14.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/27
Beroep ingesteld op 30 april 2014 — Lech-Stahlwerke/Commissie
(Zaak T-274/14)
2014/C 223/32
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Lech-Stahlwerke GmbH (Meitingen, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Zenke en T. Heymann, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
besluit 2014/C 37/07 van de Europese Commissie van 18 december 2013 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 108, lid 2, VWEU met betrekking tot steun voor de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en mijngas op grond van het Gesetz für den Vorrang erneuerbarer Energien (wet inzake prioriteit voor hernieuwbare energie), in de versie van 25 oktober 2008, zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 20 december 2012, en de verlaagde EEG-heffing voor energie-intensieve ondernemingen, nietig te verklaren voor zover daarin de bovengrens van de EEG-heffing voor energie-intensieve ondernemingen zoals verzoekster als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is aangemerkt en voorlopig onverenigbaar met de interne markt is verklaard;
—
verweerster te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU — geen staatssteun
—
Verzoekster betoogt dat het steunmechanisme in het Gesetz für den Vorrang erneuerbarer Energien (hierna: „EEG”) in zijn geheel en in het bijzonder de bijzondere vereffeningsregeling voor energie-intensieve ondernemingen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen, aangezien er geen sprake is van de directe of indirecte overdracht van staatsmiddelen. De steun wordt louter uit private middelen gefinancierd, op welke financieringsstromen geen toezicht wordt uitgeoefend door overheidsinstanties.
2.
Tweede middel: schending van art. 107, lid 1, VWEU — geen selectief voordeel voor energie-intensieve ondernemingen
—
Verzoekster voert voorts aan dat de bijzondere vereffeningsregeling geen selectief voordeel voor energie-intensieve ondernemingen inhoudt. In de eerste plaats ontvangen de ondernemingen geen voordeel dat zij onder normale marktomstandigheden niet zouden hebben ontvangen, omdat de exploitanten van EEG-installaties anders hun stroom tegen marktprijzen hadden moeten vervreemden en er in het geheel geen EEG-heffing zou zijn geweest. In de tweede plaats is de bijzondere vereffeningsregeling binnen de groep van grootverbruikers van stroom die hun internationale concurrentievermogen dreigen te verliezen als gevolg van de EEG-heffing, zonder onderscheid van toepassing op alle branches van de productieve sector.
3.
Derde middel: schending van art. 107, lid 1, VWEU — hoe dan ook verenigbaar met de interne markt
—
Ook indien de bijzondere vereffeningsregeling een steunmaatregel zou vormen, is deze in elk geval op grond van de staatssteunvoorschriften in artikel 107, lid 3, sub b en c, kennelijk verenigbaar met de interne markt, gezien het gemeenschapsbelang dienende doel van milieu- en klimaatbescherming met behoud van een duurzame en stabiele economie.
Full & Egal Universal Law Academy