ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
24 juni 2015 ( *1 )
„Milieu — Bescherming van de ozonlaag — Gefluoreerde broeikasgassen — Verordening (EU) nr. 517/2014 — Op de markt brengen van fluorkoolwaterstoffen — Vaststelling van een referentiewaarde — Toewijzing van quota — Motiveringsplicht — Berekeningsmethode”
In zaak T‑847/14,
GHC Gerling, Holz & Co. Handels GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Lang, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Hermes en K. Mifsud-Bonnici als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2014/774/EU van de Commissie van 31 oktober 2014 tot vaststelling, ingevolge verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gefluoreerde broeikasgassen, van referentiewaarden voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 voor elke producent of importeur die krachtens verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad heeft gemeld fluorkoolwaterstoffen op de markt te hebben gebracht (PB L 318, blz. 28), voor zover dat besluit verzoekster betreft,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas (rapporteur), president, N. J. Forwood, en E. Bieliūnas, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Fluorkoolwaterstoffen (HFK’s) zijn een categorie van gefluoreerde broeikasgassen die worden gebruikt in met name koel- en klimaatregelingssystemen, in aerosolen en bij de vervaardiging van isolatieschuim.
2
Verzoekster, GHC Gerling, Holz & Co. Handels GmbH, is een Duitse onderneming die actief is op het gebied van speciale gassen. Zij produceert geen HFK’s, maar voert deze in uit derde landen en uit lidstaten, waarna zij deze verkoopt, voornamelijk aan ondernemingen die in de Europese Unie zijn gevestigd.
3
In de strijd tegen broeikasgasemissies hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie verordening (EU) nr. 517/2014 van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150, blz. 195) vastgesteld.
4
Het geleidelijk verminderen van de hoeveelheden HFK’s die in de Unie op de markt kunnen worden gebracht, is de meest effectieve en kostenefficiënte methode gebleken om emissies van die stoffen op lange termijn te verminderen.
5
Teneinde aan die geleidelijke vermindering uitvoering te geven, moet de Europese Commissie krachtens verordening nr. 517/2014 een maximale hoeveelheid HFK’s vaststellen die elk jaar in de Unie op de markt mag worden gebracht, alsook een referentiewaarde voor alle producenten en importeurs die is gebaseerd op het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s die zij volgens de door hen gerapporteerde gegevens van 2009 tot en met 2012 op de markt hebben gebracht (hierna: „referentiewaarde”) en een HFK-quotum (hierna: „quotum”) dat vanaf 2015 elk jaar op de markt mag worden gebracht.
6
Op 31 oktober 2014 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit 2014/774/EU tot vaststelling, ingevolge verordening nr. 517/2014, van referentiewaarden voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 voor elke producent of importeur die krachtens verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad heeft gemeld fluorkoolwaterstoffen op de markt te hebben gebracht (PB L 318, blz. 28; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
7
Artikel 1 van het bestreden besluit luidt als volgt:
„Artikel 1
Vaststelling van referentiewaarden
Met het oog op de toewijzing van quota bevat de bijlage bij dit besluit de referentiewaarden voor elke importeur en producent, die – voor zover gegevens beschikbaar zijn – op basis van de overeenkomstig verordening (EG) nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens zijn berekend door de totale hoeveelheden [HFK’s] (bulkgassen) waarvoor de uitzonderingen in artikel 15, lid 2, onder a) tot en met e), van verordening (EU) nr. 517/2014 in de periode van 2009 tot en met 2012 gelden, af te trekken van het jaargemiddelde van de hoeveelheden [HFK’s] (bulkgassen) die in die periode op de markt van de Unie zijn gebracht.
Het in dit artikel bedoelde jaargemiddelde van de in de Unie op de markt gebrachte bulkgassen is berekend door de totale hoeveelheden [HFK’s] (bulkgassen) die vanuit de Unie worden uitgevoerd, af te trekken van de totale jaarlijkse hoeveelheden [HFK’s] (bulkgassen) die in de Unie worden geproduceerd en ingevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de gassen in voorraad [aan] het einde van het jaar.”
8
In de bijlage bij het bestreden besluit wordt verzoekster een referentiewaarde van [vertrouwelijk] ( 1 ) ton koolstofdioxide-equivalent (CO2-equivalent) toegekend en wordt haar voor 2015 een quotum van [vertrouwelijk] ton CO2-equivalent toegewezen.
9
Die bijlage vermeldt eveneens de formule die wordt gebruikt om de referentiewaarde vast te stellen, waarin onder meer een variabele is opgenomen die verband houdt met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s.
10
Bij e-mail van 5 november 2014 heeft verzoekster de Commissie verzocht haar uit te leggen waarom bij de berekening van de referentiewaarde rekening werd gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s.
11
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de Commissie geantwoord door met name te verklaren dat de referentiewaarde werd vastgesteld op basis van de gegevens die waren gerapporteerd overeenkomstig verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (PB L 161, blz. 1).
12
Bij eveneens op dezelfde dag verzonden e-mail heeft verzoekster gereageerd door te verklaren dat zij nog steeds niet begreep waarom bij de berekening van de referentiewaarde rekening werd gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s en door te beklemtonen dat volgens haar die veranderingen de berekening van die referentiewaarde in haar nadeel had beïnvloed.
13
Bij e-mail van 6 november 2014 heeft de Commissie verzoekster geantwoord door eraan te herinneren dat zij de hoeveelheden op de markt gebrachte HFK’s moest berekenen op basis van de beschikbare gegevens, die geen onderscheid maakten tussen de verschillende voorraadtypen en de oorsprong ervan, en dat zij bijgevolg gebruikmaakte van een formule die de voorraden behandelt ongeacht de soort waartoe zij behoren. Die formule werd de betrokken ondernemingen meegedeeld en stuitte niet op enig bezwaar, evenmin vanwege verzoekster.
14
Op 12 december 2014 verzocht verzoeksters vertegenwoordiger de Commissie het bestreden besluit te wijzigen.
15
Op 16 december 2014 heeft de Commissie verzoeksters vertegenwoordiger meegedeeld dat zij zo spoedig mogelijk een antwoord zou geven, maar dat zij eerst juridisch advies moest inwinnen.
Procedure en conclusies van partijen
16
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
17
Bij afzonderlijke akte, neergelegd op dezelfde dag, heeft zij verzocht dat overeenkomstig artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op dit beroep uitspraak wordt gedaan volgens de versnelde procedure.
18
Bij beslissing van 23 januari 2015 heeft het Gerecht (Derde kamer) dat verzoek ingewilligd.
19
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het partijen schriftelijk een aantal vragen gesteld in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering. Partijen hebben die vragen binnen de gestelde termijn beantwoord.
20
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 april 2015, heeft verzoekster een verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang ingediend, waarbij het Gerecht met name werd verzocht de overlegging van documenten te gelasten. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn haar opmerkingen ingediend over dat verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang.
21
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 8 mei 2015.
22
Na de terechtzitting heeft verzoekster een document overgelegd waarover de Commissie binnen de gestelde termijn haar opmerkingen heeft ingediend.
23
De mondelinge behandeling is gesloten op 12 mei 2015.
24
Verzoekster concludeert tot:
—
nietigverklaring van het bestreden besluit en van het haar voor 2015 toegewezen quotum om HFK’s op de markt te brengen, op grond dat de vastgestelde referentiewaarde en het toegewezen quotum te gering zijn;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten.
25
De Commissie concludeert tot:
—
verwerping van het beroep;
—
verwijzing van verzoekster in de kosten.
In rechte
26
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van verordening nr. 517/2014, het tweede aan schending van het gelijkheidsbeginsel en het derde aan niet-nakoming van de motiveringsplicht.
27
Allereerst dient het derde middel te worden onderzocht.
Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
28
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU. Ten eerste wordt in het bestreden besluit immers op geen enkele wijze gerechtvaardigd waarom rekening wordt gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden. Ten tweede is het onbegrijpelijk hoe de aan verzoekster toegekende referentiewaarde is berekend, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, daar deze berekening niet is gemotiveerd. De berekeningen in de bijlage bij het verzoekschrift leiden overigens tot een andere referentiewaarde dan door de Commissie is vastgesteld.
29
De Commissie stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU. Ten eerste betwist zij dat in het bestreden besluit niet wordt uitgelegd waarom rekening is gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden. Dat daarmee rekening is gehouden, vloeit immers voort uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 517/2014, en de context ervan wordt geschetst in overweging 5 van het bestreden besluit. Ten tweede stemt zij niet in met het argument dat de berekening van de referentiewaarde onbegrijpelijk zou zijn. De gehanteerde methode wordt immers uitgelegd in artikel 1, tweede alinea, van het bestreden besluit en die waarde is correct vastgesteld. De berekeningen in de bijlage bij het verzoekschrift zijn daarentegen onjuist.
30
In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296 VWEU geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 24 november 2005, Italië/Commissie, C‑138/03, C‑324/03 en C‑431/03, Jurispr., EU:C:2005:714, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Dat vereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Italië/Commissie, punt 30 supra, EU:C:2005:714, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Uit de rechtspraak blijkt eveneens dat een uitvoeringshandeling aan de motiveringsplicht voldoet indien zij uitdrukkelijk verwijst naar bepalingen van de verordening waarop zij is gebaseerd, zodat duidelijk is met welke criteria bij de vaststelling ervan rekening is gehouden (zie arrest van 20 september 2012, Polen/Commissie, T‑333/09, EU:T:2012:449, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
In casu zij vooraf opgemerkt dat het bestreden besluit een op verordening nr. 517/2014 gebaseerd uitvoeringsbesluit is, dat, zoals blijkt uit met name het tweede visum van de preambule van het besluit, verwijst naar artikel 16, lid 1, van die verordening, dat bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 31 oktober 2014 door middel van uitvoeringshandelingen voor iedere producent of importeur die overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 gegevens heeft gerapporteerd, een referentiewaarde vaststelt die is gebaseerd op het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s die de betrokken producent of importeur volgens de door hem gerapporteerde gegevens van 2009 tot en met 2012 (hierna: „referentieperiode”) op de markt heeft gebracht.
34
Vervolgens dient te worden onderstreept dat overweging 4 van het bestreden besluit bepaalt dat aan de hand van de beschikbare gegevens de referentiewaarden worden berekend op basis van het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s die de producenten of importeurs volgens de door hen gerapporteerde gegevens tijdens de referentieperiode op de markt hebben gebracht, met uitzondering van de hoeveelheden HFK’s voor het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 517/2014 bedoelde gebruik tijdens dezelfde periode.
35
Artikel 1, eerste alinea, van het bestreden besluit bepaalt eveneens dat de bijlage bij dat besluit met het oog op de toewijzing van quota de referentiewaarden voor elke importeur en producent bevat, die – voor zover gegevens beschikbaar zijn – op basis van de overeenkomstig verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens zijn berekend door de totale hoeveelheden HFK’s (bulkgassen) waarvoor de uitzonderingen in artikel 15, lid 2, onder a) tot en met e), van verordening nr. 517/2014 in de referentieperiode gelden, af te trekken van het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s (bulkgassen) die in die periode op de markt van de Unie zijn gebracht.
36
Artikel 1, tweede alinea, van het bestreden besluit preciseert dat het jaargemiddelde van de in de Unie op de markt gebrachte bulkgassen is berekend door de totale hoeveelheden HFK’s in bulk die vanuit de Unie worden uitgevoerd, af te trekken van de totale jaarlijkse hoeveelheden HFK’s in bulk die in de Unie worden geproduceerd en ingevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de gassen in voorraad aan het einde van het jaar.
37
De bijlage bij het bestreden besluit bepaalt dan weer dat de referentiewaarde (RW) is berekend op basis van de volgende formule: RW = gemiddelde [2009‑2012] (POM – EX), waarbij de (POM – EX) jaarlijks wordt vastgesteld, waarna het gemiddelde van de betreffende vierjarige periode wordt berekend. Gepreciseerd wordt dat de waarde POM overeenstemt met de op de markt gebrachte bulkgassen (berekend op basis van de volgende formule: Ρ + I – E + Δs, waarbij de waarde P overeenstemt met de productie, de waarde I met de invoer, de waarde E met de directe uitvoer en de waarde Δs met het verschil tussen de voorraden aan het einde van het jaar, d.w.z. met de voorraden op 1 januari 20XX – de voorraden op 31 december 20XX) en dat de waarde EX overeenstemt met de op basis van de beschikbare gegevens vastgestelde hoeveelheden bulkgassen waarvoor vrijstellingen gelden overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a) tot en met e), van verordening nr. 517/2014.
38
In de eerste plaats dient dus te worden vastgesteld dat het bestreden besluit, gelet op het voorgaande, rechtens genoegzaam is gemotiveerd, wat betreft de definitie van de referentiewaarde en de methode van de Commissie om die waarde vast te stellen. Die definitie en die methode blijken immers zeer duidelijk en ondubbelzinnig uit dat besluit. Bijgevolg betoogt verzoekster ten onrechte dat de berekening van de haar toegekende referentiewaarde niet is gemotiveerd.
39
Aangaande in de tweede plaats het feit dat bij de vaststelling van de referentiewaarde rekening wordt gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, dient te worden geconstateerd dat uit het bestreden besluit blijkt dat de Commissie het jaargemiddelde van de in de Unie op de markt gebrachte HFK’s in bulk heeft berekend door de totale hoeveelheden HFK’s in bulk die vanuit de Unie worden uitgevoerd, af te trekken van de totale jaarlijkse hoeveelheden HFK’s in bulk die in de Unie worden geproduceerd en ingevoerd, en daarbij rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden. Evenwel wordt in het bestreden besluit en zelfs in verordening nr. 517/2014 waarnaar dat besluit verwijst, niet gemotiveerd waarom specifiek rekening wordt gehouden met laatstgenoemde variabele. In dat verband kan niet worden betoogd dat de verwijzing in artikel 1 van het bestreden besluit naar de „overeenkomstig verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens” een motivering vormt van het feit dat rekening wordt gehouden met de betreffende variabele. Hoewel door middel van die verwijzing kan worden aangegeven wat de oorsprong is van de gegevens die bij de berekening van de referentiewaarde zijn gebruikt, kan aan de hand van die verwijzing immers niet worden uiteengezet wat de specifieke redenen zijn om de jaarlijkse veranderingen in de voorraden in die berekening te betrekken. Aangezien de definitie van de referentiewaarde en de methode van de Commissie om die waarde vast te stellen rechtens genoegzaam blijken uit het bestreden besluit, kan echter niet worden verlangd dat in dat besluit wordt aangegeven wat de specifieke redenen zijn waarom die methode een bijzondere variabele bevat, evenwel onverminderd het toezicht van de Unierechter op de gegrondheid, gelet op de definitie van de referentiewaarde, van de berekeningmethode waarbij met die variabele rekening wordt gehouden. Bovendien had de communicatie tussen de Commissie en verzoekster na de vaststelling van het bestreden besluit, maar vóór het instellen van het onderhavige beroep, specifiek betrekking op deze kwestie, waarbij de Commissie zich met name heeft uitgesproken over het feit dat rekening wordt gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, zodat verzoekster in staat is gesteld te begrijpen waarom daarmee rekening wordt gehouden en in het kader van dat beroep te betwisten dat zulks terecht is gebeurd, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel.
40
Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het argument dat in wezen stelt dat, ook al wordt rekening gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, het resultaat van de berekening anders zou zijn indien de in het bestreden besluit uiteengezette formule zou zijn toegepast, geen betrekking heeft op de motivering maar op de gegrondheid van het bestreden besluit, zodat dat argument in het kader van het onderhavige middel bij gebrek aan relevantie moet worden afgewezen.
41
Uit een en ander volgt dat het derde middel moet worden afgewezen.
Eerste middel: schending van verordening nr. 517/2014
42
Verzoekster betoogt dat de Commissie verordening nr. 517/2014 heeft geschonden door bij de berekening van de haar toegekende referentiewaarde ten onrechte rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s, terwijl de Commissie slechts rekening had mogen houden met de hoeveelheden daadwerkelijk op de markt gebrachte HFK’s, die in casu overeenkwamen met het verschil tussen de in- en uitgevoerde hoeveelheden HFK’s. Ter ondersteuning van haar stelling dat niets rechtvaardigt dat met die veranderingen rekening wordt gehouden, beroept zij zich op de bewoordingen van die verordening alsook op een historische, systematische en teleologische uitlegging daarvan. Het feit dat met die veranderingen rekening wordt gehouden, heeft volgens verzoekster niets van doen met de hoeveelheden die daadwerkelijk op de markt worden gebracht door importeurs en exporteurs die net als zij geen producenten of gebruikers zijn, zoals de door haar als voorbeeld aangehaalde situaties aantonen. Doordat met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s rekening wordt gehouden, vermindert in casu de aan verzoekster toegekende referentiewaarde, die minstens [vertrouwelijk] ton CO2-equivalent moet bedragen in plaats van [vertrouwelijk] ton CO2-equivalent zoals de Commissie in aanmerking heeft genomen.
43
De Commissie is van mening dat de in het bestreden besluit vastgestelde en toegepaste methode voor de berekening van de referentiewaarde in overeenstemming is met verordening nr. 517/2014. Die referentiewaarde moet immers worden gebaseerd op, ten eerste, de hoeveelheden die tijdens de referentieperiode op de markt zijn gebracht als bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014, en, ten tweede, de hoeveelheden die de producent of importeur op de markt heeft gebracht volgens de gegevens die hij overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 heeft gerapporteerd. Evenwel geven de overeenkomstig laatstgenoemde verordening gerapporteerde gegevens de op de markt gebrachte hoeveelheden niet exact weer, daar uitsluitend gegevens beschikbaar zijn over de productie, de in- en uitvoer en het verschil tussen de voorraden. Daarom heeft de wetgever de Commissie een beoordelingsruimte gelaten om de referentiewaarde te berekenen, door te bepalen dat die waarde wordt gebaseerd op de gerapporteerde gegevens. De in artikel 1, tweede alinea, van het bestreden besluit neergelegde methode is in overeenstemming met die eisen alsook met de bewoordingen, de context, de strekking en het doel van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 517/2014. Ten slotte zijn de door verzoekster vermelde situaties gebaseerd op onjuiste berekeningen.
44
In dat verband moet worden beklemtoond dat verordening nr. 517/2014 blijkens de overwegingen 13 en 14 ervan tot doel heeft de hoeveelheden HFK’s die in de Unie op de markt kunnen worden gebracht, geleidelijk te verminderen om emissies van die stoffen op lange termijn te verminderen.
45
Daartoe bepaalt verordening nr. 517/2014 dat de Commissie aan alle producenten of importeurs een quotum toewijst voor het op de markt brengen van HFK’s, nadat zij hun een referentiewaarde heeft toegekend.
46
Zoals blijkt uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 517/2014, wordt die referentiewaarde gebaseerd op het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s die de producent of importeur die overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 gegevens heeft gerapporteerd, volgens de door hem gerapporteerde gegevens tijdens de referentieperiode op de markt heeft gebracht, met uitzondering van bepaalde hoeveelheden HFK’s voor het in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 517/2014 bedoelde gebruik.
47
Bijlage V bij verordening nr. 517/2014 bevestigt dat de referentiewaarde aan de hand van de beschikbare gegevens wordt gebaseerd op de hoeveelheden HFK’s die de producent of importeur tijdens de referentieperiode in de Unie op de markt heeft gebracht, met uitzondering van de hoeveelheden HFK’s voor het in artikel 15, lid 2, van die verordening bedoelde gebruik tijdens dezelfde periode.
48
Bijgevolg bepaalt verordening nr. 517/2014 dat de aan een producent of importeur toegekende referentiewaarde afhangt van de hoeveelheden HFK’s die tijdens de referentieperiode op de markt zijn gebracht, en voorts van de hoeveelheden waarvoor een uitzondering geldt als bedoeld in artikel 15, lid 2, van die verordening.
49
Doordat het bestreden besluit in artikel 1, eerste alinea, bepaalt dat de referentiewaarden voor elke importeur en producent – voor zover gegevens beschikbaar zijn – op basis van de overeenkomstig verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens zijn berekend door de totale hoeveelheden HFK’s waarvoor de uitzonderingen van artikel 15, lid 2, onder a) tot en met e), van verordening nr. 517/2014 in de referentieperiode gelden, af te trekken van het jaargemiddelde van de hoeveelheden HFK’s die in diezelfde periode op de markt van de Unie zijn gebracht, neemt dat besluit dan ook in wezen de criteria over die in verordening nr. 517/2014 voor de berekening van de referentiewaarde zijn neergelegd.
50
In casu komt verzoekster op tegen het feit dat de Commissie bij de berekening van de haar toegekende referentiewaarde en meer in het bijzonder bij de berekening van de hoeveelheden HFK’s die zij tijdens de referentieperiode op de markt heeft gebracht, rekening heeft gehouden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden HFK’s, namelijk met de waarde Δs uit de formule als bedoeld in de bijlage bij het bestreden besluit.
51
In dat verband zij inderdaad opgemerkt dat, zoals voortvloeit uit artikel 1, tweede alinea, van het bestreden besluit en de bijlage bij dat besluit, de hoeveelheden HFK’s die de producenten of importeurs tijdens de referentieperiode op de markt hebben gebracht, zijn berekend door de geproduceerde hoeveelheden, de ingevoerde hoeveelheden en de jaarlijkse veranderingen in de voorraden op te tellen en de uitgevoerde hoeveelheden daarvan af te trekken.
52
Zoals verzoekster beklemtoont, is in verordening nr. 517/2014 evenwel nergens uitdrukkelijk bepaald dat de jaarlijkse veranderingen in de voorraden een gegeven vormen waarmee bij de berekening van de referentiewaarde rekening moet worden gehouden.
53
Bovendien staat niet vast dat de jaarlijkse veranderingen in de voorraden een relevant criterium vormen om vast te stellen welke hoeveelheden HFK’s „op de markt gebracht” worden als bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014, met name wat betreft ondernemingen die zoals verzoekster geen HFK’s produceren of gebruiken, maar deze slechts invoeren om ze vervolgens door te verkopen of uit te voeren naar landen buiten de Unie.
54
In dat verband dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014 het „op de markt brengen” definieert als het voor het eerst in de Unie, al dan niet tegen betaling, leveren of beschikbaar stellen aan derden, of gebruiken voor eigen rekening in geval van een producent, met inbegrip van de vrijgave door de douane voor vrij verkeer in de Unie. Ingevolge artikel 129 van verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1) omvat het in het vrije verkeer brengen de inning van verschuldigde invoerrechten, alsook de inning, voor zover van toepassing, van andere heffingen, overeenkomstig de relevante voorschriften met betrekking tot de inning van deze heffingen, de toepassing van handelspolitieke maatregelen en verboden en beperkingen voor zover deze niet in een eerder stadium moeten worden toegepast, en de vervulling van de andere formaliteiten voor de invoer van de goederen. Niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen. Tegen die achtergrond zij opgemerkt dat partijen in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting het erover eens zijn geworden dat het begrip „vrijgave door de douane voor vrij verkeer” in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014 dezelfde betekenis heeft als het begrip „in het vrije verkeer brengen” in artikel 129 van verordening nr. 450/2008. Derhalve moeten de door verzoekster ingevoerde hoeveelheden HFK’s die voldoen aan de eisen van artikel 129 van verordening nr. 450/2008, worden geacht door de douane te zijn vrijgegeven voor vrij verkeer en bijgevolg „op de markt te zijn gebracht” in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014.
55
In de tweede plaats is het van belang erop te wijzen dat uit artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014 niet blijkt en evenmin kan worden afgeleid dat de hoeveelheden HFK’s die door de douane zijn vrijgegeven voor vrij verkeer, slechts kunnen worden geacht „op de markt te zijn gebracht” als zij bovendien daadwerkelijk zijn verkocht, zodat de door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven hoeveelheden die zijn opgeslagen en nog niet zijn verkocht, zouden zijn uitgesloten. Een dergelijke uitlegging van dat artikel vindt overigens geen steun in enige andere bepaling van verordening nr. 517/2014. De Commissie stelt dat trouwens niet.
56
In de derde plaats moet worden opgemerkt dat, zoals de Commissie onderstreept, verordening nr. 842/2006 en verordening nr. 517/2014 niet dezelfde definitie van het begrip „op de markt brengen” bevatten. Hoewel die definitie grotendeels identiek is, verschillen die twee verordeningen immers doordat de eerste verwijst naar de „invoer in het douanegebied van de [G]emeenschap”, terwijl de tweede verwijst naar de „vrijgave door de douane voor vrij verkeer in de Unie”. Terwijl volgens verordening nr. 842/2006 alle ingevoerde hoeveelheden HFK’s worden geacht op de markt te zijn gebracht, worden derhalve volgens verordening nr. 517/2014 enkel die hoeveelheden HFK’s geacht op de markt te zijn gebracht die zijn ingevoerd en door de douane voor vrij verkeer zijn vrijgegeven.
57
Voorts moet worden erkend dat bijlage V bij verordening nr. 517/2014, die tot doel heeft te verduidelijken hoe de referentiewaarde wordt berekend, bepaalt dat die berekening is gebaseerd op de hoeveelheden HFK’s die producenten of importeurs gedurende de referentie- of toewijzingsperiode in de Unie op de markt hebben gebracht, „op basis van de beschikbare gegevens”. Dat waren, zoals volgt uit lezing van verordening nr. 517/2014 in haar geheel, de gegevens die op grond van artikel 6 van verordening nr. 842/2006 werden gerapporteerd op de wijze die wordt voorgeschreven bij verordening (EG) nr. 1493/2007 van de Commissie van 17 december 2007 tot vaststelling, ingevolge verordening nr. 842/2006, van de vorm van het verslag dat door producenten, importeurs en exporteurs van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen moet worden ingediend (PB L 332, blz. 7).
58
De ingevoerde en door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven hoeveelheden HFK’s, die overeenkomstig artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014 moeten worden geacht op de markt te zijn gebracht, maken geen deel uit van die gegevens, aangezien enkel de geproduceerde, ingevoerde, uitgevoerde en opgeslagen hoeveelheden op die grondslag zijn gerapporteerd.
59
Het feit dat ingevolge bijlage V bij verordening nr. 517/2014 de referentiewaarde moest worden berekend „op basis van de beschikbare gegevens” en dat artikel 16, lid 1, van die verordening bepaalt dat die waarde is „gebaseerd op het jaargemiddelde van de hoeveelheden [HFK’s] die de betrokken producent of invoerder volgens de door hem gerapporteerde gegevens [...] op de markt heeft gebracht”, houdt evenwel niet in dat de referentiewaarde noodzakelijkerwijs uitsluitend moet worden berekend op basis van de overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens.
60
Allereerst is in verordening nr. 517/2014 immers nergens uitdrukkelijk bepaald dat de referentiewaarde uitsluitend moet worden berekend op basis van de overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens, en evenmin dat al die gegevens noodzakelijkerwijs bij die berekening moeten worden gebruikt.
61
Voorts is in verordening nr. 517/2014 nergens bepaald dat het de Commissie niet is toegestaan om, indien dat nodig blijkt, de betrokken ondernemingen te verzoeken om aanvullende inlichtingen. De Commissie heeft ter terechtzitting overigens verklaard dat verordening nr. 517/2014 geen uitdrukkelijk verbod in die zin bevat. Indien wordt aangenomen dat, zoals de Commissie stelt, de wetgever ervan heeft afgezien ex post gegevens over de referentieperiode te verzamelen, houdt dat evenmin voor de Commissie een verbod in om die inlichtingen te verzamelen wanneer deze nodig zouden blijken om te bepalen welke hoeveelheden HFK’s op de markt zijn gebracht. Gelet op het beperkte aantal betrokken ondernemingen staat overigens niet vast dat dit, zoals de Commissie te verstaan geeft, aanzienlijke administratieve kosten met zich zou hebben meegebracht, de aanloop van het proces zou hebben vertraagd of een bijzonder risico op manipulatie zou hebben doen ontstaan. In ieder geval zij opgemerkt dat de Commissie, zoals blijkt uit de bijlage bij een e-mail van 19 mei 2014 die zij in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft doen toekomen, de betrokken ondernemingen heeft verzocht om haar met het oog op de vaststelling van de referentiewaarde bepaalde gegevens te verstrekken, met name de hoeveelheden HFK’s die zijn geproduceerd of ingevoerd voor de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 517/2014 genoemde doeleinden, welke gegevens niet eerder waren gerapporteerd en dus niet beschikbaar waren. Op basis van de toelichting die de Commissie op dat punt ter terechtzitting heeft verschaft, kan niet worden geoordeeld dat het niet mogelijk was die ondernemingen tevens te verzoeken gegevens te rapporteren over de ingevoerde en door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven hoeveelheden HFK’s die, evenals de hoeveelheden HFK’s die zijn geproduceerd of ingevoerd voor de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 517/2014 genoemde doeleinden, niet waren gerapporteerd overeenkomstig verordening nr. 842/2006. Dat bevestigt dus niet alleen dat het voor de Commissie verboden noch onmogelijk was zo nodig ex post ontbrekende gegevens te verzamelen, maar ook dat zulks daadwerkelijk is gebeurd. Daarenboven zij erop gewezen dat die ondernemingen in geen geval kan worden verweten tijdens de referentieperiode niet uit eigen beweging gegevens te hebben gerapporteerd waarom de Commissie niet op grond van verordening nr. 842/2006 had verzocht en waarvan de relevantie pas naderhand is gebleken.
62
Ten slotte moet verordening nr. 517/2014 aldus worden uitgelegd dat de Commissie de referentiewaarde slechts moet berekenen op basis van de gerapporteerde (artikel 16, lid 1) of beschikbare (bijlage V) gegevens voor zover die gegevens voor de vaststelling van die waarde relevant zijn. Die verordening heeft immers tot doel de hoeveelheden in de Unie „op de markt gebrachte” HFK’s geleidelijk te verminderen. Het is in strijd met dat doel de betreffende berekening te baseren op gegevens zonder objectief verband met de hoeveelheden HFK’s die tijdens de referentieperiode in de Unie „op de markt gebracht” zijn, terwijl de toegekende referentiewaarden en uiteindelijk de toegewezen quota voor het op de markt brengen, zoals blijkt uit verordening nr. 517/2014, op die hoeveelheden moeten worden gebaseerd.
63
Daaruit volgt ten eerste dat het niet in overeenstemming is met het doel van verordening nr. 517/2014 om bij de berekening van de referentiewaarde gebruik te maken van gegevens die niet relevant zijn voor de vaststelling van de hoeveelheden op de markt gebrachte HFK’s, met name wanneer dat alleen gebeurt omdat het gaat om „beschikbare gegevens”. Het feit dat de opgeslagen hoeveelheden werden gerapporteerd, hoefde dus niet noodzakelijkerwijs tot gevolg te hebben dat daarmee rekening werd gehouden wanneer zij niet relevant waren voor de vaststelling van de op de markt gebrachte hoeveelheden HFK’s. Om dezelfde redenen komt derhalve geen belang toe aan het door de Commissie vermelde feit dat de vaststelling van de referentiewaarde volgens overweging 5 van het bestreden besluit is onderworpen aan de beperkingen van de overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens. Ten tweede volgt daaruit dat niet kan worden aanvaard dat het ontbreken van gegevens die relevant zijn voor de berekening van de referentiewaarde, tot gevolg heeft dat die waarde niet overeenstemt met de op de markt gebrachte hoeveelheden HFK’s, zoals artikel 16, lid 1, van verordening nr. 517/2014 en bijlage V bij die verordening vereisen. De Commissie erkent dat de wetgever zich ervan bewust was dat het op basis van de overeenkomstig verordening nr. 842/2006 gerapporteerde gegevens onmogelijk was nauwkeurig vast te stellen welke hoeveelheden op de markt waren gebracht als bedoeld in verordening nr. 517/2014. Het stond dus aan de Commissie bij de betrokken ondernemingen te rade te gaan om de ontbrekende relevante gegevens te verzamelen.
64
De zogenaamde beoordelingsruimte waarnaar de Commissie verwijst en die de wetgever haar zou hebben gelaten om de referentiewaarden te berekenen, machtigt die instelling in geen geval om een berekeningsmethode vast te stellen die ertoe leidt dat de referentiewaarden niet zijn gebaseerd op de hoeveelheden HFK’s die op de markt zijn gebracht, zoals verordening nr. 517/2014 voorschrijft.
65
Hoe dan ook laat de Commissie na aan te tonen dat het in een geval als het onderhavige mogelijk is om, door rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, op basis van de overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 842/2006 verzamelde gegevens op zijn minst nauwkeuriger vast te stellen welke hoeveelheden HFK’s op de markt zijn gebracht als bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014, dan wanneer daarmee geen rekening wordt gehouden.
66
De Commissie heeft immers geen enkel element aangedragen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het in een situatie waarin een onderneming die HFK’s invoert maar er geen produceert, mogelijk is om, door rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, samen met de in- en uitgevoerde hoeveelheden, de hoeveelheden vast te stellen die op de markt zijn gebracht als bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014. Niets wijst er dan ook op dat, wanneer HFK’s worden ingevoerd, de veranderingen in de voorraden een of andere samenhang zouden vertonen met de hoeveelheden HFK’s die door de douane zijn vrijgegeven voor vrij verkeer en bijgevolg op de markt zijn gebracht als bedoeld in artikel 2, punt 10, van die verordening. Er is dus geen enkele grond om aan te nemen dat de hoeveelheden HFK’s die door een importeur op de markt zijn gebracht, door rekening te houden met die veranderingen, nauwkeuriger kunnen worden vastgesteld dan wanneer daarmee geen rekening wordt gehouden.
67
Aan die overwegingen wordt geen afbreuk gedaan door het argument van de Commissie dat, wanneer rekening wordt gehouden met de invoer zonder correctie op basis van de vergelijking van de voorraden, alle ingevoerde en niet alleen de door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven hoeveelheden in aanmerking worden genomen, noch door het argument dat het nodig is rekening te houden met de evolutie van de voorraden om het doel van verordening nr. 517/2014 te bereiken. Weliswaar kan op basis van de ingevoerde hoeveelheden als zodanig immers niet worden vastgesteld welke hoeveelheden door een importeur op de markt zijn gebracht, aangezien het de door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven ingevoerde hoeveelheden zijn die kunnen worden geacht op de markt te zijn gebracht als bedoeld in artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014, maar dat neemt niet weg dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat het, door rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, mogelijk is om, zoals het doel van die verordening vereist, vast te stellen welke hoeveelheid HFK’s op de markt is gebracht door een onderneming die zoals verzoekster HFK’s enkel in- en uitvoert.
68
Bovendien zij opgemerkt dat verzoekster in casu in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verklaard dat alle tijdens de referentieperiode ingevoerde hoeveelheden HFK’s door de douane waren vrijgegeven voor vrij verkeer. Ter terechtzitting heeft de Commissie te kennen gegeven die verklaring niet te betwisten. Bijgevolg komen de hoeveelheden HFK’s die in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 517/2014 op de markt zijn gebracht door verzoekster, van wie vaststaat dat zij dergelijke gassen niet produceert, exact overeen met het verschil tussen de ingevoerde en dus door de douane voor vrij verkeer vrijgegeven hoeveelheden HFK’s enerzijds en de uitgevoerde hoeveelheden HFK’s anderzijds. Door rekening te houden met een gegeven dat verband houdt met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, heeft de Commissie evenwel een referentiewaarde vastgesteld die niet exact overeenstemt met de door verzoekster op de markt gebrachte hoeveelheden.
69
Gelet op een en ander schendt het bestreden besluit verordening nr. 517/2014 door bij de berekening van de aan verzoekster toegekende referentiewaarde rekening te houden met de jaarlijkse veranderingen in de voorraden, en stelt de Commissie ten onrechte dat de door haar gekozen methode voldoet aan de eisen van die verordening.
70
Bijgevolg slaagt het eerste middel en moet het bestreden besluit nietig worden verklaard voor zover het verzoekster betreft, zonder dat het tweede middel hoeft te worden onderzocht of verzoeksters vraag om maatregelen tot organisatie van de procesgang hoeft te worden ingewilligd.
Kosten
71
Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
72
Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Uitvoeringsbesluit 2014/774/EU van de Commissie van 31 oktober 2014 tot vaststelling, ingevolge verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gefluoreerde broeikasgassen, van referentiewaarden voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 voor elke producent of importeur die krachtens verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad heeft gemeld fluorkoolwaterstoffen op de markt te hebben gebracht, wordt nietig verklaard voor zover het GHC Gerling, Holz & Co. Handels GmbH betreft.
2)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
Papasavvas
Forwood
Bieliūnas
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 juni 2015.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
( 1 ) Vertrouwelijke gegevens zijn gemaskeerd.
Full & Egal Universal Law Academy