt (zie artikel 41, lid 1, van die verordening);
—
de lidstaat of de managementautoriteit dient het verzoek tot bijstand in overeenkomstig de aanvraagschema’s [met het opschrift „Groot project – Verzoek om bevestiging van de bijstand in het kader van de artikelen 39, 40 en 41 van verordening (EG) nr. 1083/2006”] in de bijlagen XX tot en met XXII bij verordening nr. 1828/2006 [zie artikel 40, lid 2, onder e), en lid 3, van die laatste verordening];
—
op basis van de gegevens in dit verzoek beoordeelt de Commissie de samenhang van het grote project met de prioriteiten van het operationele programma of de betrokken programma’s, de bijdrage tot het bereiken van de doelstellingen van deze prioriteiten en de coherentie met de andere beleidstakken van de Unie (zie artikel 41, lid 1, van verordening nr. 1083/2006);
—
mits het verzoek is ingediend overeenkomstig artikel 40 van verordening nr. 1083/2006 neemt de Commissie zo spoedig mogelijk een besluit, doch uiterlijk drie maanden nadat een groot project is ingediend (zie artikel 41, lid 2, van verordening nr. 1083/2006);
—
als het besluit van de Commissie positief is, wordt daarin de fysieke inhoud van het project omschreven, wordt het bedrag bepaald waarvoor het cofinancieringspercentage geldt en wordt het schema van de financiële bijdrage uit het fonds vastgesteld (zie artikel 41, lid 2, van verordening nr. 1083/2006);
—
als de Commissie weigert een bijdrage aan een groot project te verstrekken, geeft zij de lidstaat de redenen hiervan (zie artikel 41, lid 3, van verordening nr. 1083/2006);
—
als de Commissie weigert een bijdrage aan een groot project te verstrekken en de lidstaat al betalingen voor dat grote project heeft opgenomen in een uitgavenstaat die aan de Commissie is voorgelegd, dient de uitgavenstaat na het afwijzende besluit dienovereenkomstig te worden gecorrigeerd (zie artikel 78, lid 4, van verordening nr. 1083/2006).
37
Uit deze bepalingen volgt dat de handelingen met het oog op de beoordeling door de Commissie en de bevestiging (of niet) aan een lidstaat van een financiële bijdrage uit het EFRO voor een groot project zich enkel afspelen in het kader van de betrekkingen tussen de Commissie en die lidstaat (zie naar analogie beschikking van 6 maart 2012, Northern Ireland Department of Agriculture and Rural Development/Commissie, T‑453/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:106, punt 46).
38
Uit de in punt 36 supra in herinnering gebrachte bepalingen volgt namelijk dat het de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de selectie van de acties gefinancierd uit het EFRO, waaronder begrepen de grote projecten; dat het steeds de lidstaat is die na selectie van een groot project met het oog op financiering ervan uit het EFRO in het kader van een operationeel programma bij de Commissie een verzoek om bevestiging indient met de bijbehorende gegevens en die, in voorkomend geval, ze aanvult; dat de Commissie het grote project op die basis beoordeelt; dat het resultaat van de beoordeling door de Commissie enkel aan de lidstaat wordt medegedeeld en dat het, ingeval de Commissie een bijdrage aan een groot project weigert, aan de lidstaat is de al aan de Commissie voorgelegde uitgavenstaten met uitgaven voor dat grote project te corrigeren. Het is dus aan de betrokken lidstaat dat de Commissie een financiële bijdrage uit het EFRO voor een groot project toekent of weigert. Het is derhalve de betrokken lidstaat die de rechthebbende is van de betrokken financiële bijstand van de Unie (zie naar analogie beschikking van 9 juni 2016, IREPA/Commissie en Rekenkamer, T‑825/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:345, punt 38).
39
Dat strookt met de omstandigheid dat de bijstand uit het EFRO volgens de rechtspraak is opgezet als een systeem tussen de Commissie en de lidstaat (zie in die zin arrest van 3 maart 2011, Caixa General de Depósitos/Commissie, T‑401/07, niet gepubliceerd, EU:T:2011:72, punt 69).
40
Ten derde moet eraan worden herinnerd dat het gegeven dat in het besluit tot toekenning van financiële bijstand van de Unie uit hoofde van het EFRO een entiteit wordt aangewezen als autoriteit die verantwoordelijk is voor de verwezenlijking van het project, volgens vaste rechtspraak niet betekent dat deze entiteit zelf rechthebbende van die bijstand is. Het gegeven dat een entiteit wordt aangewezen als autoriteit die verantwoordelijk is voor de aanvraag van financiële bijstand heeft evenmin tot gevolg dat zij in een rechtstreekse betrekking tot de bijstand van de Unie komt te staan. Evenzo impliceert het gegeven dat een entiteit is aangewezen als begunstigde van financiële bijstand niet dat zij de rechthebbende is van deze bijstand. Het is de lidstaat als adressaat van het besluit tot toekenning van de financiële bijstand uit het EFRO die moet worden beschouwd als rechthebbende van die bijstand (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punten 47‑54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 14 september 2011, Regione Puglia/Commissie, T‑84/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:468, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook, naar analogie, beschikkingen van 21 mei 2015, APRAM/Commissie, T‑403/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:317, punten 36 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juni 2016, IREPA/Commissie en Rekenkamer, T‑825/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:345, punten 38‑40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Uit de in punt 40 supra bedoelde rechtspraak vloeit voort dat het in casu de Republiek Polen is, en niet verzoekster, die moet worden beschouwd als rechthebbende van de bijstand uit het EFRO voor het project.
42
Ten vierde moet eraan worden herinnerd dat het in casu, overeenkomstig de in punt 36 supra genoemde bepalingen, inderdaad de Republiek Polen is die op 10 september 2012 bij de Commissie een aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFRO voor het project heeft ingediend (zie punt 4 supra).
43
Bovendien heeft de Commissie bij het bestreden besluit deze financiële bijdrage geweigerd aan de Republiek Polen (zie punt 12 supra). Artikel 3 van het bestreden besluit noemt namelijk de Republiek Polen als enige adressaat van dat besluit. Daarnaast heeft artikel 1 van het bestreden besluit door de daarin besloten weigering om een bijdrage uit het EFRO toe te kennen tot gevolg dat de Republiek Polen haar eventuele uitgaven voor dat project niet kan toerekenen aan het EFRO. Artikel 2 van het bestreden besluit schrijft de Republiek Polen dan ook voor alle uitgaven voor dat grote project te corrigeren die in een van vóór dat besluit daterende uitgavenstaat aan de Commissie zijn voorgelegd.
44
Derhalve is het uit hoofde van het bestreden besluit de Republiek Polen waaraan een financiële bijdrage uit het EFRO is ontzegd voor de financiering van het project en die de eventueel al aan de Commissie voorgelegde uitgaven voor dat project moet corrigeren.
45
Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit geen gevolgen heeft voor de rechtspositie van verzoekster en derhalve in casu niet is voldaan aan het eerste criterium voor rechtstreekse geraaktheid.
46
Die conclusie wordt niet ontkracht door verzoeksters argumenten.
47
Ten eerste toont de omstandigheid dat verzoekster de Poolse autoriteiten heeft bijgestaan bij de voorbereiding van hun antwoorden op de brieven van de Commissie en dat zij heeft verzocht om een bijeenkomst met de diensten van de Commissie, waaraan zij heeft deelgenomen, niet aan dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen verzoekster en het bestreden besluit. Een dergelijk verband kan enkel worden aangetoond als de bestreden handeling rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van de verzoekende partij, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2010, Provincie Groningen en Provincie Drenthe/Commissie, T‑69/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:423, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Ten tweede impliceert de door verzoekster ingeroepen omstandigheid dat de overwegingen 6, 15 en 17 van het bestreden besluit, als gevolg van een ongelukkige redactie, naar haar verwijzen als „wnioskodawca” (aanvrager) en het aanvraagformulier dat door de Republiek Polen is ingediend, haar aanwijst als „Organisation responsible for project implementation (beneficiary)” [organisatie verantwoordelijk voor de uitvoering van het project (begunstigde)] (deel A.2.1 van het aanvraagformulier) en haar noemt in de beschrijving van het project (deel B.1.2 van het aanvraagformulier) niet dat zij in een rechtstreekse betrekking staat tot de financiële bijdrage uit het EFRO of dat zij zelf de rechthebbende is van die bijstand (zie naar analogie beschikkingen van 25 september 2008, Regione Siciliana/Commissie, T‑363/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:403, punt 25, en 14 september 2011, Regione Puglia/Commissie, T‑84/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:468, punt 34).
49
Ten derde stelt verzoekster dat de in punt 40 supra genoemde rechtspraak in casu niet van toepassing is omdat de verantwoordelijkheid voor de selectie en de uitvoering van en het toezicht op de projecten in die rechtspraak in zaken over de vermindering, de intrekking of de beëindiging van de bijstand bij de lidstaten lag en de Commissie geen enkele keuze maakte. Zij stelt dat de lidstaat in geval van grote projecten, zoals in casu, daarentegen louter optreedt als tussenpersoon en niet verantwoordelijk is voor de keuze of de goedkeuring van de projecten, die enkel aan de Commissie staan. Zij kan dus geen enkele klacht indienen tegen de lidstaat.
50
Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard.
51
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de in punt 40 supra bedoelde rechtspraak betrekking heeft zowel op acties die geen grote projecten zijn als op deze grote projecten (arrest van 2 mei 2006, Regione Siciliana/Commissie, C‑417/04 P, EU:C:2006:282, punt 1; beschikkingen van 8 juli 2004, Regione Siciliana/Commissie, T‑341/02, EU:T:2004:228, punt 16, en 25 september 2008, Regione Siciliana/Commissie, T‑363/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:403, punten 1 en 4).
52
Anders dan verzoekster aanvoert, blijkt uit de bepalingen van verordening nr. 1083/2006 die in punt 36 supra worden genoemd dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de selectie van de acties, waaronder van de grote projecten. De Commissie maakt geen selectie onder de grote projecten die door aanvragers aan de nationale autoriteiten worden voorgesteld, maar doet niets meer dan beoordelen, en dat uitsluitend jegens de lidstaten, van met name de samenhang en de bijdrage (in de zin van artikel 41, lid 2, van die verordening) van de grote projecten die de nationale autoriteiten al hebben geselecteerd en haar zijn voorgelegd om te bevestigen of zij een financiële bijdrage uit het EFRO ontvangen.
53
In dat verband kan de redenering in het arrest van 19 mei 1994, Consorzio gruppo di azione locale Murgia Messapica/Commissie (T‑465/93, EU:T:1994:56), ingeroepen door verzoekster, niet worden toegepast op de onderhavige zaak. Enerzijds moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 25 en 26 van dit arrest zijn analyse heeft gericht op de voorwaarde van individuele geraaktheid van de verzoeker en daarbij over de rechtstreekse geraaktheid enkel heeft aangegeven dat het bestreden besluit rechtstreekse rechtsgevolgen voor de verzoeker had teweeggebracht zonder enig optreden van andere nationale of Unie-instanties. Anderzijds blijkt uit punt 6 van de mededeling aan de lidstaten tot vaststelling van richtsnoeren voor globale subsidies waarvoor de lidstaten voorstellen kunnen indienen in het kader van een communautair initiatief voor plattelandsontwikkeling (PB 1991, C 73, blz. 33), dat in die zaak van toepassing was, dat de „lokale groepen” waarvoor de subsidie bestemd is „door de lidstaten en de Commissie worden geselecteerd op basis van voorstellen van de lidstaten die een ruimer karakter hebben”. Uit dat arrest blijkt namelijk dat de Italiaanse autoriteiten meerdere projecten aan de Commissie hadden voorgelegd en dat de Commissie daaruit bepaalde projecten had geselecteerd (arrest van 19 mei 1994, Consorzio gruppo di azione locale Murgia Messapica/Commissie, T‑465/93, EU:T:1994:56, punten 5‑12). In casu zijn de projecten, zoals is opgemerkt in punt 52 supra, niet geselecteerd door de Commissie, maar enkel door de nationale autoriteiten.
54
Bovendien is de in punt 40 supra bedoelde rechtspraak uitgewerkt in het kader van zaken waar de bijstand uit het EFRO aan de lidstaat was toegekend en vervolgens verminderd dan wel ingetrokken, zodat zij des te relevanter is als de bijstand uit het EFRO nog niet aan de lidstaat is toegekend en dus als de betrekking tussen de bijstand uit het EFRO en de entiteit die is aangewezen als verantwoordelijke voor de uitvoering van het project, verantwoordelijke voor de aanvraag of begunstigde van de bijstand nog minder rechtstreeks is.
55
Tot slot moet er met betrekking tot het argument van verzoekster dat deze rechtspraak in casu niet van toepassing is omdat zij geen enkele klacht kon indienen tegen de lidstaat en dus moest worden beschouwd als rechtstreeks geraakt door het bestreden besluit, aan worden herinnerd dat particulieren weliswaar effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die zij aan de rechtsorde van de Unie ontlenen, moeten kunnen genieten, maar dat het recht op een dergelijke bescherming niet kan afdoen aan de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Volgens vaste rechtspraak moet de rechterlijke bescherming van natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen handelingen van de Unie als het onderhavige besluit, doeltreffend worden verzekerd via beroepsmogelijkheden voor de nationale rechter. Overeenkomstig het in artikel 4 VWEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking moet deze de nationale regels van procesrecht betreffende het instellen van beroepen zo veel mogelijk aldus uitleggen en toepassen dat die personen in rechte kunnen opkomen tegen ieder besluit of andere nationale maatregel waarmee wat hen betreft een Uniehandeling als die in casu aan de orde wordt toegepast, door de ongeldigheid van deze Uniehandeling op te werpen en die rechter er zo toe te brengen daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punten 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 9 juni 2016, IREPA/Commissie en Rekenkamer, T‑825/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:345, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
In casu had verzoekster zich overeenkomstig het toepasselijke nationale recht voor de bevoegde nationale rechter met name kunnen verzetten tegen de beëindiging van de overeenkomst of tegen de terugbetaling waarom de Poolse autoriteiten hebben verzocht uit hoofde van die overeenkomst, door op te werpen dat het bestreden besluit dat aanleiding heeft gegeven tot de verzoeken, ongeldig is. Verzoekster had de nationale rechter er aldus toe kunnen aanzetten het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de geldigheid van het bestreden besluit.
57
Hoe dan ook moet worden benadrukt dat het vereiste van een effectieve rechterlijke bescherming er niet toe mag leiden dat de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid terzijde wordt gesteld (zie beschikking van 9 juni 2016, IREPA/Commissie en Rekenkamer, T‑825/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:345, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Ten vierde vloeien de beweerde negatieve omstandigheden die verzoekster heeft ingeroepen, te weten het ontnemen van de noodzakelijke middelen om het project ten uitvoer te leggen, de onmogelijkheid om het project voort te zetten en de verplichting de verliezen uit de al verrichte uitgaven te dragen, gesteld dat zij zouden worden aangetoond, noch voort uit het bestreden besluit zelf noch uit de bepalingen van het recht van de Unie die de gevolgen van een dergelijk besluit dienen te regelen, maar uit de consequenties die de Poolse autoriteiten en verzoekster in het kader van de overeenkomst aan dit besluit hebben toegewezen.
59
Het is namelijk artikel 5, leden 24 en 26, van de overeenkomst dat bedingt dat de overeenkomst wordt beëindigd in geval van een negatief besluit van de Commissie op het verzoek om bevestiging en, in dat geval, dat verzoekster de al van de Poolse autoriteiten ontvangen middelen moet terugbetalen, waaronder begrepen de middelen die niet uit het EFRO afkomstig zijn. Tussen verzoeksters rechtspositie en het bestreden besluit staan dus de consequenties en verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien (zie naar analogie beschikking van 6 juni 2002, SLIM Sicilia/Commissie, T‑105/01, EU:T:2002:147, punt 53).
Tweede criterium voor rechtstreekse geraaktheid
60
Volgens het tweede criterium voor rechtstreekse geraaktheid in punt 32 supra is de verzoekende partij niet rechtstreeks geraakt wanneer er sprake is van een autonome wil van de adressaat die zich tussen het besluit en de gevolgen ervan voor de verzoekende partij manifesteert. Indien de beslissing van de adressaat noch door het Unierecht noch door het specifieke besluit van de Commissie wordt voorgeschreven, maar op een zelfstandige beslissing van de lidstaat berust, dan is er tussen het besluit van de Commissie en de verzoekende partij geen rechtstreekse band (zie beschikking van 6 maart 2012, Northern Ireland Department of Agriculture and Rural Development/Commissie, T‑453/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:106, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
In casu heeft artikel 1 van het bestreden besluit tot gevolg dat een bijdrage uit het EFRO voor het project aan de Republiek Polen wordt geweigerd. Deze bepaling impliceert dus dat de eventuele uitgaven van de Republiek Polen voor dat project niet door het EFRO zullen worden gedekt.
62
Artikel 2 van het bestreden besluit verplicht de Republiek Polen overeenkomstig artikel 78, lid 4, van verordening nr. 1083/2006 de uitgavenstaten te corrigeren die al aan de Commissie zijn voorgelegd en uitgaven in verband met het project bevatten.
63
Onder deze omstandigheden vergt de uitvoering van het bestreden besluit door de Republiek Polen enkel dat deze uitgaven niet worden gedeclareerd aan de Commissie en voorts dat dergelijke uitgaven, als zij al aan de Commissie zijn gedeclareerd in een uitgavenstaat die dateert van vóór het bestreden besluit, in de daaropvolgende uitgavenstaat worden gecorrigeerd.
64
Vastgesteld moet dus worden dat de uitvoering van het door de Republiek Polen bestreden besluit geen enkele consequentie heeft voor verzoekster, uit hoofde van dat bestreden besluit zelf of de bepalingen van het recht van de Unie die de gevolgen ervan beheersen, omdat de gevolgen ervan beperkt zijn tot de betrekkingen tussen de Unie, met name het EFRO, en de Republiek Polen.
65
Het bestreden besluit belemmert verzoekster dus niet het project te verwezenlijken of de Republiek Polen om het te financieren met behulp van andere financiële middelen dan uit het EFRO. Het bestreden besluit dwingt de Republiek Polen evenmin om de overeenkomst te beëindigen of bedragen terug te vorderen die zij aan verzoekster had uitgekeerd voor de verwezenlijking van het project.
66
In punt 84 van de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Regione Siciliana/Commissie (C‑417/04 P, EU:C:2006:28), heeft hij daarover opgemerkt dat het, bij gebreke aan bijstand uit het EFRO:
„aan de betrokken [lidstaat staat] om over de toekomst van wat in feite haar eigen project is te beslissen. Zij beschikt hiervoor over verschillende oplossingen, zoals het project opgeven, schorsen of overdragen, maar zij heeft ook de bevoegdheid de kosten ten laste van haar begroting te brengen om de voltooiing van het project zeker te stellen. Hoewel [de weigering van een bijdrage nadelen heeft], geeft de Commissie, wanneer zij [de bijdrage weigert], geen oordeel of aanbeveling met betrekking tot de wijze waarop de lidstaat dient te handelen om de toekomst van zijn territoriale ontwikkelingsprojecten te bepalen”.
67
Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit geen enkele rechtstreekse consequentie heeft voor verzoekster, noch uit hoofde van het Unierecht noch uit hoofde van het besluit zelf, en in casu het tweede criterium voor rechtstreekse geraaktheid dus evenmin is vervuld.
68
Hieraan wordt niet afgedaan door de argumenten van verzoekster.
69
Ten eerste vloeit de door verzoekster ingeroepen omstandigheid dat de Poolse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij het project, zonder bijdrage uit het EFRO, niet verder zullen subsidiëren, gesteld dat die wordt aangetoond, geenszins voort uit het bestreden besluit en vormt zij hoe dan ook de weerslag van de autonome wil van deze autoriteiten, zonder dat in dat verband uit het bestreden besluit of uit het recht van de Unie een verplichting voortvloeit (zie naar analogie arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punt 56).
70
Overeenkomstig de rechtspraak kan het voornemen van de Republiek Polen om het project niet langer te financieren, namelijk niet volstaan als bewijs van het rechtstreeks belang dat op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, vereist is, want een lidstaat zou zodoende de mogelijkheid hebben te beslissen of de betrokken persoon bevoegd is om beroep in te stellen bij de rechters van de Unie (zie in die zin beschikkingen van 14 september 2011, Regione Puglia/Commissie, T‑84/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:468, punt 52, en 21 mei 2015, APRAM/Commissie, T‑403/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:317, punt 49).
71
Ten tweede kan op grond van het gegeven dat artikel 5, lid 24, van de overeenkomst zelf voorziet in de mogelijkheid van beëindiging ervan in geval van weigering van de bijdrage door de Commissie, zoals vermeld in punt 3 supra, evenmin worden geconcludeerd dat de Poolse autoriteiten uit hoofde van het bestreden besluit geen beoordelingsmarge hebben.
72
Om te beginnen berust een dergelijk argument, voor zover het bestaat in de stelling dat de overeenkomst, en niet de Unieregeling, geen beoordelingsmarge laat, op een onjuiste lezing van de in de punten 32 en 60 supra aangehaalde rechtspraak, volgens welke het ontbreken van een beoordelingsmarge juist moet voortvloeien uit het recht van de Unie (zie in die zin arrest van 14 september 2011, Regione Puglia/Commissie, T‑84/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:468, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Vervolgens moet naar analogie van de in de punten 69 en 70 supra geformuleerde overwegingen worden opgemerkt dat het gegeven dat de Poolse autoriteiten en verzoekster hebben besloten de overeenkomst te beëindigen indien de bijstand uit het EFRO wordt geweigerd, eveneens de weerslag vormt van hun autonome wil, zonder dat in dat verband uit het recht van de Unie een verplichting voortvloeit. Tot slot, als het enkele bestaan van een dergelijk beding zou volstaan als bewijs van het rechtstreeks belang dat op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, vereist is, zou dat erop neerkomen dat de partijen bij een dergelijke overeenkomst kunnen beslissen of de betrokken persoon bevoegd is om beroep in te stellen bij de rechters van de Unie en daarnaast dat de situatie van een persoon die beweerdelijk geraakt wordt door een besluit van de Commissie, anders wordt beoordeeld naargelang hij een dergelijke overeenkomst heeft gesloten met de nationale autoriteiten en naargelang de gangbare praktijk in de lidstaten.
74
Ten derde berust ook het argument dat verzoekster ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat de Republiek Polen niet vrij is andere middelen uit de nationale begroting voor het project te bestemmen, zelfs als deze omstandigheid wordt bewezen, gelet op de in punt 72 supra aangehaalde rechtspraak eveneens op een onjuiste lezing van het recht van de Unie, voor zover deze erin bestaat in te roepen dat een beoordelingsmarge ontbreekt krachtens het nationale recht en niet krachtens de Unieregeling.
75
Ten vierde kan de rechtspraak die verzoekster inroept ter onderbouwing van haar stelling dat de Poolse autoriteiten geen beoordelingsmarge hebben, namelijk de arresten van 23 november 1971, Bock/Commissie (62/70, EU:C:1971:108); 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, EU:C:1985:18); 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie (C‑386/96 P, EU:C:1998:193); 5 mei 1998, Compagnie Continentale (France)/Commissie (C‑391/96 P, EU:C:1998:194), en 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie (C‑403/96 P, EU:C:1998:195), in casu niet worden toegepast.
76
Het Hof heeft namelijk zelf geoordeeld dat de oplossing die in deze arresten is gekozen, van uitzonderlijke aard is en kan worden verklaard door de specifieke situaties waarvoor zij is gegeven, en dat die uitzonderlijke aard uit de bewoordingen van deze arresten zelf naar voren komt (zie in die zin beschikking van 6 maart 2014, Northern Ireland Department of Agriculture and Rural Development/Commissie, C‑248/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:137, punten 23 en 26). Het Hof heeft er dus aan herinnerd dat het bij wijze van uitzondering heeft geoordeeld dat de verzoeker rechtstreeks geraakt kan worden in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU wanneer andere factoren, waaronder de louter theoretische mogelijkheid geen gevolg te geven aan het litigieuze besluit, de conclusie rechtvaardigen dat er bij hem sprake is van een rechtstreeks belang (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punt 58, en beschikking van 6 maart 2014, Northern Ireland Department of Agriculture and Rural Development/Commissie, C‑248/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:137, punt 25).
77
Met name moet er met betrekking tot de arresten van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie (C‑386/96 P, EU:C:1998:193); 5 mei 1998, Compagnie Continentale (France)/Commissie (C‑391/96 P, EU:C:1998:194), en 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie (C‑403/96 P, EU:C:1998:195), aan worden herinnerd dat het Hof zich in deze arresten had gebaseerd op de sociaaleconomische context waarin de sluiting van de litigieuze leveringsovereenkomst was opgenomen, die werd gekenmerkt door de kritieke economische en financiële situatie waaraan de begunstigde het hoofd moest bieden en door de verslechtering van de voedsel- en geneesmiddelenvoorziening aldaar, en op het feit dat de betrokken graanleveringen onder die omstandigheden alleen konden worden betaald met de financiële middelen die de Unie ter beschikking stelde. De opschortende voorwaarde in de leveringsovereenkomst was dus niets anders dan de weerspiegeling van de objectieve economische afhankelijkheid van de leveringsovereenkomst van de door de Unie ter beschikking gestelde financiële middelen (zie in die zin arrest van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C‑386/96 P, EU:C:1998:193, punten 50 en 51).
78
In de onderhavige zaak is echter geen sprake van een analoge feitelijke en economische context, waarin verzoekster, zonder de bijdrage uit het EFRO, verstoken zou zijn van elke reële mogelijkheid om het project te verwezenlijken of over de daartoe noodzakelijke middelen te beschikken, aangezien de bijdrage uit het EFRO bij lange na niet de enige financieringsbron voor het project is en uit het aan het Gerecht overgelegde dossier zelfs blijkt dat het project voor ongeveer 84 % met particuliere middelen wordt gefinancierd en voor ongeveer 2 % door andere middelen van de betrokken lidstaat.
79
Met betrekking tot de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, EU:C:1985:18), en 23 november 1971, Bock/Commissie (62/70, EU:C:1971:108), moet eraan worden herinnerd dat het daarbij ging om bijzondere gevallen waar de Commissie een lidstaat op zijn verzoek toestemming had gegeven om vrijwaringsmaatregelen te treffen. Onder deze omstandigheden heeft het Hof kunnen oordelen dat er geen twijfel aan bestond dat de lidstaat die om die maatregelen had verzocht, ze zou opvolgen en er alle consequenties aan zou verbinden (zie in die zin beschikking van 8 juli 2004, Regione Siciliana/Commissie, T‑341/02, EU:T:2004:228, punt 79). In casu gaat deze redenering echter niet op, want de Republiek Polen heeft de Commissie niet verzocht om een besluit op grond waarvan zij een financiële bijdrage aan het project kan weigeren.
80
Ten vijfde zijn de argumenten van verzoekster dat het project niet levensvatbaar zou zijn zonder de bijdrage uit het EFRO en de middelen een „stimulerend effect” zouden hebben, gebaseerd op een onjuiste opvatting van de bijstand uit het EFRO. De bijstand uit het EFRO is namelijk gericht tot de lidstaat, die deze kan inzetten om projecten, eventueel grote projecten, in het kader van een of meer operationele programma’s te financieren. Daarentegen heeft de entiteit die verantwoordelijk is voor de verwezenlijking van het project, geen recht op die bijstand en staat zij niet in een rechtstreekse betrekking daartoe. Aldus is het niet rechtstreeks de bijstand uit het EFRO die bijdraagt tot de levensvatbaarheid van een project of een stimulerend effect heeft voor verzoekster, maar de eventuele subsidie die de Poolse autoriteiten haar kunnen toekennen, met name door middel van de fondsen uit het EFRO. Het bestreden besluit belet de Republiek Polen dus niet het project te financieren, maar enkel om deze steun via het EFRO aan de begroting van de Unie toe te rekenen.
81
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de twee criteria die in punt 32 zijn genoemd, zodat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit, dat enkel gevolgen sorteert voor de rechtsbetrekkingen tussen de Commissie en de Republiek Polen.
82
Verzoekster voldoet derhalve niet aan een van de voorwaarden voor de ontvankelijkheid die in artikel 263, vierde alinea, VWEU worden gesteld, te weten die van de rechtstreekse geraaktheid, zodat het niet nodig is te onderzoeken of verzoekster door het bestreden besluit individueel wordt geraakt.
83
Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
Kosten
84
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
Green Source Poland sp. z o.o. draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
Van der Woude
Ulloa Rubio
Marcoulli
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 mei 2017.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy