ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
14 juli 2016 ( *1 )
„EOGFL, ELGF en Elfpo — Van financiering uitgesloten uitgaven — Forfaitaire financiële correctie — Randvoorwaarden — Minimumeisen inzake goede landbouw- en milieuconditie — Normen — Artikel 5, lid 1, van en bijlage IV bij verordening (EG) nr. 1782/2003 — Artikel 6, lid 1, van en bijlage III bij verordening (EG) nr. 73/2009”
In zaak T‑661/14,
Republiek Letland, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en D. Pelše als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sauka en D. Triantafyllou als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2014/458/EU van de Commissie van 9 juli 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2014, L 205, blz. 62), voor zover dit besluit bepaalde uitgaven van de Republiek Letland, ten bedrage van 739393,95 EUR, aan Uniefinanciering onttrekt omdat zij niet voldeden aan de voorschriften van de Unie,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, president, M. Prek en V. Kreuschitz (rapporteur), rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 januari 2016,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
De Europese Commissie heeft in het kader van een conformiteitsgoedkeuringcontrole uit hoofde van artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1) de Republiek Letland bij brief van 26 november 2010 meegedeeld dat zij tekortkomingen had geconstateerd met betrekking tot de wetgeving van de Europese Unie, in het bijzonder, in het kader van de randvoorwaarden (hierna ook: „cross-compliance”), de niet-uitvoering van bepaalde normen waarin is voorzien bij bijlage IV bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1), en bij bijlage III bij verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB 2009, L 30, blz. 16). Volgens de Commissie hadden die tekortkomingen betrekking op de volgende normen en aangiftejaren: „Minimale bodembedekking”, in 2008 en 2009; „Normen voor vruchtwisseling”, in 2008; „Een minimale veebezetting en/of een passend regime”, in 2008; „Instandhouding van landschapselementen”, in 2008 en 2009.
2
Bij brief van 27 januari 2011 aan de Commissie hebben de Letse autoriteiten onder meer uitgelegd dat de normen „Normen voor vruchtwisseling” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” in Letland niet waren vastgesteld als minimumeisen. In overeenstemming met bijlage III bij verordening nr. 73/2009, met als opschrift „Goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 6”, zouden die normen facultatief zijn gebleven na 1 januari 2009 en zouden zij niet zijn uitgevoerd. Wat de norm „Minimale bodembedekking” betreft, hebben de Letse autoriteiten gesteld dat deze sinds 2010 op aanbeveling van een door de Commissie opgezette werkgroep van deskundigen was uitgevoerd door middel van het vereiste dat op de landbouwpercelen onder verantwoordelijkheid van de landbouwer een verbeteringsregeling werd gehandhaafd, waardoor de regulering van de bodemvochtigheid werd verzekerd.
3
Bij brief van 23 juli 2012 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 90) de Letse autoriteiten uitgenodigd voor een bilaterale vergadering. In die brief heeft de Commissie gesteld dat zij bij haar standpunt bleef dat de normen „Normen voor vruchtwisseling” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” moesten worden ingevoerd voor het aangiftejaar 2008, hetgeen niet was geschied. Wat de uitvoering van de norm „Minimale bodembedekking” betreft, heeft de Commissie opgemerkt dat de door de Letse autoriteiten verstrekte uitleg slechts betrekking had op de regulering van de bodemvochtigheid. Die norm was aldus slechts ingevoerd voor het aangiftejaar 2010. De Commissie heeft ten slotte gewezen op het gebrek aan extra verduidelijking met betrekking tot de norm „Instandhouding van landschapselementen” en heeft daaruit opgemaakt dat die norm ontbrak in het kader van de aangiftejaren 2008 en 2009.
4
De bilaterale vergadering heeft plaatsgevonden op 20 september 2012.
5
Bij brief van 6 november 2012 hebben de Letse autoriteiten aan de Commissie uitgelegd dat bepaalde normen niet essentieel waren in de nationale context en dat hun uitvoering geen zin had. Bovendien hebben zij er met name op de gewezen dat de Rekenkamer van de Europese Unie in zijn speciaal verslag nr. 8/2008, met als opschrift „Is ‚Cross compliance’ als beleid doeltreffend?” had aangegeven dat de cross-compliancedoelstellingen niet specifiek, meetbaar, haalbaar, relevant en van een datum voorzien waren.
6
Op 30 januari 2013 heeft de Commissie de notulen van de bilaterale vergadering aan de Letse autoriteiten meegedeeld, waarin een samenvatting was opgenomen van de aanvullende informatie die voormelde autoriteiten hadden verstrekt in hun brief van 6 november 2012. Op 25 februari 2013 heeft de Commissie notulen in het lets toegezonden, waarin zij verzocht om aanvullende informatie. De Letse autoriteiten hebben die informatie verstrekt op 25 april 2013.
7
Op 11 november 2013 heeft de Commissie de Letse autoriteiten in kennis gesteld van haar voorstel om een totaalbedrag van 861763,19 EUR aan financiering door de Unie te onttrekken wegens tekortkomingen bij de uitvoering van de betrokken normen, waaronder het ontbreken van controles en sancties in verband met de administratieve minimumeisen. In die brief heeft de Commissie met name het volgende uiteengezet:
„Samengevat blijft de [Commissie] erbij dat vier van de tien GLMC-normen [normen betreffende de ‚goede landbouw- en milieuconditie’] niet waren vastgesteld in het aangiftejaar 2008 en dat twee GLMC-normen op acht niet waren vastgesteld in het aangiftejaar 2009. De Letse autoriteiten hebben een schatting gegeven van het potentiële risico voor de Fondsen voor bepaalde aangiftejaren. De [Commissie] kan die schatting evenwel niet aanvaarden aangezien zij niet de garantie heeft dat de aldus vastgestelde bedragen overeenkomen met het volledige risico voor de Fondsen. Bovendien houdt die schatting geen rekening met het verlies van preventieve werking als gevolg van de niet-toepassing van de controles en de sancties.”
8
Op 20 december 2013 hebben de Letse autoriteiten bij het bemiddelingsorgaan een verzoek ingediend, waarin was uiteengezet waarom zij van mening waren dat de Commissie de relevante bepalingen van verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 73/2009 had geschonden.
9
Bij brief van 27 januari 2014 heeft het bemiddelingsorgaan het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het bedrag van de litigieuze financiële correcties lager was dan één miljoen EUR en het in het verzoek niet ging om een principekwestie die voorwerp was geweest van de bilaterale procedure.
10
Bij brief van 3 maart 2014 heeft de Commissie de Republiek Letland in kennis gesteld van de bedragen waarvoor zij de onttrekking aan financiering door de Unie voorstelde, die in totaal 741624,23 EUR bedroegen.
11
De Republiek Letland is vervolgens in kennis gesteld van het syntheseverslag van 5 mei 2014, met als referentienummer D(2014)1819246-ANN2-EN/FR, betreffende de resultaten van de inspecties van de Commissie in het kader van de procedure voor conformiteitsgoedkeuring in overeenstemming met artikel 7, lid 4, van verordening (EG) nr. 1258/1999 [van de Raad van 17 mei 1999, betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1999, L 160, blz. 103),] en artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 (hierna: „syntheseverslag”).
12
De relevante motivering voor de litigieuze financiële correcties is uiteengezet op de bladzijden 98 en 105 van het syntheseverslag. Daarin wordt gesteld dat de lidstaat krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009 voorschriften dient vast te stellen voor alle normen die zijn vermeld in respectievelijk bijlage IV en bijlage III bij die verordeningen, behoudens in gerechtvaardigde gevallen.
13
Met betrekking tot aangiftejaar 2008 zet het syntheseverslag uiteen dat vier normen op tien niet waren vastgesteld en dat dienaangaande evenmin controles waren uitgevoerd, te weten de normen „Normen voor vruchtwisseling”, „Minimale veebezetting”, „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen”. De Commissie heeft tevens melding gemaakt van 106 gevallen van onjuiste berekening van de sancties. Ingevolge document AGRI-2005‑64043 van 9 juni 2006, getiteld „Mededeling van de Commissie betreffende de behandeling door de Commissie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, van de tekortkomingen die worden vastgesteld in de door de lidstaten toegepaste systemen voor de controle van de randvoorwaarden” (hierna: „document AGRI-2005‑64043”), heeft zij een forfaitair correctiepercentage van 5 % toegepast voor de tekortkomingen die waren vastgesteld in het kader van de essentiële controles voor het aangiftejaar 2008. Wat de tekortkomingen betreft die in casu betreffende de normen betreffende de goede landbouw- en milieuconditie (hierna: „GLMC-normen”) waren geconstateerd, heeft de Commissie opgemerkt dat deze als zodanig grond opleverden voor een forfaitaire correctie van 5 % ten aanzien van alle landbouwers die onderworpen zijn aan cross-compliance. De door de Letse autoriteiten verstrekte berekening van het bedrag betreffende de 106 gevallen van onjuiste berekening van de sancties zou worden geacht te worden gedekt door de forfaitaire correctie van 5 % voor het aangiftejaar 2008.
14
Met betrekking tot het aangiftejaar 2009 merkt het syntheseverslag op dat twee normen op acht niet waren vastgesteld en dat dienaangaande evenmin controles waren uitgevoerd, namelijk de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen”. Bovendien worden in dat verslag andere tekortkomingen geconstateerd in verband met de sancties betreffende de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE’s) 4 en 7. De Commissie was van mening dat hoewel voor het aangiftejaar 2009 bij de essentiële controles tekortkomingen waren geïdentificeerd, voor dat jaar, gelet op het feit dat in Letland verbeteringen aan het systeem voor de controle op de randvoorwaarden waren aangebracht, het risico voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (hierna tezamen: „Fondsen”) minder groot was dan voor het aangiftejaar 2008, zodat de geconstateerde tekortkomingen grond opleverden voor een forfaitaire correctie van 2 % voor het aangiftejaar 2009. De door de Letse autoriteiten verstrekte berekeningen van de bedragen die waren gemoeid met de tekortkomingen in de sancties betreffende RBE 4 en 7 zouden worden geacht te worden gedekt door het percentage van 2 %.
15
Op 9 juli 2014 heeft de Commissie op basis van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1258/1999 en artikel 31 van verordening nr. 1290/2005 uitvoeringsbesluit 2014/458/EU houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van de Fondsen hebben verricht (PB 2014, L 205, blz. 62; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld. Met dat besluit heeft de Commissie voor de jaren 2009 tot en met 2012 bepaalde uitgaven van de Republiek Letland, voor een totaalbedrag de 739393,95 EUR, die waren gedaan door het erkende betaalorgaan van de Republiek Letland, van financiering uitgesloten, gelet op de vaststelling van eisen op het gebied van de randvoorwaarden, omdat zij niet overeenkomstig de Unievoorschriften waren verricht.
16
Het bestreden besluit is op 11 juli 2014 ter kennis van de Republiek Letland gebracht en is op 12 juli 2014 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2014, L 205, blz. 62).
17
Artikel 1 van het bestreden besluit bepaalt dat de in de bijlage vermelde uitgaven van de erkende betaalorganen van de lidstaten die ten laste van de Fondsen zijn gedeclareerd, aan Uniefinanciering worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn verricht. De ten aanzien van de Republiek Letland toegepaste forfaitaire financiële correcties – van, al naargelang van het geval, 2 of 5 % – zijn vermeld op de bladzijden 69, 70, 73 en 74 van die bijlage.
Procedure en conclusies van partijen
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 september 2014, heeft de Republiek Letland het onderhavige beroep ingesteld.
19
Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
20
In het kader van de in artikel 89, lid 3, onder d), van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van document VI/5330/97 van 23 december 1997, getiteld „Richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie” (hierna: „document VI/5330/97”). De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
21
Aangezien een lid van de Vierde kamer was verhinderd zitting te nemen, heeft de president van het Gerecht zichzelf aangewezen ter aanvulling van de kamer.
22
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 27 januari 2016.
23
De Republiek Letland verzoekt het Gerecht:
—
het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover daarbij bepaalde van haar uitgaven, ten bedrage van 739393,95 EUR, van financiering door de Unie worden uitgesloten;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
24
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep als kennelijk ongegrond te verwerpen;
—
de Republiek Letland te verwijzen in de kosten.
In rechte
Samenvatting van de middelen tot nietigverklaring
25
In het kader van haar beroep voert de Republiek Letland twee middelen aan.
26
Met het eerste middel betwist de Republiek Letland dat de litigieuze financiële correcties die zijn ingegeven door de vermeende niet-uitvoering van de GLMC-normen, gerechtvaardigd zijn. In dat verband is de Commissie voorbijgegaan aan de draagwijdte van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009.
27
Met het tweede middel betoogt de Republiek Letland in wezen dat de Commissie bij de berekening van de litigieuze financiële correcties met name het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en verordening nr. 1290/2005, document AGRI-2005‑64043 en document VI/5330/97 onjuist heeft toegepast.
Eerste middel: schending van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 en van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009
Argumenten van partijen
28
Volgens de Republiek Letland dienen de lidstaten bij de vaststelling van de minimumeisen waarin verordening nr. 1782/2003 voorziet, weliswaar de bepalingen van bijlage IV bij die verordening in acht te nemen, maar laat deze bijlage hun door het gebruik van algemene begrippen en bewoordingen, een zekere beoordelingsmarge ter zake van de concrete vaststelling van die eisen. Voormelde verordening beperkt zich tot de vaststelling van een algemeen regelgevingskader waarin de lidstaten uit hoofde van artikel 5, lid 1, beschikken over een discretionaire bevoegdheid voor de vaststelling van met name de GLMC-normen die, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, essentieel zijn in de nationale context.
29
De Republiek Letland heeft de GLMC-normen in 2008 en 2009 ingevoerd in overeenstemming met de verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 73/2009 en met inachtneming van haar nationale context. Daarbij heeft zij tevens rekening gehouden met de brief van de Commissie van 30 juli 2007, waarin werd gesteld dat die normen slechts moesten worden vastgesteld voor zover zij belangrijk waren in de nationale context. Voorts heeft de Commissie in haar brief van 26 november 2010 vermeld dat de lidstaten voorschriften moesten vaststellen voor alle aangelegenheden en normen die waren vermeld in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 en bijlage III bij verordening nr. 73/2009, behoudens in gerechtvaardigde gevallen. De Commissie heeft hetzelfde standpunt ingenomen in haar verslag van 29 maart 2007 aan de Raad van de Europese Unie over de toepassing van het stelsel van randvoorwaarden [COM(2007) 147] en in haar mededeling van 20 mei 2008 betreffende de gezondheidscontrole van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De Republiek Letland trekt daaruit de conclusie dat zij zich ertoe mocht beperken louter die normen vast te stellen welke belangrijk waren in haar nationale context.
30
De GLMC-normen zouden immers slechts bindend zijn wanneer de lidstaat vaststelt dat de uitvoering ervan essentieel is in de nationale context. Aangezien verordening nr. 1782/2003 niet voorziet in nadere criteria, is alleen de lidstaat in staat om in het kader van de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid die normen in zijn rechtsstelsel concreet in te vullen en om vast te stellen of zij essentieel en bijgevolg bindend zijn in die zin. Om conform het Unierecht te handelen, is het dus voldoende dat de lidstaat voldoet aan zijn resultaatsverbintenis om de essentiële normen toe te passen. In casu heeft de Republiek Letland met het oog op de analyse van de relevante doelstellingen en de op te lossen problemen, gekozen voor de normen die het meest passend, het belangrijkst en het meest toegesneden zijn op de specifieke kenmerken van het Letse grondgebied.
31
Wat ten eerste de eis betreft die erin bestaat „de bodem [te] beschermen door middel van passende maatregelen”, en de daartoe voorziene normen, namelijk „Minimale bodembedekking”, „Minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse” en „Instandhouding van terrassen”, meent de Republiek Letland dat zij, rekening houdend met de „specifieke kenmerken van de betrokken gebieden”, heeft gekozen voor de meest doeltreffende norm. Gelet op de specifieke situatie van de Letse landbouwgrond, in het bijzonder op de uiterst geringe oppervlakte landbouwgrond op steile hellingen en het hoofdgebruik van die gronden als blijvend grasland, is zij tot het besluit gekomen dat hun beheer in Letland minder belangrijk was en dat het niet nodig was de norm met als opschrift „Minimale bodembedekking” in te voeren.
32
Wat betreft ten tweede de handhaving van „het gehalte van organische stof in de bodem [...] door passende praktijken” en de daartoe voorgestelde normen, namelijk de normen „Stoppelbeheer op bouwland” en „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval”, verklaart de Republiek Letland dat zij tot het besluit was gekomen dat de vruchtwisseling niet diende te worden ingevoerd als een afzonderlijke eis. De landbouwers maken immers van oudsher gebruik van vruchtwisseling als methode voor grondbeheer, zodat voor 99,2 % van het bouwland reeds was voldaan aan de eis van diversificatie van de teelten en de betrokken norm slechts toepassing zou vinden op een onbeduidend deel van de oppervlakte van die gronden. Bovendien zouden de administratieve kosten, met name die van fysieke controles, verbonden aan de eventuele toepassing van die norm betrekkelijk hoog zijn en niet in verhouding staan tot de behaalde voordelen. Ten slotte wordt het feit dat er sprake is van een facultatieve uitvoering bevestigd door het gebruik van de woorden „in voorkomend geval”.
33
Wat betreft ten derde de verplichting om te ”[z]orgen voor een minimaal onderhoud en achteruitgang van habitats [te] voorkomen” en de daartoe voorgestelde normen, namelijk de normen „Een minimale veebezetting en/of een passend regime”, „Bescherming van blijvend grasland”, „Instandhouding van landschapselementen”, „Verstruiking van landbouwgrond door ongewenste vegetatie voorkomen” en „Het in een goede groeitoestand houden van olijfgaarden en wijngaarden”, voert de Republiek Letland aan dat zij tot het besluit was gekomen dat de afzonderlijke uitvoering van de norm die tot doel heeft de landschapselementen in stand te houden, en van de norm betreffende de veebezetting niet essentieel was. Zij meent dat de norm „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” niet belangrijk is in de context van de randvoorwaarden, aangezien hij slechts betrekking heeft op een klein gedeelte van de landbouwbedrijven en de landbouwgrond. Bovendien wordt de doelstelling ervan, namelijk het behoud van blijvend grasland, in Letland bereikt door de toepassing van een eis die voortvloeit uit een nationale norm, in casu punt 24.4 van ministerieel besluit nr. 269. De uitvoering van voormelde norm zou indruisen tegen de doelstellingen van voormeld ministerieel besluit en zou negatieve gevolgen hebben voor de naleving van de eis van bescherming van het blijvend grasland. Bijgevolg heeft de Republiek Letland gebruik gemaakt van de haar krachtens verordening nr. 1782/2003 verleende machtiging om een ander passend regime vast te stellen voor de instandhouding van blijvend grasland. Ten slotte zijn de normen „Vruchtwisseling”, „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” niet belangrijk in de nationale context, terwijl de doelstellingen van de norm „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” toch werden bereikt door de vaststelling van een passend regime, namelijk de minimumeisen voor het maaien.
34
Ten vierde herinnert de Republiek Letland aan het belang van de werkelijke oplossing van de problemen waarover het gaat in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003, hetgeen niet zou worden gewaarborgd door louter de uitvoering van de betrokken normen, aangezien zij daadwerkelijk moeten worden toegepast. Juist de nationale autoriteiten, die vertrouwd zijn met de nationale context, zijn het best in staat om de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003 zo doeltreffend mogelijk te verwezenlijken. Daaruit vloeit – in overeenstemming met de bestaansreden voor de afwijking waarin is voorzien in artikel 5, lid 1, van de verordening – voort dat de lidstaten de mogelijkheid hebben slechts een gedeelte van de daarin bedoelde normen vast te stellen.
35
De Republiek Letland concludeert daaruit dat zij de in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 bedoelde problemen heeft opgelost door de daarin vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken en door voor elk van die problemen, in overeenstemming met de nationale context, te beoordelen en vast te stellen welke van de door de verordening voorgestelde normen het meest geschikt en doeltreffend waren.
36
De Republiek Letland voegt daaraan toe dat de Commissie pas op 15 september 2009 heeft verklaard dat alle in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 vastgestelde normen bindend waren. Bovendien blijkt uit de briefwisseling tussen de Commissie en de Letse autoriteiten dat de Commissie met betrekking tot bepaalde in Letland uitgevoerde GLMC-normen van mening was dat zij moesten worden toegepast, terwijl zij voor andere normen, waaronder de norm betreffende de „Instandhouding van terrassen”, het tegenovergestelde standpunt van de Republiek Letland had bevestigd. De Republiek Letland heeft daaruit geconcludeerd dat de uitvoering van alle normen zeker niet verplicht was. Die inconsistente benadering van de Commissie betreffende de toepassing van verordening nr. 1782/2003 zou overigens indruisen tegen het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Het stilzitten van de Commissie tot september 2009 aangaande de in 2008 en 2009 ingevoerde Letse normen geeft aan dat de Republiek Letland een gewettigd vertrouwen kon koesteren dat zij tot dan in overeenstemming met het Unierecht had gehandeld.
37
Gelet op het voorgaande is de Republiek Letland van mening dat zij geen inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van de verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 73/2009 en dat de Commissie niet beschikte over een rechtsgrondslag om haar een financiële correctie op te leggen.
38
De Commissie antwoordt dat verordening nr. 1782/2003 de lidstaten geen enkele discretionaire bevoegdheid verleent betreffende de keuze van de in bijlage IV vermelde normen. De daarin bedoelde normen moeten allemaal worden uitgevoerd, met uitzondering van die welke zonder voorwerp zijn in de nationale context, hetgeen de Commissie overigens reeds heeft aangegeven in haar verslag van 29 maart 2007 betreffende de randvoorwaarden. Door de lidstaten de taak toe te vertrouwen voornoemde „minimumeisen” vast te stellen, heeft de Uniewetgever hun de mogelijkheid geboden om rekening te houden met regionale verschillen op hun grondgebied bij de uitvoering van de in bijlage IV vermelde GLMC-normen, zonder evenwel hun het recht te verlenen om te beslissen om bepaalde delen van die normen helemaal niet toe te passen. De Commissie brengt in herinnering dat haar oorspronkelijke voorstel van 21 januari 2003 voor een verordening van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van steunregelingen voor producenten van bepaalde gewassen [COM(2003) 23 definitief] niet voorzag in een verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat alle landbouwgrond „in goede landbouw- en milieuconditie” wordt gehouden, en dat die verplichting berust op een keuze van de Uniewetgever tijdens de wetgevingsprocedure. Zij preciseert dat in andere lidstaten, zoals Estland, Malta en Nederland, meerdere in 2009 uitgevoerde GLMC-normen een betrekkelijk gering deel van de landbouwgrond betroffen. Bovendien is de Commissie van mening dat haar standpunt betreffende de norm „Instandhouding van terrassen” berust op een coherente uitlegging van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003, „namelijk dat de GLMC-normen die geenszins toepassing vinden in de nationale context ook niet moeten worden uitgevoerd”. Een van de geografische bijzonderheden van Letland is namelijk dat er in de natuur geen terrassen aanwezig zijn, zodat die norm niet behoeft te worden uitgevoerd.
Beoordeling door het Gerecht
– Opmerkingen vooraf
39
In het kader van het onderhavige middel dient het Gerecht te onderzoeken of er voor de lidstaten een absolute verplichting bestaat om alle in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 en bijlage III bij verordening nr. 73/2009 bedoelde normen uit te voeren. Om die vraag te beantwoorden dient volgens vaste rechtspraak te worden overgegaan tot een letterlijke, contextuele, teleologische en historische uitlegging van de litigieuze bepalingen. In dat verband dient er rekening te worden gehouden met het feit dat de teksten van het Unierecht zijn opgesteld in meerdere talen en dat alle taalversies authentiek zijn, hetgeen een vergelijking van de taalversies noodzakelijk kan maken (zie in die zin arrest van 11 december 2015, Finland/Commissie, T‑124/14, EU:T:2015:955, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Dienaangaande moet om te beginnen worden gepreciseerd dat de bepalingen van verordeningen nr. 1782/2003 en nr. 73/2009 ingevolge artikel 288, tweede alinea, VWEU vanwege hun aard verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in de nationale rechtsordes, en dat er bijgevolg op nationaal niveau in beginsel geen omzetting in strikte zin in de nationale wetgeving is vereist. Aldus veronderstelt de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening dat zij in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast zonder dat daartoe enige maatregel tot opneming in het nationale recht is vereist. Dat ligt evenwel anders wanneer bedoelde verordening het aan de lidstaten overlaat zelf de wettelijke, bestuursrechtelijke en financiële maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor een daadwerkelijke toepassing van de bepalingen van de verordening (zie in die zin arrest van 14 juni 2012, Association nationale d’assistance aux frontières pour les étrangers, C‑606/10, EU:C:2012:348, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat is in casu het geval (zie punten 41 e.v. infra), hetgeen in beginsel niet wordt betwist door de partijen.
– Letterlijke uitlegging
41
Er zij aan herinnerd dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 inzonderheid luidt als volgt:
„[...] De lidstaten stellen [...] minimumeisen inzake [GLMC] vast op basis van het in bijlage IV vastgestelde kader, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, met inbegrip van de bodem- en de klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het grondgebruik, de vruchtwisseling, de landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven. [...]”
42
Het relevante deel van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009 is in wezen in analoge bewoordingen gesteld, behalve dat wordt verwezen naar „bijlage III” in plaats van naar „bijlage IV”.
43
Uit het gebruik van het werkwoord „vaststellen” in de indicatief blijkt, vooral in de Engelse („shall define”) en de Portugese („devem definir”) taalversie, dat er een verplichting bestaat tot vaststelling van „minimumeisen inzake [GLMC] [...] op basis van het in bijlage IV [bij verordening nr. 1782/2003] vastgestelde kader”. Zoals de Commissie aanvoert, heeft die vaststellingsverplichting dus tot doel dat de lidstaat voorschriften met algemene strekking aanneemt waarbij, rekening houdend met de in die bijlage voorziene normen, dergelijke „minimumeisen” worden vastgesteld. Daaruit heeft het Hof immers afgeleid dat de lidstaten bij de vaststelling van die eisen bedoelde bijlage weliswaar in acht dienen te nemen, maar deze hun, door het gebruik van algemene begrippen en bewoordingen, toch een zekere beoordelingsmarge laat bij de concrete invulling van die eisen (zie naar analogie arrest van 16 juli 2009, Horvath, C‑428/07, EU:C:2009:458, punten 25 en 26). Hieruit volgt dat de verplichting van de lidstaten om door regelgevend optreden eisen vast te stellen enerzijds meebrengt dat zij alle in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 bedoelde normen „in acht moeten nemen”, en anderzijds nauw verband houdt met een zekere flexibiliteit waarover zij beschikken om die eisen in concreto vast te stellen op basis van die normen, aangezien deze berusten op algemene begrippen en bewoordingen waarvan de concrete uitvoering noodzakelijkerwijs een beoordelingsvrijheid vergt (zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Horvath, C‑428/07, EU:C:2009:47, punten 28 en 58).
44
Uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 en uit voormelde rechtspraak van het Hof blijkt echter niet dat het de lidstaten in voorkomend geval is toegestaan om bepaalde GLMC-normen helemaal niet uit te voeren. Door te oordelen dat de lidstaten bijlage IV „in acht moeten nemen” bij de vaststelling van de minimumeisen voor de GLMC-normen, heeft het Hof zich immers ertoe beperkt, te erkennen dat die bijlage in zijn geheel, te weten het geheel van de daarin vermelde normen, bindend is, zonder evenwel een onderscheid tussen die normen te maken met name naargelang de bewoordingen of het detailleringsniveau ervan. Gelet op de onnauwkeurigheid van artikel 5, lid 1, van die verordening op dit punt, moet evenwel worden gezien naar de bewoordingen van elk van die normen afzonderlijk om hun bindend karakter vast te stellen en de omvang van de aan de lidstaten gelaten beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de concrete vaststelling en uitvoering ervan. Die noodzaak van een gedifferentieerde benadering wordt bevestigd door het feit dat artikel 5, lid 1, van die verordening verwijst naar de „specifieke kenmerken van de betrokken gebieden”, in welk verband die bepaling slechts een niet-exhaustieve lijst geeft van voorbeelden van criteria („[...] de bodem- en de klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het grondgebruik, de vruchtwisseling, de landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven”) die relevant zijn voor de vaststelling van de GLMC-normen („normen die rekening houden met”), en daarom zijn die criteria, zoals de „vruchtwisseling” ten dele woordelijk overgenomen in bijlage IV.
45
Bijgevolg moet voor elk van de litigieuze GLMC-normen worden nagegaan of zij een discretionaire bevoegdheid van de lidstaat impliceren wat de noodzaak betreft om deze in de nationale rechtsorde uit te voeren.
46
Wat ten eerste de norm „Minimale bodembedekking” betreft, moet worden vastgesteld dat niets in de bewoordingen van die norm de conclusie toelaat dat de uitvoering ervan door de lidstaten facultatief is. Gelet op de in punt 43 supra aangehaalde rechtspraak dient dus te worden vastgesteld dat deze norm in beginsel bindend is, zonder dat dit vooruitloopt op de vraag of de lidstaten het recht hebben om, in voorkomend geval, de niet-uitvoering ervan te rechtvaardigen (zie punten 64‑66 infra). Die conclusie wordt indirect bevestigd door het feit dat bijlage III bij verordening nr. 73/2009, die in de plaats is gekomen van bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003, de „Minimale bodembedekking” uitdrukkelijk indeelt bij de „Bindende normen”.
47
Wat ten tweede de „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval” betreft, impliceert het gebruik van de woorden „in voorkomend geval” als zodanig, in alle authentieke taalversies, dat wordt erkend dat de lidstaten beschikken over een discretionaire bevoegdheid ter zake van de uitvoering ervan. Uit die woorden blijkt immers dat de lidstaat die normen enkel dient uit te voeren wanneer hij voor zijn eigen landbouwgrond de relevantie van dergelijke normen vaststelt, rekening houdend met de „specifieke kenmerken van de betrokken gebieden” in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003. Die conclusie vindt enerzijds indirect steun in het feit dat bijlage III bij verordening nr. 73/2009 de „Normen voor vruchtwisseling” uitdrukkelijk indeelt onder de „Facultatieve normen”. Anderzijds wordt zij niet weersproken door de uitdrukkelijke vermelding van de „vruchtwisseling” in artikel 5, lid 1, en in overweging 3 in fine van verordening nr. 1782/2003, aangezien die vermelding slechts deel uitmaakt van een niet-exhaustieve lijst („met inbegrip van”) van voorbeelden van criteria die relevant zijn voor de vaststelling van – al dan niet bindende – normen, die nader zijn uitgewerkt in bijlage IV (zie punt 44 supra).
48
Wat ten derde de norm „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” betreft, blijkt reeds uit de bewoordingen ervan dat er geen absolute verplichting bestaat voor de lidstaat om een regeling vast te stellen voor de „minimale veebezetting”, maar dat de lidstaat beschikt over een – in casu door de Republiek Letland benadrukte – alternatieve mogelijkheid („en/of”) om een ander „passend regime” vast te stellen. Naar het voorbeeld van hetgeen in punt 47 supra is uiteengezet betreffende de „Normen voor vruchtwisseling”, wordt deze uitlegging indirect bevestigd door de bijlage III bij verordening nr. 73/2009, die „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” uitdrukkelijk indeelt onder de „Facultatieve normen”.
49
Wat ten vierde de norm „Instandhouding van landschapselementen” betreft, kan worden volstaan met een verwijzing naar de overwegingen in punt 46 supra om tot de conclusie te komen dat die norm bindend is in de zin van de in punt 43 supra aangehaalde rechtspraak, hetgeen indirect steun vindt in de uitdrukkelijke indeling ervan als „Bindende norm” in bijlage III bij verordening nr. 73/2009, dit onverminderd de vraag of de lidstaat in voorkomend geval de niet-uitvoering ervan kan rechtvaardigen (zie punten 64‑66 infra).
50
Bovenstaande overwegingen gelden mutatis mutandis voor de letterlijke uitlegging van artikel 6, lid 1, eerste en tweede volzin, van verordening nr. 73/2009 en van de overeenkomstige normen bedoeld in bijlage III bij die verordening. De eerste en tweede volzin van deze bepaling zijn immers in wezen analoog geformuleerd. Zoals is opgemerkt in de punten 46 tot en met 49 supra, bepaalt bijlage III bij die verordening bovendien uitdrukkelijk of die normen bindend dan wel facultatief zijn.
51
Uit de letterlijke uitlegging van de litigieuze bepalingen blijkt dus dat de Republiek Letland enerzijds in beginsel ervan mocht afzien de normen „Normen voor vruchtwisseling” en „Minimale veebezetting” uit te voeren en anderzijds de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” diende uit te voeren.
– Contextuele en teleologische uitlegging
52
Vanuit contextueel en teleologisch oogpunt moet rekening worden gehouden met de door artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 nagestreefde doelstellingen, die met name zijn geformuleerd in overweging 3 van die verordening, tegen de achtergrond waarvan die eerste bepaling moet worden uitgelegd (zie in die zin en naar analogie arresten van 12 juni 2014, Ascendi Beiras Litoral e Alta, Auto Estradas das Beiras Litoral e Alta, C‑377/13, EU:C:2014:1754, punten 48 en 49, en 26 november 2015, Total Waste Recycling, C‑487/14, EU:C:2015:780, punten 38 en 39). Die overweging vermeldt met name de doelstelling van de GLMC-normen, namelijk „te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden”. Die doelstelling blijkt tevens uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, zelf, aangezien daarin wordt verwezen naar de verplichting van de lidstaten om „minimumeisen inzake [GLMC] vast [te stellen] op basis van het in bijlage IV vastgestelde kader, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, met inbegrip van de bodem- en de klimaatgesteldheid, de bestaande landbouwsystemen, het grondgebruik, de vruchtwisseling, de landbouwpraktijken en de structuur van de landbouwbedrijven”.
53
Op zichzelf genomen geeft die definitie van de met de GLMC-normen nagestreefde doelstellingen geen duidelijke en nauwkeurige aanwijzing betreffende de eventuele noodzaak om al die normen uit te voeren, zulks vooral wanneer de lidstaat van mening is dat, rekening houdend met de „specifieke kenmerken van de betrokken gebieden”, deze gebieden zich niet ertoe lenen, de doelstelling van het houden van de landbouwgrond „in goede landbouw- en milieuconditie” na te streven.
54
Uit overweging 3 van verordening nr. 1782/2003 blijkt evenwel ook dat het dienstig is „een communautair kader te bepalen waarbinnen de lidstaten normen kunnen stellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden”. Het gebruik van het werkwoord „kunnen”, of van een vergelijkbare uitdrukking, in alle taalversies van die overweging zou kunnen worden opgevat als een aanwijzing dat de lidstaat over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt betreffende de keuze van de in dat Uniekader vastgestelde normen. Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003, dat ter zake onnauwkeurig is, moet worden gelezen tegen de achtergrond van overweging 3 van die verordening (zie punt 52 supra).
55
Aldus zou uit overweging 3 van verordening nr. 1782/2003 inderdaad kunnen worden afgeleid dat de lidstaat beschikt over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan hij kan beslissen om bepaalde van de in bijlage IV bij die verordening bedoelde normen niet uit te voeren wanneer hij van mening is dat zij in zijn nationale context niet relevant zijn, of zelfs niet-toepasselijk vanwege de „specifieke kenmerken van de betrokken gebieden”, en dus ongeschikt zijn om de doelstellingen van die verordening te bereiken. Die redenering kan evenwel indruisen tegen de duidelijke bewoordingen van de in de punten 46 en 49 supra bedoelde GLMC-normen, die volgens de ondubbelzinnige wilsuiting van de Uniewetgever hoe dan ook in acht moeten worden genomen en uitgevoerd. Die lezing is bovendien de enige die strookt met de door het Hof gegeven uitlegging, die in punt 43 supra in herinnering is gebracht, volgens welke de lidstaten bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 en dus in beginsel alle daarin bedoelde normen in acht moeten nemen.
56
Bijgevolg lijkt een contextuele en teleologische uitlegging te staven dat de betrokken bepalingen aldus moeten worden opgevat dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 aan de lidstaten een discretionaire bevoegdheid verleent ter zake van de keuze van bepaalde GLMC-normen, maar niet voor al die normen (zie de in punt 43 supra bedoelde rechtspraak). Of die normen bindend zijn, hangt dus in laatste instantie van hun bewoordingen af (zie punten 46‑49 supra).
57
Deze beoordeling geldt mutatis mutandis voor artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 73/2009, gelezen in samenhang met bijlage III bij die verordening, die een uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen bindende en facultatieve normen (overweging 4 van verordening nr. 73/2009).
– Historische uitlegging
58
Zoals de Commissie aanvoert, was in haar oorspronkelijke voorstel van 21 januari 2003 voor een verordening van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van steunregelingen voor producenten van bepaalde gewassen [COM(2003) 23 definitief] in artikel 5 alleen bepaald dat „de lidstaten [...] de eisen inzake goede landbouwomstandigheden vast[stellen] met inachtneming van het in bijlage IV vastgestelde kader”.
59
In dat verband stond in overweging 3 van dat voorstel het volgende te lezen:
„Opdat de grond in goede landbouwomstandigheden wordt gehouden, moeten normen worden vastgesteld op een aantal terreinen waarvoor thans geen normen bestaan. Die normen dienen te zijn gebaseerd op de goede landbouwmethoden, waaraan wel of niet bepalingen van de lidstaten ten grondslag kunnen liggen. Daarom is het dienstig een communautair kader te bepalen waarbinnen de lidstaten normen kunnen stellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, inclusief de bodem- en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen (grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwmethoden) en landbouwstructuren.”
60
De Commissie stelt dus op goede gronden dat het voorstel niet voorzag in een verplichting voor de lidstaten om alle GLMC-normen uit te voeren. Enerzijds vermeldde artikel 5 van dat voorstel immers geen „minimumeisen”, maar uitsluitend de vaststelling door die lidstaten van de „goede landbouwomstandigheden”, en anderzijds verwees overweging 3, tegen de achtergrond waarvan voormeld artikel moest worden uitgelegd, naar een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten betreffende de keuze van „normen [...] [die] de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden [in acht nemen]”, en zulks alleen „binnen” een communautair normenkader. Overigens bevatte die overweging reeds de formulering volgens welke „de lidstaten normen [konden] stellen”, welke formulering, ongeacht wat de reden daarvoor is, is behouden in de definitieve versie van overweging 3 van verordening nr. 1782/2003. Uit die omstandigheid blijkt als zodanig dat in het kader van de definitieve versie van die verordening, waarvan de bewoordingen aanzienlijk zijn gewijzigd, die formulering niet noodzakelijk beoogt aan te geven dat de lidstaat beschikt over een discretionaire bevoegdheid betreffende de keuze van de in bijlage IV vastgestelde normen (zie punt 55 supra).
61
Uit bovenstaande overwegingen volgt dat ook de historische uitlegging lijkt te bevestigen dat de lidstaat in beginsel alle GLMC-normen dient uit te voeren, behoudens die waarvoor uit de bewoordingen het tegendeel blijkt.
– Conclusie
62
Gelet op een en ander is het Gerecht van oordeel dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003, gelezen in samenhang met bijlage IV bij deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat op grond daarvan in beginsel verplicht is om door middel van gepaste voorschriften met algemene strekking alle in die bijlage vermelde normen uit te voeren, met uitzondering van met de name de normen „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime”. Die beoordeling geldt mutatis mutandis en a fortiori voor artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009, gelezen in samenhang met bijlage III bij die verordening, waarin, in overeenstemming met die uitlegging, een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen bindende en facultatieve normen.
63
Enerzijds volgt daaruit dat de Commissie heeft gedwaald ten aanzien van het recht door de Republiek Letland te verwijten dat zij in 2008 geen uitvoering had gegeven aan de normen „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime”, zonder dat behoeft te worden nagegaan of de argumenten die de Letse autoriteiten hebben aangevoerd om te rechtvaardigen dat zij niet waren uitgevoerd, gegrond zijn. Wat meer bepaald de norm „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” betreft, kan worden volstaan met op te merken dat die autoriteiten met het oog daarop – zowel tijdens de bilaterale goedkeuringsprocedure als in de loop van het geding – hebben uiteengezet waarom zij hadden gekozen voor een ander „passend regime” (zie punt 33 supra). Overigens blijkt niet uit de processtukken en evenmin uit het bestreden besluit, met inbegrip van het syntheseverslag, noch uit de geschriften van de Commissie voor het Gerecht, of en in voorkomend geval hoe zij de kenmerken van dat andere regime en de geschiktheid ervan om in de plaats te komen van de „Minimale veebezetting” heeft beoordeeld, maar zij heeft zich ertoe beperkt aan te voeren dat de Republiek Letland hoe dan ook die norm op nationaal niveau diende uit te voeren.
64
Anderzijds is het Gerecht van oordeel dat de Commissie in beginsel van de Letse autoriteiten mocht verlangen dat zij de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” in 2008 en 2009 uitvoerden, en dat de door de Republiek Letland aangevoerde grieven tegen die uitvoeringsverplichting bijgevolg niet kunnen slagen. In dat verband was de Commissie in elk geval niet verplicht de redenen te aanvaarden die de Republiek Letland heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de afwijking van haar verplichting om die normen uit te voeren, aangezien een dergelijke rechtvaardiging niet kon worden gebaseerd op de bewoordingen van verordening nr. 1782/2003, op de in punt 43 supra aangehaalde rechtspraak en evenmin op de doelstelling van die verordening, te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden (overweging 3 van verordening nr. 1782/2003).
65
Gesteld al dat, zoals de betrokken lidstaat aanvoert, de kenmerken van de betrokken landbouwgrond of de betrokken gebieden reeds als zodanig min of meer in overeenstemming waren met de hierboven bedoelde doelstellingen, waardoor de GLMC-normen geen uitwerking hadden of de uitvoering ervan onevenredig werd, ontslaat louter deze omstandigheid deze lidstaat immers niet, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en de in punt 40 supra aangehaalde rechtspraak, van zijn verplichting om de relevante bepalingen van die verordening uit te voeren door een passende nationale regeling. Dat neemt niet weg dat de lidstaat bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid die hem wordt gelaten door de algemene en onnauwkeurige bewoordingen van de GLMC-normen, deze aldus kan moduleren en concretiseren dat deze aangepast zijn aan de „nationale context”. Hij mag daarentegen niet volledig afzien van de uitvoering ervan.
66
Dienaangaande zij erop gewezen dat de Commissie, met name in het syntheseverslag, de nadruk heeft gelegd op de uitvoering van de litigieuze GLMC-normen door middel van een gepaste nationale regeling, waarbij ook als reden werd aangevoerd dat de nationale regels controles mogelijk moesten maken, alsook sancties in geval van niet-naleving ervan. Wat de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” betreft, heeft de Republiek Letland bovendien erkend dat bedoelde normen op zijn minst relevant waren voor een klein gedeelte van haar landbouwgrond, maar dat de uitvoering ervan om die reden onevenredig zou zijn. Gelet op de fundamentele eis dat wordt voorzien in controles en sancties, kan de Republiek Letland evenwel geen beroep doen op een discretionaire bevoegdheid waarover zij zou beschikken of op het evenredigheidsbeginsel om te rechtvaardigen dat bedoelde normen helemaal niet zijn uitgevoerd. Gelet op de in punt 40 supra aangehaalde rechtspraak, was de Commissie dus gerechtigd aan te dringen op een dergelijke uitvoering van die normen, al was het maar met het oog op de vaststelling van een omvattend en doeltreffend controle- en sanctiesysteem.
67
Ten slotte kan de Republiek Letland niet afdoen aan die beoordeling of een schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen aanvoeren door te stellen dat de Commissie met name had aanvaard dat zij de norm betreffende de „Instandhouding van terrassen” niet zou uitvoeren. Onverminderd hetgeen is uiteengezet in de punten 65 en 66 supra was immers een controle betreffende de uitvoering van die norm niet noodzakelijk aangezien in Letland helemaal geen dergelijke terrassen te vinden zijn. Hoe dan ook kunnen de Letse autoriteiten gelet op de briefwisseling in de loop van de goedkeuringsprocedure en de ondubbelzinnige standpunten van de diensten van de Commissie in tegengestelde zin, niet stellen dat zij nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen hebben gekregen (zie in die zin arresten van 18 juni 2010, Luxemburg/Commissie, T‑549/08, EU:T:2010:244, punt 71, en 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie, T‑387/09, EU:T:2012:501, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat de Commissie aanvaardde dat de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” niet werden uitgevoerd. Een dergelijke aanvaarding zou integendeel, gelet op de hierboven aangehaalde rechtspraak, gebaseerd kunnen zijn op een administratieve praktijk zonder juridische grondslag die nooit legitieme verwachtingen kon wekken bij de justitiabele, met inbegrip van een lidstaat. Hieruit volgt dat, wat die twee GLMC-normen betreft, de Republiek Letland vergeefs had geprobeerd om te verzoeken om en redenen te geven voor een afwijking van zijn verplichting om die normen uit te voeren, waarbij de Commissie rechtens verplicht was die afwijking te verwerpen. Bijgevolg is het bestreden besluit in zoverre niet onrechtmatig.
68
Gelet op een en ander moet het eerste middel bijgevolg worden aanvaard voor zover het betrekking heeft op de normen „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime”, maar moet het worden afgewezen voor zover het de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” betreft.
Tweede middel: onjuiste berekening van de litigieuze financiële correcties
Argumenten van partijen
69
In het kader van het tweede middel verwijt de Republiek Letland de Commissie dat zij een onjuiste financiële correctie heeft toegepast, waarvan het bedrag het evenredigheidsbeginsel schendt. Blijkens document AGRI-2005‑64043 moeten de financiële correcties in verhouding staan tot het door de Fondsen gelopen risico en wordt dat risico beoordeeld op basis van het risico van financiële schade als gevolg van de niet-toepassing van sancties. Tijdens de talrijke contacten met de Letse autoriteiten, met name in haar brieven van 26 november 2010 (punt 1.3) en van 25 februari 2013 (punt 4), en in het syntheseverslag heeft de Commissie evenwel niet nader aangegeven aan welk risico de fondsen hadden blootgestaan. Het Gerecht heeft evenwel reeds geoordeeld – in het arrest van 10 september 2008, Frankrijk/Commissie (T‑370/05, EU:T:2008:328, punt 81) – dat moest worden beoordeeld of het door het EOGFL gelopen risico van overschrijding van de drempel voor communautaire financiering reëel was, en dat in die zaak het risico van overschrijding van die drempel zeer gering en dus niet reëel was. Dat zou ook in casu het geval zijn. De litigieuze financiële correcties zouden bijgevolg onredelijk en onevenredig zijn.
70
Bovendien betoogt de Republiek Letland in wezen dat de Commissie ten onrechte de forfaitaire benadering heeft toegepast, hoewel kon worden beoordeeld welke reële risico’s werden gelopen bij niet-uitvoering van de GLMC-normen. Document VI/5330/97 bepaalt dat forfaitaire correcties slechts in overweging kunnen worden genomen wanneer degene die de controle verricht op basis van de tijdens het onderzoek verkregen informatie niet in staat is het verlies te beoordelen op basis van een extrapolatie van de vastgestelde verliezen. De Republiek Letland heeft echter herhaaldelijk, met name bij brief van 6 november 2012, alle vereiste informatie verstrekt, met name betreffende het aantal landbouwbedrijven waarop de in 2008 en 2009 ontbrekende eisen eventueel betrekking hadden, betreffende de oppervlakte van de landbouwgrond van de betrokken landbouwbedrijven en betreffende het geraamde steunbedrag, welke informatie had kunnen worden gebruikt voor de berekening van het door de Fondsen gelopen risico. De Commissie heeft evenwel geen rekening gehouden met die informatie en evenmin redenen gegeven waarom zij dat niet heeft gedaan, en heeft aldus gehandeld in strijd met document VI/5330/97. Bovendien heeft de Commissie, doordat zij zonder duidelijke motivering heeft verzuimd om de argumenten van de Letse autoriteiten betreffende de berekening van het door de Fondsen gelopen precieze financiële risico correct te beoordelen, inbreuk gemaakt op het „beginsel van behoorlijk bestuur”, dat vereist dat de bevoegde instelling zorgvuldig en onpartijdig alle relevante elementen van het concrete geval onderzoekt. In casu had de Commissie niet mogen afzien van een nauwkeurige berekening van dat risico, waarvoor zij een eigen berekening geeft in bijlage A.17 bij het verzoekschrift.
71
De Commissie antwoordt in wezen dat, nu de betrokken GLMC-normen niet waren uitgevoerd en andere relevante criteria ontbraken, zij de concrete verliezen van de Fondsen niet kon berekenen. De door de Republiek Letland gemaakte hypothetische berekening kan dus niet worden geverifieerd. Ingevolge document AGRI-2005‑64043 heeft de Commissie aldus forfaitaire correcties toegepast van 5 % voor het aangiftejaar 2008 en 2 % voor het aangiftejaar 2009.
Beoordeling door het Gerecht
72
Met het tweede middel verwijt de Republiek Letland de Commissie in wezen dat zij bij de berekening van de litigieuze forfaitaire correcties enerzijds het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en heeft gehandeld in strijd met de relevante bepalingen van document AGRI-2005‑64043 (eerste onderdeel), en anderzijds inbreuk heeft gemaakt op de in het document VI/5330/97 gestelde eisen en op het beginsel van „behoorlijk bestuur” (tweede onderdeel).
73
Wat het eerste onderdeel betreft, moet worden opgemerkt dat document AGRI-2005‑64043 niet alleen voorziet in nauwkeurigere bepalingen dan document VI/5330/97, voor zover het specifiek betrekking heeft op de financiële correcties die kunnen worden toegepast in het kader van de – in casu relevante – randvoorwaarden, maar tevens wordt geacht uitvoering te geven aan het evenredigheidsbeginsel in dit specifieke kader. De Republiek Letland plaatst echter geen vraagtekens bij de wettigheid van document AGRI-2005‑64043 vanuit het oogpunt van met name het evenredigheidsbeginsel, zodat het Gerecht alleen hoeft na te gaan of de Commissie de regels in acht heeft genomen die zij met dat document aan zichzelf heeft opgelegd. In dat verband zij eraan herinnerd dat de Commissie, door de vaststelling van administratieve gedragsregels die beogen externe gevolgen teweeg te brengen, zoals document AGRI-2005‑64043, en via de publicatie of, zoals in casu, mededeling ervan te doen weten dat zij die voortaan zal toepassen op de desbetreffende gevallen, de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt. Zij kan niet van die regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids-, het rechtszekerheids-, of het vertrouwensbeginsel (zie in die zin arresten van 9 september 2011, Griekenland/Commissie, T‑344/05, niet gepubliceerd, EU:T:2011:440, punt 192; 16 september 2013, Spanje/Commissie, T‑3/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:473, punt 84en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juli 2014, Griekenland/Commissie, T‑376/12, EU:T:2014:623, punt 106).
74
Aldus is in document AGRI-2005‑64043, onder het kopje „Algemene beginselen” met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel in wezen uiteengezet dat de financiële correcties evenredig moeten zijn aan het door de Fondsen gelopen risico, daarbij rekening houdend met het feit dat de randvoorwaarden geen subsidiabiliteitscriteria zijn maar de grondslag vormen voor sancties. Bijgevolg wordt het door de Fondsen gelopen risico in beginsel niet beoordeeld op basis van het risico van niet-subsidiabele uitgaven, maar op basis van het risico van financieel verlies dat voortvloeit uit de niet-toepassing van sancties. Onder dat kopje deelt de Commissie mee dat zij voornemens is om forfaitaire financiële correcties ook toe te passen in de context van tekortkomingen in het crosscompliancesysteem.
75
Wat de financiële correcties betreft, voorziet punt 3.1 van document AGRI-2005‑64043 met name in de volgende correctiepercentages:
„–
Wanneer tekortkomingen worden vastgesteld in de toepassing van een of meer secundaire controles in het kader van het crosscompliancesysteem, dient een correctie van 2 % te worden toegepast [...].
–
Wanneer de in het kader van de randvoorwaarden in acht te nemen verplichtingen die zijn vastgesteld in een handeling [...] of een norm (zie bijlage IV bij [...] verordening [nr. 1782/2003]), worden gecontroleerd, maar het aantal, de frequentie of de grondigheid van de controle niet in overeenstemming waren met de regel- of wetgeving (in het geval [...] van de goede landbouw- en milieuconditie) of wanneer die controles niet resulteren in de toepassing van de in de regelgeving vastgestelde sancties, dient een correctie van 5 % te worden toegepast.
–
[...]”
76
De Republiek Letland heeft niet aangetoond dat de Commissie in casu bij de vaststelling van de litigieuze forfaitaire correcties voornoemde bepalingen niet in acht heeft genomen en bijgevolg het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
77
In dat verband zij eraan herinnerd dat de Republiek Letland zich in het kader van het eerste middel ertoe beperkt de wettigheid van de litigieuze forfaitaire correcties in wezen te betwisten op grond dat de Commissie haar ten onrechte had verweten dat zij de in bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003 bedoelde normen niet had uitgevoerd. Bovendien blijkt uit het tweede streepje van punt 3.1 van document AGRI-2005‑64043 duidelijk dat de Commissie van mening is dat zij een forfaitaire correctie van 5 % mag toepassen wanneer de in het kader van de randvoorwaarden in acht te nemen verplichtingen, die zijn vastgesteld een norm in de zin van bijlage IV bij verordening nr. 1782/2003, „worden gecontroleerd, maar het aantal, de frequentie of de grondigheid van de controle niet in overeenstemming waren met de regel- of wetgeving [...] of wanneer die controles niet resulteren in de toepassing van de in de regelgeving vastgestelde sancties”.
78
In casu moet worden vastgesteld dat, gelet op het feit dat de Letse autoriteiten met name de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” helemaal niet hebben uitgevoerd (zie punt 68 supra), en dat zij de eventuele niet-inachtneming van die normen dus niet hebben gecontroleerd noch gesanctioneerd, zeker was voldaan aan de voorwaarden van voormelde bepaling wat het aangiftejaar 2008 betreft. De Commissie had immers, zoals reeds gezegd, ter rechtvaardiging van de toepassing van een forfaitair correctiepercentage van 5 %, in het syntheseverslag gepreciseerd dat in 2008 vier GLMC-normen op tien, waarvan de twee hierboven vermelde normen, niet waren vastgesteld en evenmin waren gecontroleerd, hetgeen als zodanig grond opleverde voor die forfaitaire correctie (zie punt 13 supra). Hoe dan ook heeft de Republiek Letland niet betwist dat de door de Commissie verlangde controles niet waren uitgevoerd en dat geen sancties waren vastgesteld en toegepast.
79
In die omstandigheden kon de Commissie volstaan met een verwijzing naar de criteria van de voormelde bepalingen uit document AGRI-2005‑64043 en met de vaststelling dat elke uitvoering en controle van de betrokken normen achterwege was gebleven, zonder dat zij de omvang van het door de Fondsen gelopen risico hoefde te beoordelen en toe te lichten. Die vaststelling wordt indirect bevestigd door punt 3.2 van document AGRI-2005‑64043, onder het kopje „Beoordeling van de omvang van het risico”, waarin staat te lezen dat wanneer het controlesysteem van de lidstaat tekortkomingen vertoont, het onmogelijk is om duidelijk de respectievelijke omvang van de verschillende relevante percentages voor niet-toegepaste sancties vast te stellen, en dat de forfaitaire correcties die moeilijkheid beogen te verhelpen door de toepassing van standaardcorrectiepercentages. In dat verband en in overeenstemming met het doel van die bepaling voert de Commissie terecht aan dat zij de concrete verliezen voor de Fondsen onmogelijk kan berekenen wanneer bepaalde GLMC-normen helemaal niet zijn uitgevoerd.
80
Aan die beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat de Commissie voor het aangiftejaar 2009 zich ertoe heeft beperkt een forfaitaire correctie van slechts 2 % toe te passen wegens het achterwege blijven van de uitvoering van en controles betreffende de analoge, in bijlage III bij verordening nr. 73/2009 opgenomen GLMC-normen, die ook „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” als opschrift hebben (zie punt 14 supra). Blijkens het syntheseverslag heeft de Commissie ter rechtvaardiging van de toepassing van dat lagere correctiepercentage van 2 % immers gesteld dat de Letse autoriteiten inmiddels verbeteringen hadden aangebracht aan het systeem voor de controle van de randvoorwaarden, zodat het door de Fondsen gelopen risico voor dat jaar geringer was dan voor het aangiftejaar 2008. Hoe dan ook heeft de Republiek Letland ter terechtzitting bevestigd dat zij niet wenste te betwisten dat het controlesysteem gebreken vertoonde. Bovendien heeft zij niet aangevoerd dat de Commissie hetzelfde controlepercentage ook voor het aangiftejaar 2008 had moeten toepassen, maar heeft zij slechts benadrukt dat het gelopen risico concreet moest worden berekend.
81
In die context kan de Republiek Letland zich evenmin met succes beroepen op het arrest van 10 september 2008, Frankrijk/Commissie (T‑370/05, EU:T:2008:328, punt 81). In dat verband kan worden volstaan met op te merken dat voormeld arrest zich niet duidelijk uitspreekt in de door de Republiek Letland aangevoerde zin, en dat het in dat arrest gaat om een afzonderlijke regeling van controle van de uitgaven en van financiële correcties uit hoofde van het EOGFL, die in casu niet van toepassing is.
82
Aangezien de Commissie het bestreden besluit en in het bijzonder de litigieuze forfaitaire correcties mocht baseren op de niet-naleving door de Letse autoriteiten van de verplichting om de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” uit te voeren en op het achterwege blijven van de controle daarvan tijdens de aangiftejaren 2008 en 2009, kan verzoeksters betoog bijgevolg niet worden aanvaard.
83
Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
84
Wat het tweede onderdeel betreft, zij eraan herinnerd dat document AGRI-2005‑64043 specifieke regels bevat voor de forfaitaire financiële correcties in het kader van het crosscompliancesysteem, en dat de algemene regels in document VI/5330/97 daardoor dus noodzakelijkerwijs worden gewijzigd en nader uitgewerkt. Bijgevolg kan de Republiek Letland dat document niet in het algemeen aanvoeren en moet haar desbetreffende grief ongegrond worden verklaard.
85
Bovendien moet, zoals de Commissie benadrukt, worden opgemerkt dat zij daadwerkelijk rekening heeft gehouden met de argumenten en de informatie die de Letse autoriteiten tijdens de bilaterale goedkeuringsprocedure hadden aangevoerd respectievelijk verstrekt om aan te tonen dat de voorgestelde forfaitaire correcties niet waren afgestemd op het door de Fondsen gelopen risico. In haar brief van 11 november 2013 heeft de Commissie, in overeenstemming met de overwegingen in de punten 77 en 82 supra, bedoelde argumenten en informatie evenwel afgewezen, in wezen op grond dat met name, in 2008, vier GLMC-normen op tien, en in 2009, twee GLMC-normen op acht niet waren vastgesteld en dat de door de Letse autoriteiten verstrekte schatting van het potentiële risico voor de Fondsen niet betrouwbaar was (zie punt 6 supra).
86
In die omstandigheden kan de Republiek Letland de Commissie niet verwijten dat zij heeft gehandeld in strijd met document VI/5330/97 en het beginsel van „behoorlijk bestuur” heeft geschonden, zodat het tweede onderdeel kan niet slagen.
87
Derhalve dient het tweede middel in zijn geheel te worden verworpen.
Conclusie tot nietigverklaring van het bestreden besluit
88
Aangezien het eerste middel gedeeltelijk moet worden aanvaard, namelijk voor zover de Commissie de litigieuze forfaitaire correcties ten onrechte heeft gebaseerd op het aan de Letse autoriteiten verweten verzuim dat zij de normen „Normen voor vruchtwisseling in voorkomend geval” en „Een minimale veebezetting en/of een passend regime” in 2008 niet hadden uitgevoerd, dient het bestreden besluit in zijn geheel nietig te worden verklaard.
89
Anders dan de Commissie ter terechtzitting heeft uiteengezet, volstaat het immers erop te wijzen dat hoe dan ook niet valt uit te sluiten dat wanneer die tekortkoming niet in aanmerking zou worden genomen, of alleen de vaststelling dat de normen „Minimale bodembedekking” en „Instandhouding van landschapselementen” in de aangiftejaren 2008 en 2009 niet waren uitgevoerd, zou worden gehandhaafd, dit van invloed zou zijn geweest op het in het kader van het onderhavige beroep betwiste totaalbedrag van de forfaitaire correctie, te weten 739393,95 EUR. Die conclusie is met name gerechtvaardigd gelet op het feit dat de Commissie in het bestreden besluit, wat het aangiftejaar 2009 betreft, vanwege de niet-uitvoering van uitsluitend die twee GLMC-normen, van mening was dat forfaitaire correcties van slechts 2 %, in plaats van 5 % gerechtvaardigd waren. Ook al heeft de Commissie ter motivering van die benadering gesteld dat de Letse autoriteiten het controlesysteem van de randvoorwaarden in zekere mate hadden verbeterd ten opzichte van het aangiftejaar 2008 (zie punten 14 en 80 supra), kan het Gerecht op basis van de elementen van het dossier niet beoordelen of de niet-uitvoering van uitsluitend die twee GLMC-normen in 2008 de Commissie tot een vergelijkbare conclusie zou hebben kunnen brengen. In dat verband zij eraan herinnerd dat op het gebied van het landbouwbeleid de rechtspraak de instellingen een ruime beoordelingsvrijheid inruimt, gelet op de verantwoordelijkheden die het Verdrag hun oplegt (arrest van 3 mei 2007, Spanje/Commissie, T‑219/04, EU:T:2007:121, punt 105). Evenzo beschikt de Commissie in casu, in het kader van de uitvoering van artikel 31, lid 2, van verordening nr. 1290/2005 en van de relevante bepalingen van document AGRI-2005‑64043, over een ruime beoordelingsmarge om het risico te beoordelen dat de Fondsen lopen als gevolg van het bestaan van tekortkomingen in de controlesystemen voor de randvoorwaarden en van de complexiteit van de berekeningen – waarvan het Gerecht niet in kennis is gesteld – die ten grondslag liggen aan de berekening van het bedrag van de verschillende litigieuze forfaitaire correcties die zijn vermeld op de bladzijden 69, 70, 73 en 74 van het bestreden besluit. Dienaangaande mag het Gerecht in het kader van zijn wettigheidstoetsing krachtens artikel 263 VWEU, zijn eigen economische beoordeling niet in de plaats stellen van die van de Commissie (zie in die zin arresten van 2 september 2010, Commissie/Scott, C‑290/07 P, EU:C:2010:480, punt 66, en 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 89).
90
Krachtens artikel 266, lid 1, VWEU zal het dus aan de Commissie staan de nodige consequenties te verbinden aan de nietigverklaring van het bestreden besluit, waarbij zij niet alleen rekening dient te houden met het dictum van het onderhavige arrest, maar ook met de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen (zie in die zin arrest van 29 november 2007, Italië/Commissie, C‑417/06 P, EU:C:2007:733, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Kosten
91
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
92
Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Letland te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Uitvoeringsbesluit 2014/458/EU van de Commissie van 9 juli 2014 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), wordt nietig verklaard voor zover daarbij bepaalde uitgaven van de Republiek Letland, ten bedrage van 739393,95 EUR, aan Uniefinanciering worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn verricht.
2)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
Jaeger
Prek
Kreuschitz
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 2016.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Procedure en conclusies van partijen
In rechte
Samenvatting van de middelen tot nietigverklaring
Eerste middel: schending van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 en van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 73/2009
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Opmerkingen vooraf
– Letterlijke uitlegging
– Contextuele en teleologische uitlegging
– Historische uitlegging
– Conclusie
Tweede middel: onjuiste berekening van de litigieuze financiële correcties
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Conclusie tot nietigverklaring van het bestreden besluit
Kosten
( *1 ) Procestaal: Lets.
Full & Egal Universal Law Academy