14.7.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/42
Beroep ingesteld op 2 mei 2014 — egeplast international/Commissie
(Zaak T-291/14)
2014/C 223/45
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: egeplast international GmbH (Greven, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Rosenfeld, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
besluit C (2013) 4424 definitief van de Europese Commissie van 18 december 2013 betreffende steunmaatregel SA.33995 (2013/C) (ex 2013/NN) — Duitsland, Steun voor hernieuwbare elektriciteit en verlaagde EEG-heffing voor energie-intensieve ondernemingen, nietig te verklaren;
—
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij volgende middelen aan.
1.
Geen voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
—
Verzoekster stelt dat de bijzondere vereffeningsregeling in Gesetz für den Vorrang erneuerbarer Energien (wet inzake prioriteit voor hernieuwbare energie; hierna: „EEG”) voor verzoekster geen voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU inhoudt, maar slechts een last verlicht die haar concurrentievermogen aanzienlijk aantast. Deze last is pas opgelegd met de invoering van de EEG-heffing. Het betreft dus de gedeeltelijke opheffing van een nadeel en niet de verschaffing van een voordeel.
2.
Geen selectiviteit
—
Verzoekster voert voorts aan dat de bijzondere vereffeningsregeling niet selectief is, aangezien zij niet tot bepaalde ondernemingen of productietakken beperkt is. Daarmee is de waaier van ondernemingen die het voordeel van de vereffeningsregeling genieten ook in de praktijk zeer breed. De regeling past ook geheel binnen de EEG 2012 en maakt een binnen het systeem van de EEG passende regeling van de kosten mogelijk.
3.
Geen staatsmiddelen of aan de staat toe te rekenen middelen
—
Verzoekster voert daarnaast aan dat het bij de inkomsten uit de EEG-heffing niet gaat om staatsmiddelen of om aan de staat toe te rekenen middelen. Met de EEG-heffing wordt tegemoet gekomen aan de civielrechtelijke aanspraak van de transmissiesysteembeheerders (hierna: „TSB”) ten opzichte van de elektriciteitsleveranciers op terugbetaling van de uitgaven die voor hen bij de commercialisering van de elektriciteit zijn ontstaan. De hoogte van de heffing wordt zonder enige inmenging van de staat door de TSB’s vastgesteld. De aan de Bundesnetzagentur (federaal agentschap voor netwerken) toegekende bevoegdheden zijn er alleen om te kunnen controleren of de hoogte van de heffing volgens de regels is vastgesteld door de TSB’s. Zij verlenen de Bundesnetzagentur echter geen permanente toezichts- of beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de inkomsten uit de heffing.
4.
Geen vervalsing van de mededinging of negatieve beïnvloeding van de handel
—
Verzoekster stelt in dit verband dat uit het feit dat de inkomsten uit de heffing niet binnen de sfeer van de staat liggen, volgt dat de bovengrenzen aan de EEG-heffing er niet toe leiden dat wordt afgezien van staatsinkomsten. Evenmin wordt van staatsinkomsten afgezien doordat eventuele lagere inkomsten op de heffingsrekening uit private middelen worden gefinancierd door een hoger heffingsbedrag voor niet-geprivilegieerde eindverbruikers.
Full & Egal Universal Law Academy