14.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/17
Hogere voorziening ingesteld op 22 april 2014 door Jean-Pierre Bodson e.a. tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 februari 2014 in zaak F-73/12, Bodson e.a./EIB
(Zaak T-240/14 P)
2014/C 223/22
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirerende partijen: Jean-Pierre Bodson (Luxemburg, Luxemburg); Dalila Bundy (Cosnes-et-Romain, Frankrijk); Didier Dulieu (Roussy-le-Village, Frankrijk); Marie-Christel Heger (Nospelt, Luxemburg); Evangelos Kourgias (Senningerberg, Luxemburg); Manuel Sutil (Luxemburg); Patrick Vanhoudt (Gonderange, Luxemburg) en Henry von Blumenthal (Bergem, Luxemburg) (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Investeringsbank
Conclusies
De rekwirerende partijen verzoeken het Gerecht:
—
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 12 februari 2014 in zaak F-73/12 te vernietigen;
—
dientengevolge, de in eerste aanleg door rekwiranten geformuleerde vorderingen toe te wijzen en, derhalve,
—
nietig te verklaren de besluiten om op rekwiranten toe te passen het besluit van de raad van bestuur van de EIB van 13 december 2011 tot vaststelling van een salarisprogressie die beperkt is tot 2,8 % en het besluit van het directiecomité van de EIB van 14 februari 2012 waarbij een schema van verdienste is gedefinieerd dat een salarisverlies van 1 % inhoudt, welke besluiten zijn vervat in de salarisafrekeningen van april 2012, alsmede, in dezelfde mate, alle besluiten die in de latere salarisafrekeningen zijn vervat;
—
derhalve
—
de verwerende partij te veroordelen tot betaling van het uit bovenvermelde besluiten van de raad van bestuur van de EIB van 13 december 2011 en van het directiecomité van de EIB van 14 februari 2012 voortvloeiende verschil in bezoldiging in vergelijking met de toepassing van de vroegere salarisregeling; dit verschil in bezoldiging moet worden vermeerderd met vertragingsrente vanaf 12 april 2012 en, vervolgens, vanaf de 12e van elke maand tot aan de volledige vereffening, waarbij het rentepercentage moet worden vastgesteld op het niveau van het percentage van de ECB, vermeerderd met 3 punten;
—
de verwerende partij te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade die is geleden wegens het verlies aan koopkracht, welke schade ex aequo et bono en voorlopig moet worden vastgesteld op 1,5 % van de maandelijkse bezoldiging van elke rekwirant;
—
de EIB te verwijzen in alle kosten;
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten van de twee procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voeren de rekwirerende partijen vier middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan miskenning van het verschil tussen de contractuele en de statutaire arbeidsverhouding, schending van de fundamentele voorwaarden van de arbeidsverhouding en van de juridische kwalificatie van het protocolakkoord.
2.
Tweede middel, ontleend aan een tegenstrijdigheid in het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken en een verkeerde opvatting van het dossier.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid, non-retroactiviteit en voorzienbaarheid alsmede aan een verkeerde opvatting van het dossier.
4.
Vierde middel, ontleend aan niet-nakoming van de verplichting tot controle van een kennelijke beoordelingsfout en van de motiveringsplicht.
Full & Egal Universal Law Academy