ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
13 september 2018 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Plaatsing van de naam van de entiteit die verzoekster in eigendom heeft op de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – Motiveringsplicht – Rechten van verdediging – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije – Grondrechten – Evenredigheid”
In zaak T‑798/14,
DenizBank A.Ş., gevestigd te Istanbul (Turkije), vertegenwoordigd door O. Jones, D. Heaton, barristers, R. Mattick, S. Utku, solicitors, en M. Lester, QC,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Boelaert en A. de Elera-San Miguel Hurtado, vervolgens door Boelaert en P. Mahnič Bruni als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Gauci, L. Havas en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13), zoals gewijzigd bij besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014 (PB 2014, L 271, blz. 54), besluit 2014/872/GBVB van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 349, blz. 58), besluit (GBVB) 2015/2431 van de Raad van 21 december 2015 (PB 2015, L 334, blz. 22), besluit (GBVB) 2016/1071 van de Raad van 1 juli 2016 (PB 2016, L 178, blz. 21), en besluit (GBVB) 2016/2315 van de Raad van 19 december 2016 (PB 2016, L 345, blz. 65), en, ten tweede, verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014 (PB 2014, L 271, blz. 3), en verordening nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 349, blz. 20), voor zover die handelingen verzoekster betreffen,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, D. Spielmann en Z. Csehi, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 november 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoekster, DenizBank A.Ş., is een in Istanbul (Turkije) gevestigde Turkse commerciële bank, waarvan het kapitaal voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank of Russia OAO (hierna: „Sberbank”), een in Moskou (Rusland) gevestigde Russische retailbank.
2
Op 20 februari 2014 heeft de Raad van de Europese Unie alle gebruik van geweld in Oekraïne in de krachtigste bewoordingen veroordeeld. Hij heeft ertoe opgeroepen om onmiddellijk een einde te maken aan het geweld en om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Oekraïne ten volle te respecteren. De Raad was ook voornemens om beperkende maatregelen vast te stellen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de mensenrechten, het geweld, en het gebruik van buitensporige machtsmiddelen.
3
Tijdens een buitengewone zitting van de Raad op 3 maart 2014 werd de duidelijke schending van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne door daden van agressie vanwege de Russische strijdkrachten veroordeeld, alsmede de toestemming die de Soviet Federatsii Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Federatieraad van de Federale Vergadering van de Russische Federatie) op 1 maart 2014 gaf voor het inzetten van strijdkrachten op het grondgebied van Oekraïne. De Europese Unie heeft de Russische Federatie opgeroepen om haar troepen onmiddellijk naar hun garnizoenen terug te trekken, overeenkomstig haar internationale verplichtingen.
4
Op 5 maart 2014 heeft de Raad beperkende maatregelen vastgesteld die de bevriezing en terugvordering van verduisterde Oekraïense overheidsmiddelen beoogden.
5
Op 6 maart 2014 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie de conclusies van de Raad van 3 maart 2014 onderschreven. Zij hebben de niet-uitgelokte schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie krachtig veroordeeld en er bij de Russische Federatie op aangedrongen haar strijdkrachten onmiddellijk terug te trekken naar de gebieden waar zij permanent gestationeerd zijn, overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten. De staatshoofden en regeringsleiders hebben verklaard dat eventuele verdere stappen van de Russische Federatie om de situatie in Oekraïne te destabiliseren, supplementaire en verreikende gevolgen zouden hebben voor de betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en dit voor een breed spectrum van economische gebieden. Zij hebben de Russische Federatie opgeroepen onmiddellijke toegang mogelijk te maken voor internationale waarnemers en benadrukt dat de oplossing voor de crisis in Oekraïne gebaseerd moet zijn op de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van het land, alsook de strikte naleving van internationale normen.
6
Op 16 maart 2014 hebben het parlement van de Autonome Republiek van de Krim en het plaatselijke bestuur van de stad Sebastopol, twee onderverdelingen van Oekraïne, een referendum over de status van de Krim gehouden. In het kader van dit referendum werd de bevolking van de Krim verzocht aan te geven of zij deel wenste te worden van de Russische Federatie dan wel dat de grondwet van 1992 en de status van de Krim als deel van Oekraïne opnieuw zouden worden ingevoerd. Blijkens het in de Autonome Republiek van de Krim aangekondigde resultaat stemde 96,77 % voor de aansluiting van de regio bij de Russische Federatie en nam 83,1 % aan het referendum deel.
7
Op 17 maart 2014 heeft de Raad opnieuw conclusies betreffende Oekraïne aangenomen. De Raad heeft het referendum dat op 16 maart 2014 is gehouden over de aansluiting van de Krim bij de Russische Federatie, krachtig veroordeeld. Dit referendum is volgens de Raad duidelijk in strijd met de Oekraïense grondwet. De Raad heeft de Russische Federatie onmiddellijk opgeroepen om maatregelen te treffen om te zorgen voor een de-escalatie van de crisis, onmiddellijk haar troepen naar hun garnizoenen terug te trekken zodat de troepensterkte van voor de crisis wordt hersteld, overeenkomstig internationale afspraken, rechtstreekse besprekingen met de regering van Oekraïne aan te knopen, en gebruik te maken van alle relevante internationale mechanismen om een vreedzame en via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing te vinden, met volledige inachtneming van haar bilaterale en multilaterale verbintenissen om de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne te eerbiedigen. In dat verband heeft de Raad betreurd dat de VN-Veiligheidsraad vanwege het veto van de Russische Federatie geen resolutie heeft kunnen aannemen. Hij heeft de Russische Federatie voorts opgeroepen geen stappen te nemen om de Krim, in strijd met het internationaal recht, te annexeren.
8
Op dezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) en, op grond van artikel 215 VWEU, verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld, waarbij de Raad reisbeperkingen en een bevriezing van tegoeden heeft opgelegd aan de personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen en aan de personen en entiteiten die met hen verbonden zijn.
9
Op 17 maart 2014 heeft de Russische Federatie de resultaten van het referendum op de Krim van 16 maart 2014 officieel erkend. Naar aanleiding van dat referendum hebben de Hoogste Raad van de Krim en de gemeenteraad van Sebastopol de onafhankelijkheid van de Krim ten opzichte van Oekraïne uitgeroepen en verzocht om de aansluiting ervan bij de Russische Federatie. Diezelfde dag heeft de Russische president een decreet ondertekend waarmee hij de Republiek Krim als een soevereine en onafhankelijke staat heeft erkend.
10
Op 21 maart 2014 heeft de Europese Raad herinnerd aan de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie van 6 maart 2014 en de Europese Commissie en de lidstaten verzocht om mogelijke gerichte maatregelen voor te bereiden.
11
Op 23 juni 2014 heeft de Raad besloten dat de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol moest worden verboden, met uitzondering van die goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol waaraan door de regering van Oekraïne een oorsprongscertificaat was verleend.
12
Naar aanleiding van het ongeval op 17 juli 2014 waarbij te Donetsk (Oekraïne) vlucht MH17 van Malaysia Airlines is neergehaald, heeft de Raad de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verzocht uiterlijk op 24 juli 2014 hun voorbereidende werkzaamheden in verband met eventuele gerichte maatregelen af te ronden en voorstellen voor maatregelen te formuleren, onder meer wat betreft de toegang tot kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, ook in de energiesector.
13
Gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne ondanks het feit dat in maart 2014 reisbeperkingen en een bevriezing van tegoeden waren opgelegd aan bepaalde natuurlijke en rechtspersonen, heeft de Raad op 31 juli 2014 op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13) vastgesteld, teneinde gerichte beperkende maatregelen in te voeren wat betreft de toegang tot kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, ook in de energiesector.
14
Omdat de Raad van opvatting was dat die maatregelen binnen de werkingssfeer van het VWEU vielen en voor de uitvoering daarvan regelgeving op het niveau van de Unie noodzakelijk was, heeft hij op 31 juli 2014, op grond van artikel 215, lid 2, VWEU, verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1) vastgesteld. Die verordening bevat uitvoeringsbepalingen om zowel op het niveau van de Unie als in de lidstaten gevolg te geven aan de voorschriften van besluit 2014/512.
15
Het aangegeven doel van deze beperkende maatregelen is de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Hiertoe is bij besluit 2014/512 in het bijzonder besloten tot een verbod op de uitvoer van bepaalde voor de aardoliesector in Rusland bestemde producten en gevoelige technologieën alsmede tot beperkingen op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie voor bepaalde marktdeelnemers in deze sector.
16
Vervolgens heeft de Raad op 8 september 2014 besluit 2014/659/GBVB tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2014, L 271, blz. 54) en verordening (EU) nr. 960/2014 tot wijziging van verordening nr. 833/2014 (PB 2014, L 271, blz. 3) vastgesteld teneinde het op 31 juli 2014 uitgevaardigde verbod met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten uit te breiden en aanvullende beperkingen op te leggen betreffende de toegang tot de kapitaalmarkt.
17
Artikel 1, lid 1, van besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2014/659, luidt:
„1. De directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen die tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014 zijn uitgegeven, of met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 zijn uitgegeven door:
a)
belangrijke kredietinstellingen of instellingen voor financieringsontwikkeling die gevestigd zijn in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of die voor meer dan 50 % door de staat worden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014, als vermeld in bijlage I;
b)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam gevestigd buiten de Unie en voor meer dan 50 % eigendom van een in bijlage I vermelde entiteit; of
c)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam handelend namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld [onder b)] van dit lid of van een in bijlage I vermelde entiteit.”
18
De naam van Sberbank is vermeld in punt 1 van bijlage I bij besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2014/659.
19
Artikel 5, leden 1 en 3, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 960/2014, bepaalt:
„1. Er geldt een verbod op de directe of indirecte aan- of verkoop of de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor en andere vormen van handel in overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen, die zijn uitgegeven tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014, of met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014, door:
a)
belangrijke kredietinstellingen of andere belangrijke instellingen die expliciet tot taak hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen, die gevestigd zijn in Rusland en die op 1 augustus 2014 voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of voor meer dan 50 % door de staat worden gecontroleerd, als vermeld in bijlage III, of
b)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die buiten de Unie zijn gevestigd en waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % direct of indirect in handen zijn van een in bijlage III vermelde entiteit, of
c)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die handelen namens of op aanwijzing van een entiteit die is bedoeld [onder b)] van dit lid of staat vermeld in bijlage III.
[…]
3. Het is verboden na 12 september 2014 direct of indirect een regeling te treffen voor of deel uit te maken van een regeling voor nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen ten behoeve van rechtspersonen, entiteiten of lichamen als bedoeld in lid 1 of lid 2, behalve voor leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor de niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en Rusland of voor leningen die als specifiek en welomschreven doel hebben noodfinanciering te bieden om te beantwoorden aan de solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen wier eigendomsrechten voor meer dan 50 % in het bezit zijn van een in bijlage III bedoelde entiteit.”
20
De naam van Sberbank is vermeld in bijlage III bij verordening nr. 833/2014.
21
Op 4 december 2014 heeft de Raad besluit 2014/872/GBVB tot wijziging van besluit 2014/512 en besluit 2014/659 (PB 2014, L 349, blz. 58) en verordening (EU) nr. 1290/2014 tot wijziging van verordening nr. 833/2014 en verordening nr. 960/2014 (PB 2014, L 349, blz. 20) vastgesteld.
22
Ten gevolge van de vaststelling van verordening nr. 1290/2014 is artikel 5, lid 3, van verordening nr. 833/2014 gewijzigd als volgt:
„3. Het is verboden om na 12 september 2014 direct of indirect een regeling te treffen voor nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen ten behoeve van rechtspersonen, entiteiten of lichamen als bedoeld in lid 1 of 2, of om aan een dergelijke regeling deel te nemen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
a)
leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en een derde staat, met inbegrip van de uitgaven voor goederen en diensten van een derde staat die nodig zijn voor de uitvoering van de uit- of invoercontracten, of
b)
leningen die als specifiek en welomschreven doel hebben noodfinanciering te bieden om te beantwoorden aan de solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen wier eigendomsrechten voor meer dan 50 % eigendom zijn van een in bijlage III bedoelde entiteit.”
23
Op 21 december 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/2431 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2015, L 334, blz. 22) vastgesteld. Op 1 juli 2016 heeft de Raad besluit (GBVB) 2016/1071 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2016, L 178, blz. 21) vastgesteld. Ten slotte heeft de Raad op 19 december 2016 besluit (GBVB) 2016/2315 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2016, L 345, blz. 65) vastgesteld.
Procedure en conclusies van partijen
24
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 december 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
Interventie
25
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 april 2015, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad.
26
Bij beschikking van 30 juni 2015 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan.
27
Op 24 augustus 2015 heeft de Commissie een memorie in interventie ingediend.
28
Verzoekster en de Raad hebben binnen de daartoe gestelde termijn opmerkingen over die memorie ingediend op respectievelijk 9 oktober en 1 september 2015.
Schorsing van de procedure
29
Op 12 maart 2015 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht besloten om de partijen te horen over een eventuele schorsing van de behandeling in afwachting van de beslissing van het Hof waarbij de procedure in zaak C‑72/15, Rosneft, wordt beëindigd. Bij brief van de griffie van het Gerecht van 23 maart 2015 werd partijen daartoe een termijn gesteld.
30
De Raad en verzoekster hebben hun opmerkingen over die eventuele schorsing ingediend bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 27 maart en 7 april 2015.
31
Bij beslissing van 29 oktober 2015, vastgesteld op basis van artikel 69, onder a), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft de president van de Negende kamer besloten de behandeling van de zaak te schorsen op grond dat er een – op zijn minst gedeeltelijke – overeenstemming bestond tussen de bepalingen met betrekking waartoe het Hof de draagwijdte en de geldigheid moest beoordelen in zaak C‑72/15, Rosneft, en die welke in de onderhavige zaak relevant waren.
32
Ten gevolge van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), is de schorsing van de behandeling geëindigd overeenkomstig artikel 71, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.
33
De voornaamste partijen is in dat verband verzocht hun opmerkingen in te dienen over de gevolgen die dienen te worden getrokken uit het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), wat betreft de middelen en argumenten die in het kader van het onderhavige beroep zijn aangevoerd. Zij hebben binnen de gestelde termijn aan dat verzoek voldaan.
Aanpassing van het verzoekschrift
34
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 februari 2015, heeft verzoekster haar verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2014/872 en verordening nr. 1290/2014.
35
De Raad heeft opmerkingen over deze memorie ingediend bij een op 24 februari 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte.
36
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 december 2015, heeft verzoekster haar verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2015/2431, aangezien daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 vastgestelde beperkende maatregelen wordt verlengd.
37
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 april 2017, heeft verzoekster haar verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2016/1071 en besluit 2016/2315, aangezien daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 vastgestelde beperkende maatregelen wordt verlengd.
38
De Raad heeft geen opmerkingen over die memories ingediend.
Wijziging in de samenstelling van de kamers
39
Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering.
Conclusies van partijen
40
Verzoekster verzoekt in wezen het Gerecht:
–
besluit 2014/512, zoals verlengd of gewijzigd bij besluit 2014/659, besluit 2014/872, besluit 2015/2431, besluit 2016/1071 en besluit 2016/2315 (hierna: „bestreden besluit”) en verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 960/2014 en verordening nr. 1290/2014 (hierna: „bestreden verordening”) (hierna, samen: „bestreden handelingen”) nietig te verklaren, voor zover die handelingen op haar betrekking hebben en voor zover zij niet aldus kunnen worden uitgelegd dat die handelingen niet op verzoekster van toepassing zijn;
–
de Raad te verwijzen in de kosten.
41
De Raad verzoekt het Gerecht:
–
het beroep te verwerpen omdat het Gerecht deels onbevoegd is om uitspraak erover te doen, het beroep niet-ontvankelijk is of, in ieder geval, ongegrond is;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In zijn schriftelijk antwoord op de vraag van het Gerecht naar aanleiding van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), heeft de Raad verklaard dat hij niet langer ter discussie stelde dat het Gerecht bevoegd was om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen, voor zover dit besluit beperkende maatregelen bevat in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, wat ter terechtzitting is bevestigd.
42
De Commissie verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.
In rechte
43
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan: 1) schending van de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op de Raad rustende motiveringsplicht; 2) schending van de rechten van verdediging en het recht op doeltreffende rechterlijke toetsing; 3) schending van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ondertekend op 12 september 1963 (hierna: „Overeenkomst van Ankara”), en van het Aanvullend Protocol en Financieel Protocol, ondertekend op 23 november 1970 (hierna tezamen: „Overeenkomsten van Ankara”), en 4) een ongerechtvaardigde schending van de grondrechten en de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid. Verzoekster voert voorts een op artikel 277 VWEU gebaseerde exceptie van onwettigheid aan, wat betreft artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 1, lid 5, van verordening nr. 960/2014.
44
Om te beginnen moet worden nagegaan of het beroep ontvankelijk is.
Ontvankelijkheid
45
De Raad voert aan dat verzoeksters verzoek tot nietigverklaring van de bestreden handelingen moet worden afgewezen omdat het niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
46
Ten eerste is de Raad van mening dat verzoekster niet „rechtstreeks geraakt” is door de maatregelen waarin is voorzien bij artikel 1, lid 1, onder a) en b), van het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, onder a), en b), van de bestreden verordening (hierna tezamen: „relevante bepalingen van de bestreden verordeningen”), in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Hij voert in dat verband aan dat het feit dat verzoekster onder de werkingssfeer van die maatregelen valt, niet betekent dat zij rechtstreeks door die maatregelen wordt geraakt. Artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening verbiedt niet de uitgave van financiële instrumenten door de aangewezen entiteiten, maar de aan- of verkoop van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgave van de betrokken financiële instrumenten door natuurlijke of rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Unie vallen. Verzoekster is een entiteit die financiële instrumenten kan uitgeven, maar zij heeft niet aangetoond dat zij actief is op de markt voor de verboden diensten, die verband houden met de uitgave van de betrokken financiële instrumenten, zoals in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (T‑18/10, EU:T:2011:419).
47
Ten tweede voert de Raad subsidiair aan dat verzoekster ook niet individueel wordt geraakt door de relevante bepalingen van de bestreden handelingen. Zij wordt namelijk niet met naam genoemd in de bijlagen bij die handelingen. Dat de entiteiten waarop de maatregelen van toepassing zijn, kunnen worden geïdentificeerd, is voorts niet doorslaggevend. Bovendien volstaat de omstandigheid dat een maatregel van algemene strekking van toepassing is op een klein aantal entiteiten of dat bepaalde marktdeelnemers meer geraakt worden dan hun concurrenten, niet als bewijs dat de betrokken entiteiten individueel door de maatregel worden geraakt.
48
Verzoekster betwist die argumenten.
49
In dat verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen. Artikel 263, vierde alinea, tweede onderdeel, VWEU bepaalt dat indien de bestreden handeling niet tot de natuurlijke of rechtspersoon is gericht die het beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, het beroep ontvankelijk is indien die handeling die persoon rechtstreeks en individueel raakt. Bij het Verdrag van Lissabon is in artikel 263, vierde alinea, VWEU een derde onderdeel ingevoegd dat de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een door natuurlijke personen of rechtspersonen ingesteld beroep tot nietigverklaring heeft versoepeld. Zonder de ontvankelijkheid van door natuurlijke en rechtspersonen ingestelde beroepen tot nietigverklaring aan de voorwaarde van individuele geraaktheid te onderwerpen, stelt dat onderdeel dat rechtsmiddel immers open tegen „regelgevingshandelingen” die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen en een verzoeker rechtstreeks raken (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 56 en 57).
50
Wat in de eerste plaats de voorwaarde betreft dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak een natuurlijke of rechtspersoon slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU als de bestreden maatregel van de Unie rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unieregeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie in die zin arrest van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM, C‑125/06 P, EU:C:2008:159, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
In casu is het op grond van artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening marktdeelnemers in de Unie verboden bepaalde financiële transacties te verrichten met in Rusland gevestigde kredietinstellingen, die voldoen aan de in die artikelen gestelde voorwaarden en waarvan de naam is opgenomen in bijlage I bij het bestreden besluit of bijlage III bij de bestreden verordening. Artikel 1, lid 1, onder b), van het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, onder b), van de bestreden verordening verbieden die marktdeelnemers die transacties te verrichten met rechtspersonen, entiteiten of lichamen die buiten de Unie zijn gevestigd en die voor meer dan 50 % eigendom zijn van een entiteit die is genoemd in de overeenkomstige bijlagen bij de bestreden handelingen.
52
Verzoekster wordt derhalve rechtstreeks geraakt door de relevante bepalingen van de bestreden handelingen. De aan de orde zijnde beperkende maatregelen zijn namelijk rechtstreeks op haar van toepassing, als een onmiddellijk gevolg van het feit dat haar kapitaal voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die wordt genoemd in de bijlagen bij die handelingen, zonder dat degenen tot wie zij zijn gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, enige beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. In dat verband is niet van belang dat die bepalingen verzoekster niet verbieden om bedoelde transacties buiten de Unie te verrichten. Het staat namelijk vast dat de relevante bepalingen van de bestreden handelingen verzoekster beperkingen opleggen op de toegang tot de kapitaalmarkten van de Unie.
53
Ook het betoog van de Raad dat verzoeksters rechtspositie niet rechtstreeks wordt geraakt omdat de bij de bestreden handelingen ingevoerde maatregelen uitsluitend van toepassing zijn op in de Unie gevestigde lichamen, moet van de hand worden gewezen. De bij de bestreden handelingen ingevoerde verbodsbepalingen zijn weliswaar in de eerste plaats van toepassing op in de Unie gevestigde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, doch die verbodsbepalingen hebben tot doel en tot gevolg dat entiteiten als verzoekster rechtstreeks worden geraakt, waarbij die entiteiten door de toepassing op hen van die maatregelen in hun economische activiteit worden beperkt. Het spreekt voor zich dat het aan de in de Unie gevestigde lichamen staat die maatregelen toe te passen, aangezien de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen in beginsel niet van toepassing zijn buiten het grondgebied van de Unie. Dit betekent evenwel niet dat de entiteiten die door de bestreden handelingen zijn getroffen, niet rechtstreeks door de op hen toegepaste beperkende maatregelen worden geraakt. Marktdeelnemers van de Unie verbieden om bepaalde transacties te verrichten met buiten de Unie gevestigde entiteiten komt er namelijk op neer dat het die entiteiten wordt verboden de betrokken transacties te verrichten met marktdeelnemers van de Unie. Bovendien zouden, indien de stelling van de Raad in dat verband wordt aanvaard, zelfs in individuele gevallen van bevriezing van tegoeden, de op een lijst geplaatste personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, niet rechtstreeks door die maatregelen worden geraakt, omdat het in de eerste plaats aan de lidstaten van de Unie en aan de natuurlijke of rechtspersonen die onder hun bevoegdheid vallen, staat om die maatregelen toe te passen.
54
Daarenboven baseert de Raad zich in dat verband ten onrechte op de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (T‑18/10, EU:T:2011:419). In die zaak heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB 2009, L 286, blz. 36) uitsluitend gevolgen had voor de rechtspositie van de verzoekende partijen die zich bezighielden met het op de markt van de Unie brengen van zeehondenproducten en die werden geraakt door het algemene verbod om die producten op de markt te brengen, wat niet het geval was bij de verzoekende partijen die zich niet bezighielden met het op de markt brengen van die producten of van de producten die onder de uitzondering vielen waarin verordening nr. 1007/2009 voorzag, want het op de markt van de Unie brengen van zeehondenproducten die afkomstig zijn van door Inuit- en andere inheemse gemeenschappen traditioneel voor hun levensonderhoud beoefende jacht, bleef in beginsel geoorloofd (zie in die zin beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, T‑18/10, EU:T:2011:419, punt 79). In casu moet echter worden vastgesteld dat verzoekster actief is op de markt voor financiële diensten waarop de relevante bepalingen van de bestreden handelingen betrekking hebben en niet op gelijk welke markt upstream of downstream, zoals de Raad stelt. Het is immers vanwege de bestreden handelingen dat verzoekster in de onmogelijkheid verkeerde om bepaalde verboden financiële transacties te verrichten met in de Unie gevestigde lichamen, terwijl zij daartoe wel gerechtigd zou zijn indien die handelingen niet bestonden.
55
Verzoekster wordt derhalve rechtstreeks geraakt door de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, voor zover deze op haar betrekking hebben.
56
In de tweede plaats, zonder dat hoeft te worden nagegaan of de bestreden handelingen al dan niet uitvoeringsmaatregelen met zich brengen, is in casu ook voldaan aan de voorwaarde van individuele geraaktheid als bedoeld in de tweede hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
57
Elke plaatsing op een lijst van personen of entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, omdat zij voor die persoon of die entiteit overeenkomt met een individueel besluit, geeft die persoon of entiteit namelijk toegang tot de Unierechter overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU, waarnaar artikel 275, tweede alinea, VWEU verwijst (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 50; 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 44, en 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 103en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
In casu behoort verzoekster tot de entiteiten waarop de bij de relevante bepalingen van de bestreden behandelingen ingevoerde beperkende maatregelen van toepassing zijn, daar zij voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die is genoemd in de lijsten van bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening.
59
Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat wanneer een handeling een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld, waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, die personen door die handeling individueel kunnen zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers (zie in die zin arrest van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM, C‑125/06 P, EU:C:2008:159, punt 71en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
In casu maakt verzoekster deel uit van een beperkte kring van marktdeelnemers wier rechten zijn geraakt door de vaststelling van de bestreden handelingen, aangezien de beperkingen op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie op haar van toepassing zijn omdat zij een buiten de Unie gevestigde rechtspersoon, entiteit of lichaam is die voor meer dan 50 % eigendom is van een entiteit die is opgenomen in bijlage I bij het bestreden besluit of bijlage III bij de bestreden verordening.
61
Verzoekster is derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot nietigverklaring van de beperkende maatregelen die zijn ingevoerd bij de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, voor zover zij haar betreffen.
Ten gronde
62
Wat de middelen tot nietigverklaring betreft, acht het Gerecht het zinvol om allereerst het eerste middel betreffende schending van de motiveringsplicht te onderzoeken, vervolgens het tweede middel betreffende schending van de rechten van verdediging en het recht op doeltreffende rechterlijke toetsing, daarna het vierde middel betreffende ongerechtvaardigde schending van verzoeksters grondrechten en van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid en, ten slotte, het derde middel betreffende schending van de Overeenkomsten van Ankara.
Eerste middel, in wezen ontleend aan schending van de in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde motiveringsplicht
63
In het kader van haar eerste middel voert verzoekster aan dat de Raad, in strijd met artikel 296, tweede alinea, VWEU, zijn besluit om verzoekster op te nemen in de werkingssfeer van de beperkende maatregelen, niet passend of toereikend heeft gemotiveerd.
64
Verzoekster voert aan dat zij geen brief of kennisgeving van de Raad heeft ontvangen waarin haar werd meegedeeld dat zij was opgenomen in de werkingssfeer van de beperkende maatregelen, laat staan dat haar de redenen werden meegedeeld waarom de Raad haar in de werkingssfeer van die handelingen wenste op te nemen, samen met de bewijzen ter staving van die redenen. In dat verband is volgens verzoekster niet van belang dat de relevante bepalingen van de bestreden handelingen niet kunnen worden aangemerkt als maatregelen tot bevriezing van tegoeden, omdat die bepalingen beperkende maatregelen zijn die negatieve gevolgen hebben voor natuurlijke of rechtspersonen ten aanzien van wie individueel maatregelen zijn vastgesteld. De Raad had verzoekster dus de redenen moeten meedelen die rechtvaardigden dat zij werd opgenomen in de werkingssfeer van de bestreden handelingen, en de bekendmaking van de betrokken maatregelen in het Publicatieblad van de Europese Unie volstaat niet.
65
De Raad is primair van mening dat de in de rechtspraak inzake de motiveringsplicht geformuleerde criteria, waarnaar verzoekster verwijst, in casu niet van toepassing zijn. De aan de orde zijnde maatregelen komen namelijk niet neer op een bevriezing van tegoeden, maar op maatregelen of handelingen van algemene strekking. Tegen die achtergrond is aan de motiveringsplicht voldaan wanneer in de considerans van de handeling de algemene situatie wordt geschetst die tot de vaststelling ervan heeft geleid en voorts de algemene doelstellingen die de handeling beoogt te verwezenlijken. De Raad voert aan dat de considerans van de bestreden verordening aan die in de rechtspraak geformuleerde criteria beantwoordt.
66
Subsidiair stelt de Raad dat hij de motiveringsplicht is nagekomen, zoals die is uiteengezet in de door verzoekster aangehaalde rechtspraak. De Raad betoogt dat de door verzoekster in haar verzoekschrift geformuleerde stellingen aantonen dat zij volkomen op de hoogte was van de context waarin de maatregelen waren vastgesteld en zij ook de redenen kende die de Raad ertoe hebben gebracht haar in de werkingssfeer van de bestreden handelingen op te nemen.
67
De Commissie is het met de Raad eens dat de bestreden handelingen aan de motiveringsplicht voldoen. Zij betoogt dat de redenen die tot de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens verzoekster hebben geleid, zijn uiteengezet in de overwegingen 1 tot en met 12 van het bestreden besluit. De Commissie voert bovendien aan dat de toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster gerechtvaardigd is door het feit dat zij, door haar status en in de praktijk, beantwoordt aan de criteria die in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen zijn uiteengezet. Het enige wat telt, is dat verzoekster aan die voorwaarden voldoet, en de opname van de aangewezen entiteiten in de bijlagen bij de bestreden handelingen hoeft bijgevolg niet individueel te worden gerechtvaardigd.
68
Volgens artikel 296, tweede alinea, VWEU „[worden] rechtshandelingen met redenen omkleed”.
69
Voorts behelst het recht op behoorlijk bestuur volgens artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, met name „de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden”.
70
Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de bestreden handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Zij moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de betrokkene de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (zie arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 94en aldaar aangehaalde rechtspraak.
71
Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Zo is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de tegen hem genomen maatregel kan begrijpen. Voorts hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 95en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Wat ten eerste verzoeksters betoog betreft dat de bestreden handelingen individueel hadden moeten worden meegedeeld, zij opgemerkt dat een dergelijke grief eerder valt onder het middel betreffende de schending van de rechten van verdediging en bijgevolg in dat verband zal worden onderzocht.
73
Wat ten tweede meer in het bijzonder de omvang van de in casu op de Raad rustende motiveringsplicht betreft, moet eraan worden herinnerd dat verzoekster enkel verzoekt om nietigverklaring van de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, voor zover die haar betreffen. In dat verband dient erop te worden gewezen dat het voorwerp van de uit die bepalingen voortvloeiende beperkende maatregelen is bepaald onder verwijzing naar specifieke entiteiten, aangezien die maatregelen onder meer een verbod opleggen op het verrichten van diverse soorten financiële transacties met in bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening bedoelde entiteiten, waaronder Sberbank, en met rechtspersonen, entiteiten en lichamen die voor meer dan 50 % eigendom zijn van een in die bijlagen opgenomen entiteit, wat duidelijk het geval is van verzoekster ten aanzien van Sberbank. Wat verzoekster betreft, gaat het dus om individuele beperkende maatregelen (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 100 en 119).
74
In de rechtspraak is uiteengezet dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een individuele beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 3 juli 2014, National Iranian Tanker Company/Raad, T‑565/12, EU:T:2014:608, punt 38en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Het betoog van de Raad dat de criteria die in de rechtspraak zijn geformuleerd inzake de motiveringsplicht van handelingen waarbij individuele beperkende maatregelen worden opgelegd, in casu niet van toepassing zijn, moet bijgevolg worden afgewezen.
76
Overeenkomstig de in punt 71 hierboven aangehaalde rechtspraak moet evenwel rekening worden gehouden met de context waarin de beperkende maatregelen zijn vastgesteld en met het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
77
In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de beperkende maatregelen die voortvloeien uit de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, passen in de context – die verzoekster bekend was – van internationale spanning die voorafging aan de vaststelling van de bestreden handelingen, zoals beschreven in de punten 2 tot en met 12 hierboven. Uit de overwegingen 1 tot en met 8 van het bestreden besluit en overweging 2 van de bestreden verordening volgt dat de aangegeven doelstelling van de bestreden handelingen erin bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en om een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Die handelingen vermelden daarmee de algemene situatie die tot de vaststelling ervan hebben geleid en de algemene doelstellingen die zij beogen te verwezenlijken (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 123).
78
Wat in de tweede plaats meer in het bijzonder de relevante bepalingen van de bestreden handelingen betreft, moet in herinnering worden gebracht dat op grond daarvan voor marktdeelnemers van de Unie de hiernavolgende handelingen verboden zijn: de directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen die tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014 zijn uitgegeven, of met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 zijn uitgegeven door rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden die in die bepalingen zijn gesteld, waaronder de voorwaarde voor meer dan 50 % in eigendom van de Russische Staat te zijn of voor meer dan 50 % door die staat te worden gecontroleerd en waarvan de naam is opgenomen in bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening, of door rechtspersonen, entiteiten of lichamen die voor meer dan 50 % eigendom zijn van een entiteit die in die bijlagen is genoemd (zie punten 17 en 19 hierboven). Die bijlagen bevatten echter geen specifieke motivering voor elk van de daarin opgenomen entiteiten.
79
De „specifieke en concrete redenen” waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening was dat de aan de orde zijnde maatregelen ten aanzien van verzoekster moesten worden vastgesteld, in de zin van de in punt 74 hierboven aangehaalde rechtspraak, stemmen in casu evenwel overeen met de criteria die zijn gesteld in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen.
80
Het is namelijk omdat verzoekster een entiteit is die voor meer dan 50 % eigendom is van een entiteit die is opgenomen in de bijlagen bij de bestreden handelingen, in casu Sberbank, dat tegen haar op grond van die handelingen beperkende maatregelen zijn vastgesteld.
81
In dit verband zij erop gewezen dat het feit dat dezelfde overwegingen worden ingeroepen om beperkende maatregelen vast te stellen ten aanzien van meerdere personen, niet betekent dat die overwegingen voor ieder van de betrokken personen geen voldoende specifieke motivering kunnen vormen (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 115).
82
Bovendien volgt uit de bewijzen die verzoekster als bijlage bij haar verzoekschrift heeft gevoegd dat zij volkomen had begrepen dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen ten aanzien van haar zijn vastgesteld in haar hoedanigheid van entiteit die voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank.
83
Derhalve heeft de Raad de relevante bepalingen van de bestreden handelingen toereikend gemotiveerd voor zover deze op verzoekster van toepassing zijn en moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Tweede middel, in wezen ontleend aan schending van de rechten van verdediging en het recht op doeltreffende rechterlijke toetsing
84
In het kader van haar tweede middel voert verzoekster schending aan van de rechten van verdediging, daaronder begrepen het recht om te worden gehoord, en van het recht op doeltreffende rechterlijke toetsing door het Gerecht. Zij stelt in dat verband dat de bestreden handelingen haar niet individueel ter kennis zijn gebracht en voorts dat de Raad geen bewijzen heeft overgelegd ter staving van de redenen waarmee hij de beperkende maatregelen jegens verzoekster heeft gerechtvaardigd, en haar niet in staat heeft gesteld opmerkingen daarover te formuleren. De Raad heeft documenten betreffende het besluit om verzoekster op te nemen in de werkingssfeer van de bestreden handelingen meegedeeld die aan dat besluit niet de minste feitelijke grondslag verlenen.
85
De Raad betwist verzoeksters argumenten en is van mening dat, aangezien de relevante bepalingen van de bestreden handelingen geen „gerichte” beperkende maatregelen zijn en verzoekster niet rechtstreeks en individueel raken, hij niet verplicht was verzoekster individueel in te lichten. Verzoekster heeft overigens niet aangetoond waarom het achterwege blijven van een individuele kennisgeving in casu een schending van haar rechten van verdediging zou uitmaken. Bovendien heeft zij verzocht om toegang tot de haar betreffende documenten op de dag waarop zij haar beroep heeft ingesteld, te weten op 5 december 2014. De Raad heeft op dat verzoek geantwoord op 29 januari 2015, dat wil zeggen anderhalve maand na ontvangst van dat verzoek. De Raad is dan ook van mening dat hij zich mag baseren op de rechtspraak van het Gerecht op grond waarvan documenten die aan de verzoekende partij zijn meegedeeld nadat het beroep is ingesteld, in aanmerking mogen worden genomen.
86
De eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende bescherming in rechte zijn grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie, waaraan de rechter van de Unie de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig dient te toetsen (zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Good Luck Shipping/Raad, T‑423/13 en T‑64/14, EU:T:2016:308, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
De eerbiediging van de rechten van verdediging, die uitdrukkelijk is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, omvat in de loop van een procedure die aan de vaststelling van een beperkende maatregel voorafgaat, het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot de stukken met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 60, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 139en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Het recht op een doeltreffende bescherming in rechte, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest, vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het tegen hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, onverminderd het recht van de bevoegde rechter om te eisen dat de betrokken autoriteit hem die redenen meedeelt, teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van het betrokken besluit te toetsen (zie arrest van 24 mei 2016, Good Luck Shipping/Raad, T‑423/13 en T‑64/14, EU:T:2016:308, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 112).
90
Het is in het licht van die beginselen dat verzoeksters argumenten moeten worden onderzocht.
91
Om te beginnen moet het argument van de Raad dat de rechtspraak inzake individuele beperkende maatregelen in casu niet van toepassing is omdat het maatregelen van algemene strekking en geen gerichte beperkende maatregelen betreft, worden afgewezen. De bevoegdheid van het Gerecht wat het bestreden besluit betreft, vindt juist zijn grondslag in het feit dat het onderhavige beroep betrekking heeft op het toezicht op de rechtmatigheid van beperkende maatregelen die zijn vastgesteld tegen natuurlijke of rechtspersonen, in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, zoals het Hof heeft geoordeeld in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236).
92
Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de Raad haar de bestreden handelingen individueel ter kennis had moeten brengen omdat die handelingen beperkende maatregelen ten aanzien van haar vaststelden, dient te worden opgemerkt dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van de bestreden handelingen weliswaar van belang is voor het ogenblik waarop de beroepstermijn ingaat, maar op zich niet volstaat om de betrokken handelingen nietig te verklaren. In dat verband voert verzoekster geen argumenten aan die kunnen aantonen dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van die handelingen haar rechten in de onderhavige zaak zodanig heeft aangetast dat deze handelingen nietig moeten worden verklaard voor zover zij haar betreffen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 122en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93
Wat in de tweede plaats het argument betreft dat de Raad niet de bewijzen heeft meegedeeld ter staving van de vaststelling van beperkende maatregelen jegens verzoekster, moeten de oorspronkelijke handelingen waarbij aan verzoekster voor het eerst beperkende maatregelen zijn opgelegd omdat de naam van Sberbank was geplaatst op de lijsten in bijlage bij de bestreden handelingen (hierna: „oorspronkelijke handelingen”), en de latere handelingen waarbij die maatregelen zijn bevestigd, afzonderlijk worden onderzocht.
94
Aangaande, ten eerste, de oorspronkelijke handelingen dient eraan te worden herinnerd dat in de rechtspraak is erkend dat de Raad bij een oorspronkelijk besluit tot bevriezing van tegoeden niet verplicht was om de betrokken persoon of entiteit vooraf de redenen mee te delen op grond waarvan die instelling de naam van die persoon of die entiteit op de betrokken lijst wilde plaatsen. Een dergelijke maatregel moet, om de doeltreffendheid ervan niet in gevaar te brengen, naar zijn aard immers een verrassingseffect kunnen hebben en moet onmiddellijk worden toegepast. In een dergelijk geval volstaat het in beginsel dat de instelling de betrokken persoon of entiteit de redenen meedeelt en hem het recht verleent om bij de vaststelling van het besluit, of onmiddellijk erna, te worden gehoord (arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 61).
95
In antwoord op tijdens de terechtzitting hierover gestelde vragen, heeft de Raad aangevoerd dat de in punt 94 hierboven aangehaalde rechtspraak in casu niet van toepassing was, aangezien de aan de orde zijnde beperkende maatregelen beperkingen betroffen op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie, die van algemene strekking waren en geen individuele maatregelen tot bevriezing van tegoeden sensu stricto. Subsidiair is de Raad van mening dat, gesteld al dat die rechtspraak in casu van toepassing zou zijn, hij niet verplicht was om verzoekster vóór de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen te horen of haar toen reeds de tegen haar in aanmerking genomen bewijzen mee te delen.
96
Een dergelijke uitlegging kan niet worden aanvaard.
97
Het grondrecht op eerbiediging van de rechten van verdediging in de loop van een procedure die aan de vaststelling van een beperkende maatregel voorafgaat, volgt namelijk uitdrukkelijk uit artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest (zie punt 87 hierboven en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
Aangezien de aan verzoekster krachtens de relevante bepalingen van de bestreden handelingen opgelegde beperkingen beperkende maatregelen met een individuele strekking jegens haar zijn (zie punt 73 hierboven) en niet is aangetoond dat het noodzakelijk was dat die maatregelen een verrassingseffect hadden om de doeltreffendheid ervan te verzekeren, had de Raad dus, voordat hij de bestreden handelingen vaststelde, moeten meedelen waarom die maatregelen op verzoekster van toepassing waren.
99
In casu bestaan de door de Raad in aanmerking genomen redenen om aan verzoekster beperkende maatregelen op te leggen, die in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen zelf zijn vermeld, daarin dat zij een buiten de Unie gevestigde rechtspersoon, entiteit of lichaam is waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % in handen zijn van een entiteit die is opgenomen in de bijlagen bij de bestreden handelingen.
100
Verzoekster legt niet uit waarom de omstandigheid dat de Raad haar bepaalde gegevens uit het dossier betreffende die redenen, vooraf niet heeft meegedeeld, haar rechten van verdediging en haar recht op een effectieve rechterlijke bescherming dermate heeft aangetast dat de oorspronkelijke handelingen nietig moeten worden verklaard.
101
Een schending van de rechten van verdediging leidt immers slechts tot nietigverklaring van een handeling, wanneer de procedure zonder die onregelmatigheid een andere uitkomst had kunnen hebben (zie in die zin arresten van 18 september 2014, Georgias e.a./Raad en Commissie, T‑168/12, EU:T:2014:781, punt 106en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 153).
102
In casu zet verzoekster niet uiteen welke argumenten of gegevens zij had kunnen aanvoeren indien zij de betrokken documenten eerder had ontvangen en heeft zij evenmin aangetoond dat die argumenten of die gegevens in haar geval tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden. Verzoekster kan immers niet op goede gronden stellen dat zij ten tijde van de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen niet wist dat zij voor meer dan 50 % eigendom was van Sberbank. De onderhavige grief kan dus niet leiden tot de nietigverklaring van de oorspronkelijke handelingen.
103
Wat ten tweede de latere handelingen betreft waarbij de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster zijn gehandhaafd, is in de rechtspraak bepaald dat de Raad in het kader van de vaststelling van een besluit waarbij de naam van een persoon of entiteit wordt gehandhaafd op een lijst van personen of entiteiten die zijn onderworpen aan beperkende maatregelen, het recht van die persoon of die entiteit om de bewijsgegevens meegedeeld te krijgen die tegen hem zijn aangevoerd en het recht om voorafgaandelijk te worden gehoord, in acht moest nemen wanneer hij nieuwe gegevens in aanmerking nam, dat wil zeggen gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij de betrokkene op die lijst werd geplaatst (zie in die zin arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 63, en 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 26en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104
In casu waren de criteria die in aanmerking waren genomen om beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster vast te stellen, van meet af aan opgenomen in artikel 1, lid 1, onder b), van het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, onder b), van de bestreden verordening. De aan de orde zijnde beperkende maatregelen zijn namelijk ten aanzien van verzoekster vastgesteld omdat zij voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die zelf een belangrijke in Rusland gevestigde kredietinstelling is, die voor meer dan 50 % staatseigendom is of die voor meer dan 50 % door de Staat wordt gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014, en waarvan de naam is opgenomen op de lijst in bijlage I bij het bestreden besluit en die van bijlage III bij de bestreden verordening. Die gegevens waren verzoekster goed bekend en kunnen dus niet worden beschouwd als nieuwe gegevens in de zin van voornoemde rechtspraak.
105
Ten slotte zij in herinnering gebracht dat, wanneer voldoende nauwkeurige inlichtingen zijn meegedeeld die de betrokken persoon in staat stellen zijn standpunt over de door de Raad tegen hem aangevoerde elementen naar behoren kenbaar te maken, het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging niet verlangt dat die instelling uit eigen beweging toegang verleent tot de stukken in haar dossier. De Raad moet enkel op verzoek van de belanghebbende toegang verlenen tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de betrokken maatregel (zie arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 97en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106
In de onderhavige zaak is de Raad die verplichting nagekomen en heeft hij op verzoeksters verzoek om informatie van 5 december 2014 geantwoord bij brief van 29 januari 2015. In dat verband heeft de Raad toegang verleend tot de documenten in zijn bezit die betrekking hadden op zijn besluit om jegens verzoekster beperkende maatregelen vast te stellen.
107
De mededeling van die gegevens heeft derhalve binnen een redelijke termijn plaatsgevonden en volstond om verzoekster in staat te stellen haar rechten op een doeltreffende manier te doen gelden en haar rechten van verdediging te doen nakomen.
108
Het derde middel dient derhalve in zijn geheel te worden afgewezen.
Vierde middel, ontleend aan schending van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid en ongerechtvaardigde en onevenredige schending van verzoeksters grondrechten
109
Volgens verzoekster moet de Raad aantonen dat de bestreden handelingen niet-discriminerende en evenredige middelen zijn om een legitieme doelstelling te verwezenlijken. Voorts betoogt verzoekster dat de beperkende maatregelen een onevenredige inbreuk op haar grondrechten zijn, aangezien zij haar beletten om vrij een economische activiteit uit te oefenen en die beperking van haar rechten niet noodzakelijk of geschikt is om de door de Raad nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken.
110
De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist die argumenten.
111
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 16 van het Handvest „[d]e vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken”.
112
In de tweede plaats bepaalt artikel 17, lid 1, van het Handvest:
„Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”
113
Het staat buiten kijf dat beperkende maatregelen als die welke aan de orde zijn in de onderhavige zaak, de rechten die verzoekster geniet krachtens de artikelen 16 en 17 van het Handvest duidelijk beperken (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 september 2016, NIOC e.a./Raad, C‑595/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:721, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114
De door verzoekster ingeroepen grondrechten hebben echter geen absolute gelding en kunnen bijgevolg worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 121, en 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 195en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115
Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest moeten alle beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden „bij wet worden gesteld” en „de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen” en kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
116
Om in overeenstemming met het Unierecht te zijn, moet een beperking op de uitoefening van de betrokken grondrechten dus aan drie voorwaarden voldoen. Ten eerste moet de beperking bij wet worden gesteld. Met andere woorden, er moet voor de maatregel een rechtsgrondslag zijn. Ten tweede moet de beperking beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang. Ten derde mag de beperking niet buitensporig zijn. Zij moet noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn aan het nagestreefde doel en voorts mag de „wezenlijke inhoud”, dat wil zeggen de kern van het betrokken recht of de betrokken vrijheid, niet worden aangetast (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punten 170‑173 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117
In casu zijn die drie voorwaarden vervuld.
118
Ten eerste zijn de aan de orde zijnde beperkende maatregelen „bij wet gesteld”, aangezien zij zijn vastgesteld in handelingen die met name een algemene strekking hebben, over een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht beschikken en voldoende gemotiveerd zijn (zie punten 78‑93 hierboven).
119
Ten tweede volgt uit de overwegingen 1 tot en met 8 van het bestreden besluit en overweging 2 van de bestreden verordening dat de aangegeven doelstelling van die handelingen erin bestaat de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Deze doelstelling strookt met het doel om de vrede en internationale veiligheid te handhaven overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 115).
120
Wat ten derde het evenredigheidsbeginsel betreft, zij in herinnering gebracht dat dit als algemeen beginsel van het Unierecht vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en de veroorzaakte nadelen mogen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 178en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
Dienaangaande wordt in de rechtspraak verduidelijkt dat met betrekking tot het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel moet worden erkend dat de Uniewetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Dit betekent dat een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is wanneer deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 146en aldaar aangehaalde rechtspraak).
122
In de eerste plaats is verzoekster van mening dat de beperkende maatregelen die haar krachtens de bestreden handelingen zijn opgelegd, het niet mogelijk maken de met die handelingen nagestreefde doelstellingen te bereiken, te weten druk uit te oefenen op de Russische regering door de toegang tot de kapitaalmarkt te beperken voor door de Raad aangewezen Russische overheidsbanken, aangezien zij niet de minste rol speelt in de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren.
123
Dat verzoekster niet de minste rol speelt in de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren is echter niet van belang, omdat jegens haar niet om die reden beperkende maatregelen zijn vastgesteld, maar wel omdat zij voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die een Russische overheidsbank is waarvan de naam is opgenomen in de bijlage bij de bestreden handelingen.
124
Voorts is het juist dat de beperkende maatregelen per definitie gevolgen hebben die het recht van eigendom en het recht van vrije beroepsuitoefening aantasten, waardoor schade wordt berokkend aan partijen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld. Dit geldt temeer voor de entiteiten die worden geraakt door tegen hen gerichte beperkende maatregelen (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 149en aldaar aangehaalde rechtspraak).
125
Evenwel zij opgemerkt dat het belang van de met de bestreden handelingen nagestreefde doelstellingen – te weten de bescherming van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne en de bevordering van een vreedzame oplossing van de crisis in dit land –, die onderdeel zijn van de ruimere doelstelling om overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie de vrede en internationale veiligheid in stand te houden, zelfs aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld, kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 149 en 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
126
In de tweede plaats bestaat er, anders dan verzoekster stelt, een redelijke verhouding tussen de aan de orde zijnde beperkende maatregelen en het door de Raad met de vaststelling daarvan nagestreefde doel. Aangezien dit doel er onder meer in bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, is de aanpak om de maatregelen te richten tegen Russische overheidsbanken immers een logische manier om dit doel te verwezenlijken, en kan deze in ieder geval niet worden aangemerkt als kennelijk ongeschikt voor het nagestreefde doel (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 147).
127
De Raad kon immers op goede gronden stellen dat, om die doelstelling te bereiken, niet alleen ten aanzien van de belangrijke kredietinstellingen of instellingen voor financieringsontwikkeling die gevestigd zijn in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of die voor meer dan 50 % door de staat worden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014 en waarvan de naam was opgenomen op de lijst van bijlage I [artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit], maatregelen moesten worden vastgesteld, maar ook tegen elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam gevestigd buiten de Unie en voor meer dan 50 % eigendom van een in bijlage I [artikel 1, lid 1, onder b), van het bestreden besluit] vermelde entiteit of elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam handelend namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), van het bestreden besluit of van een in bijlage I [artikel 1, lid 1, onder c), van het bestreden besluit] vermelde entiteit. Indien entiteiten als verzoekster niet vielen onder de werkingssfeer van de bij de bestreden handelingen ingevoerde beperkende maatregelen, dan zouden de in bijlage bij die handelingen aangewezen Russische entiteiten de verbodsbepalingen gemakkelijk kunnen omzeilen door deze te laten uitvoeren door hun dochterondernemingen of door entiteiten die namens hen handelen (zie in die zin arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 58).
128
Het is in dat verband niet van belang dat verzoekster geen tegoeden kan overmaken aan Sberbank, omdat zij onder toezicht staat van de Turkse autoriteit voor regelgeving in de bankensector. Zelfs indien dit zo zou zijn, kon de Raad immers nog steeds op goede gronden stellen dat het opleggen van een beperking op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie aan Sberbank en aan entiteiten als verzoekster die voor meer dan 50 % in haar eigendom zijn, kon bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van de bestreden handelingen, te weten de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Wanneer verzoekster namelijk vanwege de aan de orde zijnde beperkende maatregelen met financiële moeilijkheden te kampen heeft, zullen haar aandeelhouders en uiteindelijk de Russische staat tot een bail-out moeten overgaan, wat in overeenstemming met genoemde doelstelling is.
129
In de derde plaats bestaan de in casu door de Raad vastgestelde maatregelen uit gerichte economische sancties, die niet kunnen worden beschouwd als een volledige onderbreking van de economische en financiële betrekkingen met een derde land, hoewel de Raad krachtens artikel 215 VWEU daartoe gemachtigd is.
130
In deze omstandigheden en rekening houdend met onder meer de geleidelijke intensivering van de door de Raad in reactie op de crisis in Oekraïne vastgestelde beperkende maatregelen, kan de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom van verzoekster niet als onevenredig worden beschouwd (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 150).
131
Geen van verzoeksters overige argumenten kan aan die conclusie afdoen.
132
Ten eerste voert verzoekster aan dat zij niet in aanmerking kwam voor de in artikel 5, lid 3, van de bestreden verordening bedoelde uitzondering, omdat deze uitsluitend geldt voor in- en uitvoer tussen de Unie en Rusland. Dit toont volgens haar aan dat zij niet had moeten worden opgenomen in de werkingssfeer van de beperkende maatregelen en dat die maatregelen haar discrimineren ten opzichte van Sberbank en onevenredig zijn.
133
In dat verband is het juist dat de in artikel 5, lid 3, onder a), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 960/2014 (zie punt 19 hierboven), uitsluitend gold voor leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en Rusland en niet tussen de Unie en andere derde landen zoals de Republiek Turkije. Die bepaling is, in haar oorspronkelijke versie, echter enkel van toepassing gebleven van 8 september tot 6 december 2014, de datum waarop verordening nr. 1290/2014 in werking is getreden. Bij die verordening heeft de Raad namelijk besloten dat de tekst van die bepaling moest worden gewijzigd om de werkingssfeer ervan aldus uit te breiden dat zij ook van toepassing was op leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en een derde staat. Gesteld al dat die bepaling, in de versie die volgt uit verordening nr. 960/2014, discriminerend of onevenredig was, legt verzoekster evenwel niet uit hoe de toepassing ervan gedurende nog geen drie maanden kon leiden tot de nietigverklaring van de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, aangezien die bepalingen in overeenstemming zijn met en evenredig zijn aan de doelstelling ervan (zie punten 121‑130 hierboven). Een dergelijke grief moet dus hoe dan ook worden afgewezen als niet ter zake dienend.
134
Gesteld al dat een dergelijk argument ter zake dienend is, stelt verzoekster voorts ten onrechte dat artikel 5, lid 3, onder b), van de bestreden verordening, ook in de gewijzigde versie die volgt uit verordening nr. 1290/2014 (zie punt 22 hierboven), discriminerend is, aangezien op grond van die bepaling een in de Unie gevestigde dochteronderneming van Sberbank noodfinanciering kan genieten, terwijl een van verzoeksters dochterondernemingen daar niet voor in aanmerking komt. Een dergelijk argument berust namelijk op een hypothetische lezing van die bepaling volgens welke maatregelen enkel worden vastgesteld ten aanzien van entiteiten van de Unie die rechtstreeks eigendom zijn van een in de bijlagen bij de bestreden handelingen aangewezen entiteit en niet ten aanzien van de entiteiten die indirect eigendom zijn. Er zij in herinnering gebracht dat, wanneer een bepaling op verschillende manieren kan worden uitgelegd, die bepaling voor zover als mogelijk in het licht van de doelstellingen ervan en in overeenstemming met het Unierecht moet worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 141, en 13 juli 2011, Schindler Holding e.a./Commissie, T‑138/07, EU:T:2011:362, punt 149en aldaar aangehaalde rechtspraak).
135
Voor zover verzoekster aanvoert dat een dergelijke beperking van de werkingssfeer van die uitzondering betekent dat zij niet zou moeten vallen onder de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, moet voorts worden vastgesteld dat een dergelijk verzoek een vaststelling of een verklaring van het Gerecht vereist. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht in het kader van de wettigheidscontrole op grond van artikel 263 VWEU niet bevoegd om declaratoire arresten te wijzen (zie arrest van 12 februari 2015, Akhras/Raad, T‑579/11, niet gepubliceerd, EU:T:2015:97, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).
136
Wat ten tweede verzoeksters argument betreft dat, ongeacht de met die maatregelen nagestreefde legitieme doelstelling, de ernstige negatieve gevolgen die zij heeft ondervonden en die haar concurrentiepositie in Turkije hebben geschaad, in ieder geval onevenredig zijn, volstaat het op te merken dat de loutere omstandigheid dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen negatieve gevolgen voor verzoekster kunnen meebrengen, inzonderheid voor haar concurrentiepositie in Turkije, geen toereikend bewijs is dat die maatregelen onevenredig zijn (zie punt 124 hierboven).
137
Ten derde was het volgens verzoekster niet noodzakelijk om dermate nadelige maatregelen op te leggen, aangezien aan elke entiteit handelend namens of op aanwijzing van Sberbank beperkingen waren opgelegd krachtens artikel 5, lid 1, onder c), van de bestreden verordening. De loutere omstandigheid dat verzoekster voor meer dan 50 % eigendom was van Sberbank, kan dus niet rechtvaardigen dat jegens haar beperkende maatregelen zijn vastgesteld.
138
Dat krachtens artikel 5, lid 1, onder c), van de bestreden verordening aan elke entiteit handelend namens of op aanwijzing van Sberbank beperkingen zijn opgelegd, volstaat niet om tot de slotsom te komen dat dat Raad niet ook kon bepalen, in artikel 5, lid 1, onder b), van die verordening, dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen ook waren gericht tot elke entiteit die voor meer dan 50 % eigendom is van een in bijlage III bij die verordening vermelde entiteit. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Raad in dat verband beschikt, was het namelijk niet kennelijk onevenredig om voor Sberbank en de entiteiten waarvan zij voor meer dan 50 % de eigendomsrechten in handen heeft, de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie te beperken, in het licht van de doelstelling van de bestreden handelingen (zie punt 15 hierboven).
139
Ten vierde stelt verzoekster ten onrechte dat de in artikel 5, lid 3, onder b), van de bestreden verordening bedoelde uitzondering discriminerend is ten opzichte van in de Unie gevestigde entiteiten. Verzoeksters situatie is immers niet te vergelijken met die van entiteiten of lichamen van de Unie. Laatstgenoemden vallen rechtstreeks onder het Unierecht en zijn verplicht om de bepalingen van de bestreden verordening, die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, na te leven en uit te voeren. Derhalve mogen zij onder meer volgens artikel 12 van de bestreden verordening geen maatregelen nemen die erop zijn gericht de bij die handelingen ingevoerde verbodsbepalingen te omzeilen. Dat geldt niet voor entiteiten als verzoekster die niet onder het Unierecht vallen. Zelfs gesteld dat kan worden aangetoond dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden, moet hoe dan ook worden opgemerkt dat het beginsel van gelijke behandeling te verenigen moet zijn met het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie arrest van 16 oktober 2014, LTTE/Raad, T‑208/11 en T‑508/11, EU:T:2014:885, punt 71en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140
Ten vijfde voert verzoekster ten onrechte aan dat de Raad verplicht was om haar bijzondere situatie in aanmerking te nemen, daar zij haar activiteiten vanuit Turkije verricht. Aangezien zij een entiteit is die voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die in bijlage bij de bestreden handelingen is vermeld, is verzoekster namelijk terecht opgenomen in de werkingssfeer van de aan de orde zijnde beperkende maatregelen, overeenkomstig de relevante bepalingen van de bestreden handelingen. Of de door verzoekster ingeroepen bepalingen van de Overeenkomsten van Ankara de geldigheid van de bestreden handelingen ter discussie kunnen stellen, zal voorts in het kader van het derde middel worden onderzocht.
141
Ten zesde volgt uit het onderzoek van het eerste en het tweede middel hierboven dat de Raad noch de op hem rustende motiveringsplicht noch verzoeksters rechten van verdediging en haar recht op doeltreffende rechterlijke toetsing heeft geschonden door de aan de orde zijnde beperkende maatregelen op te leggen. Derhalve kan op grond daarvan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een onevenredige inbreuk op verzoeksters rechten.
142
Wat ten slotte verzoeksters recht op eerbiediging van haar reputatie betreft, moet worden opgemerkt dat schade aan de reputatie van een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn en die het gevolg is van de redenen die deze maatregelen rechtvaardigen, op zich geen onevenredige schending van het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap van die persoon kan uitmaken. Dit argument kan niet slagen, omdat het verband tussen de door de verzoekende partij aangevoerde reputatieschade en de schendingen van de grondrechten die in het onderhavige middel aan de orde zijn, niet wordt verduidelijkt. Voorts zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak, net als het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eerbiediging van de reputatie geen absoluut voorrecht is en aan de uitoefening ervan beperkingen kunnen worden gesteld die zijn gerechtvaardigd door doelstellingen van algemeen belang die de Unie nastreeft. Het belang van de met de aan de orde zijnde beperkende maatregelen nagestreefde doelstellingen kan dus de zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor de reputatie van de betrokken personen of entiteiten rechtvaardigen (zie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 167 en 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
143
Gelet op een en ander moet het vierde middel worden afgewezen.
Derde middel, ontleend aan schending van de Overeenkomsten van Ankara
144
Met haar derde middel voert verzoekster schending aan van artikel 19 van de Overeenkomst van Ankara, artikel 41, lid 1, artikel 50, lid 3, en artikel 58 van het Aanvullend Protocol daarbij en artikel 6 van het Financieel Protocol bij die Overeenkomst. Die bepalingen hebben volgens haar rechtstreekse werking aangezien zij duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichtingen bevatten, voor de uitvoering of werking waarvan geen enkele verdere maatregel is vereist.
145
Ten eerste stelt verzoekster dat de vrijheid van dienstverrichting die is verankerd in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst van Ankara, die zou overeenkomen met artikel 56 VWEU, in het gedrang komt wanneer een maatregel de uitoefening van die vrijheid kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken, wat in casu duidelijk het geval is. Ten tweede voert verzoekster aan dat, indien er een uitzondering bestaat die rechtvaardigt dat een vrijheid wordt beperkt, deze moet worden toegepast op niet-discriminerende wijze in de zin van artikel 9 van de Overeenkomst van Ankara en artikel 58 van het Aanvullend Protocol daarbij, die discriminatie op grond van nationaliteit verbieden. Ten derde schenden de aan de orde zijnde beperkende maatregelen de bepalingen inzake het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 50, lid 3, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara. Ten vierde zijn die maatregelen in strijd met artikel 6, lid 1, van het Financieel Protocol bij de Overeenkomst van Ankara inzake de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank (EIB).
146
De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist die argumenten.
147
Uit artikel 216, lid 2, VWEU volgt dat door de Unie gesloten overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van Ankara en de Aanvullende Protocollen daarbij, verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten. Die overeenkomsten hebben dus voorrang op handelingen van afgeleid recht van de Unie. Daaruit volgt dat de geldigheid van een afgeleide handeling van de Unie kan worden aangetast wegens onverenigbaarheid ervan met dergelijke internationaalrechtelijke voorschriften (zie naar analogie arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C‑308/06, EU:C:2008:312, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
148
De geldigheid van de in casu bestreden handelingen kan dus worden getoetst aan de Overeenkomst van Ankara en de Aanvullende Protocollen daarbij, op voorwaarde evenwel dat de aard en de opzet daarvan zich niet daartegen verzetten en voorts de ingeroepen bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig voorkomen (zie in die zin arresten van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C‑308/06, EU:C:2008:312, punten 43 en 45, en 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 84).
149
Aangenomen dat de opzet van de Overeenkomst van Ankara en de Aanvullende Protocollen daarbij zich niet ertegen verzet dat de geldigheid van de bestreden handelingen wordt getoetst aan die overeenkomsten, en dat de ingeroepen bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig voorkomen, moeten in casu verzoeksters argumenten worden afgewezen.
150
Volgens vaste rechtspraak zijn door de Unie op grond van bepalingen van de Verdragen gesloten internationale overeenkomsten, wat haar betreft, namelijk handelingen die door haar instellingen zijn vastgesteld (zie in die zin arresten van 16 juni 1998, Racke, C‑162/96, EU:C:1998:293, punt 41, en 25 februari 2010, Brita, C‑386/08, EU:C:2010:91, punt 39). Op grond daarvan zijn dergelijke overeenkomsten vanaf de inwerkingtreding ervan een integrerend onderdeel van de rechtsorde van de Unie (zie in die zin arrest van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, EU:C:1974:41, punt 5). Daarom moeten de bepalingen ervan volledig verenigbaar zijn met de bepalingen van de Verdragen en de daaruit voortvloeiende constitutionele beginselen (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 285). De voorrang van de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten op handelingen van afgeleid recht van de Unie strekt zich dus niet uit tot het primaire recht van de Unie (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 308).
151
Zelfs bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in de Overeenkomsten van Ankara op grond waarvan een partij de maatregelen kan nemen die zij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van haar veiligheid, mag de Raad dus – zoals verzoekster overigens zelf toegeeft – de rechten beperken die voortvloeien uit de Overeenkomsten van Ankara op grond van de bevoegdheden die hij ontleent aan artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU, mits dergelijke beperkingen niet-discriminerend en evenredig zijn.
152
In dat verband kan, ten eerste, het argument dat is gebaseerd op artikel 9 van de Overeenkomst van Ankara en artikel 58 van het Aanvullend Protocol daarbij en volgens hetwelk de aan de orde zijnde maatregelen discriminerend zijn, niet slagen. De situatie van verzoekster, die een entiteit is die voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, is namelijk niet te vergelijken met die van andere banken die in Turkije werkzaam zijn en die geen eigendom zijn van een Russische entiteit waarop de aan de orde zijnde beperkende maatregelen van toepassing zijn. Verzoeksters situatie kan bovendien evenmin worden vergeleken met die van andere op het grondgebied van de Unie gevestigde financiële instellingen (zie punt 139 hierboven).
153
Ten tweede kunnen ook verzoeksters argumenten met betrekking tot de beperkingen van de vrijheid van vestiging, dienstverrichting en kapitaalverkeer, die zijn ontleend aan artikel 19 van de Overeenkomst van Ankara, artikel 41, lid 1, en artikel 50, lid 3, van het Aanvullend Protocol daarbij en artikel 6, lid 1, van het Financieel Protocol daarbij, niet slagen.
154
In dit verband moet worden nagegaan of de Raad heeft gehandeld in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, zoals bepaald in de rechtspraak (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 december 2015, Emadi/Raad, T‑274/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:938, punt 206).
155
De in casu aangevoerde beperkingen, gesteld al dat zij zijn bewezen, zijn gerechtvaardigd door de doelstellingen die worden nagestreefd met de bestreden handelingen, die zijn vastgesteld op grond van artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU, te weten de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Deze doelstelling strookt met het doel om de vrede en internationale veiligheid te handhaven overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 115).
156
Voorts zij opgemerkt dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen niet voorzien in de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de economische en financiële betrekkingen met de Republiek Turkije, maar wel met de Russische Federatie, als legitiem instrument van het buitenlands beleid, overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie. Met andere woorden, de aan de orde zijnde beperkende maatregelen zijn op verzoekster van toepassing louter op grond van het feit dat zij een entiteit is die voor meer dan 50 % eigendom is van Sberbank, die zelf een Russische entiteit is waarvan de naam is opgenomen op de lijsten in bijlage bij de bestreden handelingen, en niet in haar hoedanigheid van een in Turkije gevestigde onderneming.
157
Daar het gerichte en in de tijd beperkte maatregelen betreft, kan verzoekster niet aanvoeren dat de eruit voortvloeiende negatieve gevolgen onevenredig zijn. Het belang van de krachtens artikel 29 VEU nagestreefde doelstellingen kan namelijk de zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld, rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 30 juli 1996, Bosphorus, C‑84/95, EU:C:1996:312, punt 23). Overigens volgt uit het onderzoek van het vierde middel hierboven dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen geschikt zijn om de nagestreefde legitieme doelstelling te verwezenlijken en dat zij niet verder gaan dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken (zie punten 115‑142 hierboven).
158
De in casu aangevoerde schendingen door de Unie van de relevante bepalingen van de Overeenkomsten van Ankara, zo zij al zijn bewezen, zijn dus gerechtvaardigd in het licht van de met de aan de orde zijnde maatregelen nagestreefde doelstellingen en zijn evenredig aan die doelstellingen.
159
Het derde middel moet ongegrond worden verklaard.
Exceptie van onwettigheid van artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 1, lid 5, van verordening nr. 960/2014
160
Verzoekster verzoekt het Gerecht krachtens artikel 277 VWEU vast te stellen dat artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 1, lid 5, van verordening nr. 960/2014, waarbij artikel 5 van verordening nr. 833/2014 is gewijzigd, onwettig zijn.
161
De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist dat verzoek.
162
Het is vaste rechtspraak dat, wanneer een entiteit de evenredigheid van de beperkende maatregelen tegen haar wenst te betwisten, zij in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de handelingen waarbij deze maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd de niet-toepasselijkheid van de algemene bepalingen moet inroepen waarop die handelingen zijn gebaseerd, op grond van een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad, T‑346/14, EU:T:2016:497, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak).
163
In casu heeft verzoekster echter geen andere argumenten aangevoerd dan die welke zij reeds eerder heeft ingeroepen.
164
Zonder dat de ontvankelijkheid van dit middel hoeft te worden onderzocht, moet derhalve noodzakelijkerwijze worden verwezen naar de hierboven geformuleerde overwegingen en moet om dezelfde redenen de door verzoekster opgeworpen exceptie van onwettigheid worden afgewezen.
165
Bijgevolg moet de exceptie van onwettigheid worden afgewezen en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over verzoeksters conclusies tot aanpassing van het verzoekschrift.
Kosten
166
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten.
167
Voorts dragen volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten. De Commissie zal bijgevolg haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
DenizBank A.Ş. wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie.
3)
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Berardis
Spielmann
Csehi
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 september 2018.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy